📘 DAGEN Band 2 Deel 2 – Dagen van De Manke God
Kees Engelhart
Uitgave: Uitgeefhuis De Manke God / !Maatwerk Den Helder
ISBN: niet vermeld
Omslag: Monique Dozy

📚 Recensie

Met Band 2 Deel 2 – Dagen van De Manke God nadert de cyclus een poĂ«tisch en existentieel middenpunt. Het is het deel waarin de grote thematische verschuiving, ingezet in Deel 2.1, zijn voorlopig hoogtepunt bereikt. De titel verraadt het reeds: de dagen behoren niet langer aan Van Putten, maar aan De Manke God zelf. Daarmee verplaatst de kern van de vertelling zich naar het uitgevershuis als mythisch-fictieve as, waarin Engelhart, Brumming, Mila, Doppertje en mevrouw Leenschat van Bodegraven zich bewegen als figuranten in hun eigen episch vergezicht.

De bundel opent met een proloog waarin de “buitenstoffelijke bouwmeester” optreedt als demiurg: “Hij schept hij moet scheppen // De buitenstoffelijke bouwmeester kan niet anders.” Deze visionaire scheppingsmythe is tegelijk ironisch en plechtig: het verlangen naar ordening en zin wordt aan het begin gesuggereerd, om vervolgens in de hoofdstukken te vervluchtigen tot tragikomische, weemoedige, grootse en minieme episodes.

Boek 49 tot en met Boek 60, van “Kleine geschiedenis van een magistraal falen” tot “Kort einde van een lang begin”, vormen samen een panoramische beschrijving van het tweede zomerseizoen in het literaire universum van De Manke God. Centraal staan de melancholieke uittocht van Brumming, Mila’s geestelijke zwerftocht, Engelharts wankele herstel en Doppertjes innige wandelingen met Nol Krentsch. Herkenbaar voor de lezer van eerdere delen is het ritmisch-prozaische procedĂ©: telkens worden afzonderlijke scĂšnes opgebouwd uit episodes met een typisch enscenerend begin (“Wij schrijven een prachtige stille avond
”, “Mila zit op het balkon
”), waarna observatie, introspectie, herinnering en filosofie elkaar afwisselen.

De stijl is virtuoos in zijn vertraagde cadans. Neem de passage waarin Engelhart zijn caravan betreedt:

“Engelhart heeft het virtuele open haardvuur ontstoken
Luistert naar een Wiener Fiaker lied
Meesterlijk voorgedragen door Herbert Joeks
[
]
En ook die constatering bevalt Engelhart zeer”

De opzettelijke detaillering, het mengsel van ironie en oprechte beschouwing, en de speelse vermenging van hoge en lage cultuur – Herbert Joeks naast Boeddha – vormen de signatuur van de tekst.

Het thematisch zwaartepunt is evenzeer existentieel als speels. Engelhart worstelt met zijn moeder, zijn angststoornissen, zijn kunstenaarschap. Brumming balanceert tussen nederigheid en overmoed. Mila zoekt haar plaats – “voorlopig blijft Mila in Hotel Restaurant Lands End” – en Leenschat van Bodegraven ontwaakt tot moreel engagement. De roman als geheel blijft doordrenkt van een diep bewustzijn van de tijdelijkheid:

“De zomer is nu voor een kleine week ingestort
Na morgen zal het zomerweer opnieuw zijn intrede doen”

Er heerst een sfeer van langzame acceptatie. Van zoeken naar betekenis zonder haar te forceren. Er is sprake van een nieuwe rust – een herwonnen of wellicht schijnbare rust, die zich vooral uit in milde dialogen, bourbon, stilte en boeken. De wereld wordt nauwelijks nog bevolkt door dreiging. De onrust zit in de herinnering, de psyche, de vormen van liefde die telkens weer anders uitpakken dan gehoopt.

Zeer krachtig is ook het slotgedeelte waarin het verblijf in Hotel Restaurant Lands End, dat fungeert als fictieve tegenhanger van de werkelijke uitvalsbasis van deze cyclus (Den Helder), als decor dient voor de langzaam vervloeiende grenzen tussen personages. Mila, Leenschat en Engelhart worden herhaaldelijk geobserveerd in hun afzondering, maar steeds in het vooruitzicht van een mogelijke ontmoeting. Die ontmoetingen zijn overigens even vaak gemist als gerealiseerd. Dit uitblijven van catharsis is essentieel voor de poëtica van de cyclus.

Wat betreft de structuur: ondanks de vele afzonderlijke scùnes, die bijna als korte verhalen of miniaturen gepresenteerd worden, is de bundel strak gecomponeerd. Er is een voelbare opbouw van lichtheid naar zwaarte en weer terug. Thema’s worden hernomen en gevarieerd. Het gebruik van het seizoen (zomer – herfst – novemberregen) als drager van de sfeer is subtiel uitgewerkt.

Op filosofisch niveau wordt de cyclus steeds dieper. Er is verwijzing naar Plato, Montaigne, Lao Tse, en Michel de Montaigne. Niet als decoratie, maar als onderdeel van het wereldbeeld waarin schrijven, denken en leven samenkomen in een trage, bezonnen, rituele vorm. Mila zegt het in de droompassage:

“De filosofie is het belangrijkste werk van de Muzen
Hun erotiek dreigt te verworden tot onbekende landstreken”

Deze droomvisie is wellicht de kern: het project Dagen is de reddingspoging van een wereld waarin de erotische en filosofische kracht van de Muzen dreigt te verdwijnen onder lawaai, gemakzucht en oppervlakkigheid.

Conclusie:
DAGEN Band 2 Deel 2 – Dagen van De Manke God is een wonderlijk, gelaagd en taalkundig briljant werk. Het staat op eenzaam niveau in de hedendaagse Nederlandstalige literatuur. De combinatie van poĂ«zie, ironie, filosofie en ontroering, in een vorm die tussen roman, cyclus, poĂ«zie en zelfonderzoek beweegt, is ongekend. Het is een werk dat zijn lezer niet verleidt, maar verplaatst. Niet betovert, maar ontgrendelt. En dat is, juist in deze tijd, van uitzonderlijke waarde.

Recensie en Literaire Analyse

DAGEN Band 2 Deel 1 – Dagen van De Manke God

Auteur: Kees Engelhart

Uitgave: De Dijk te Den Helder, in opdracht van Uitgeefhuis De Manke God

Recensie

In dit eerste deel van de tweede band van het monumentale DAGEN-project hervindt Engelhart zijn toon in een staat van innerlijke ontsporing en herordening. De bundel opent met een proloog waarin wanhoop en genade elkaar in barokke cadans afwisselen: “Meneer ik was meer dan wanhopig
 Toch zou het nog uren duren.” De stem is ernstig, existentieel en met de dood flirtend, maar eindigt met een bevrijdend inzicht: “Nooit meer veinzen / Wat men begeert te vertellen / Dat men het begeert.”

Wat volgt is een rijke schakering van scĂšnes, monologen, brieven en observaties, waarin personages als Brumming, Nol Krentsch, Mila, Theodoor en Cornelis Engelhart elkaar ontmoeten, bevragen of ontwijken. De crisis van het eerste banddeel wordt hier niet opgelost, maar overgeheveld naar een ander bewustzijnsniveau: de overgang van innerlijke ineenstorting naar speelse herstructurering.

De stijl is helder, muzikaal en psychologisch verfijnd. Elke episode bevat beschrijvingen vol zintuiglijk detail, ironie en innerlijke reflex. Wat deze bundel onderscheidt, is de voortdurende vermenging van ernst en absurditeit, van zintuiglijke rust en psychische dreiging. De sfeer is melancholisch maar niet verstikt. Hier werkt een auteur die zijn materiaal niet alleen kent, maar erin ademt.

Literaire en Technische Analyse

1. Compositie en structuur

De bundel omvat 12 boeken (49–60), geflankeerd door een proloog en epiloog. De structuur is episodisch, zonder lineair verhaal, maar met een duidelijke opbouw: van instorting en falen via hervatting en dromen naar heroriĂ«ntatie. De epiloog sluit cirkelend af in de avond.

2. Thema’s

– Falen, schaamte en heropbouw
– De uitgever als figuur tussen macht en mislukking
– Moeder, herinnering en kinderlijke afhankelijkheid
– De mediterrane droom als ontsnapping en bescherming
– De wederopstanding van taal, ondanks en dankzij vernedering
– Ironie als overlevingsmiddel
– 'Waarheid' als precair ritueel

3. Poëtica en stijl

Engelharts stijl is muzikaal, helder, ritmisch. Zinnen worden soms gedragen als fuga’s, andere keren plots gestopt door een breekpunt. De ironie is zachtmoedig maar ongenadig. De taal is doordrenkt van cultuurhistorische referenties, maar nooit opdringerig.

4. Intertekstualiteit

– Citaat van Buddingh’, Longinus, Tati, Larkin
– Terloopse verwijzingen naar Nietzsche, Paustovski, Bordewijk
– Zelfreflexieve structuur rond het redigeren van 'Dagen van van Putten'
– De naam Fritz verwijst impliciet naar Nietzsche Ă©n naar waanzin

5. Typografische kenmerken

Vrije regelval, witregels voor reflectieve ademruimte, afwisseling van fragmenten met visueel theaterachtige scĂšnes. De typografie ondersteunt het psychische ritme van de tekst.

6. Verwantschappen

 

Internationaal: Thomas Bernhard, Robert Walser, Fernando Pessoa, Samuel Beckett, Natalia Ginzburg