Recensie en Analyse – Antipode. Heimwee naar wie ik nooit ben geweest
Auteur: Mila Fertek
ISBN: 9789083211152
Uitgever: Uitgeefhuis De Manke God
Druk: !Maatwerk Grafisch Den Helder
Omslagbeeld: Gustave Moreau, Salomé dansant devant Hérode
I. Een poëtiek van het ontkende zelf
De vierde bundel van Mila Fertek, Antipode, draagt als ondertitel: Heimwee naar wie ik nooit ben geweest. Het is een subtiele, fragmentarisch opgebouwde verkenning van een bewustzijn dat zich
beweegt tussen ontwrichting, zelfinzicht en paradoxaal verlangen. “Wat ik van mijzelf gemaakt heb / Mijn ogen willen er niet van weten” (p. 9) luidt de openingsstrofe – meteen is duidelijk dat de
dichteres zich niet positioneert als maker van identiteit, maar als waarnemer van een mislukt construct. Het subject weet: “Mijn ontwikkeling naar niets / Nam vormen aan die / Menselijk als zij
waren / Mij brachten tot verregaande neerslachtigheid” (p. 10).
II. Dissociatie en existentie
Veel gedichten zijn opgebouwd in tweeluiken of reeksen waarin het ik wordt geconfronteerd met zijn eigen bewustzijn – of juist het ontbreken daarvan. In Existentie lezen we: “Ik voelde mij alsof
ik op het punt stond te ontwaken” (p. 11) en even later: “Zinloos als immer dat ontwaken van mij / Begreep ik / Vanwege het immer ontkende / Maar wel degelijk beseffen / Van wat ik mijn gehele
leven al met mij meedraag” (p. 13). Het ontwaken – vaak opgevat als verlichting of transformatie – blijkt hier een illusie. Ontwaken is slechts een droom die men blijft dromen.
De tekst Dissimulatie toont vervolgens hoe dit vervreemde zelf zich maatschappelijk handhaaft via sociaal wenselijke maskers: “Mijn onoprechtheid bestaat uit de kille jas die ik dagelijks / En
dan ook nog vrijwel de gehele dag dragen moet” (p. 14). De dichteres toont een feilloze blik op de ander, een scherpte die grenst aan ongewenste helderheid, maar stelt tegelijk: “Nimmer wordt
mijn onoprechtheid opgemerkt” (p. 15). Het masker is niet slechts bescherming, maar ook ballast.
III. De optocht van identiteiten
Fertek schetst in Symbiose hoe het ik bezeten wordt door haar eigen onvermogen zichzelf te zijn: “Altijd wanneer ik naar de mensen ga / Komt zij die ik niet ben / Onweerstaanbaar in mij geslopen”
(p. 27). Dit motief – het verinnerlijkte andere ik – loopt als een rode draad door de bundel. Elders in In de droom waarin ik bestond klinkt het: “Ik ben niets dan een idee van mijzelf / Zonder
te weten wie ik ben / Of dat ik ben” (p. 48).
Het spel tussen weten en niet-weten, tussen waarheid en leugen, wordt pregnant benoemd in Overleven dood en mijn leugens: “Mijn welzijn / Dat door mijn immer veranderend palet / Van grote en
kleine leugens (…) In staat is tot het voeden van mijn ziel / Op de grens van het toelaatbare” (p. 33). Leugens zijn niet louter bescherming, maar een voorwaarde voor existentie: “De leugens die
onvermijdelijk zijn / In het geval men wenst te leven” (p. 34).
IV. Verlangen naar de onmogelijkheid
In een van de meest indringende passages – Verlaat mij niet – lezen we: “Alleen zijn is het doel van mijn leven / Mijn leven dat geen doel bezit” (p. 30). Het is een paradox die elders in het
oeuvre van Fertek resoneert: de drang tot afzondering is tegelijk het verlangen naar contact dat men zichzelf ontzegt. De reisgenoot, die zich aandient als innerlijke gids, zegt: “Ik ben bij je
zegt zij dan / Ik ben je gids naar begrijpen / Naar wijsheid” (p. 31). Maar deze wijsheid leidt niet tot gemeenschap, slechts tot meer alleen-zijn.
Ook in Zenit wordt het existentiële ontwaken vervormd tot ontbinding: “Vandaag voelde ik mij alsof ik ontwaken ging / (…) Een ontwaken uit het leven zelf” (p. 18). Het leven zelf wordt beschouwd
als sluimer, niet als bewustzijn. De nacht is niet de duisternis, maar het voedende mysterie: “Duister / Voedzaam / Zacht” (p. 19).
V. Metafoor, maskerade en mystificatie
Opvallend is Ferteks kritische omgang met de taal zelf. In Ergens tegen het einde van mijn toekomst stelt ze: “Ik begin te denken dat alle metaforen zinloos zijn / Aangezien metaforen niets
betekenen” (p. 49). Toch bestaat de bundel uit een aaneenschakeling van poëtische beelden, vergelijkingen en observaties die juist wel betekenis suggereren – maar die systematisch worden
ondergraven. De bundel hanteert taal als een betrapte vorm van schuilen.
In Vanitas wordt het alledaagse gesublimeerd tot een toneelspel van betekenisloosheid. De dichteres beschrijft een tafereel waarin zij, zittend in een restaurant, doet alsof zij uitkijkt over
zee: “Mooi / Vindt u niet” (p. 25). Ze besluit de serveerster “onmogelijk teleur te kunnen stellen” en zegt dan: “Het is spectaculair / Werkelijk” (p. 26). De hunkering naar authenticiteit wordt
overstegen door de plicht tot decorum.
VI. De ethiek van het niets
Er spreekt een diepe ethische afweging uit de bundel – geen moraal, maar een existentieel besef van de onmogelijkheid tot betekenisvolle keuze. In Fundament lezen we: “Wat ik altijd begrepen heb
/ Begrijp ik nu niet meer” (p. 21) en in In aeternum: “Twijfel is mij dierbaar / Nederlagen koester ik” (p. 58). Het is deze omkering van conventionele waarden – triomf, helderheid, kennis – die
Ferteks poëzie fundamenteel maakt.
De slotstrofe is exemplarisch: “Ook ik volg die weg mij door de goden aanbevolen / Hoewel somtijds gebukt onder immense twijfel / Volg ik die weg / Noch verheugd / Noch neerslachtig / Aangezien
er geen andere beschikbaar is” (p. 60). Hier spreekt een berusting zonder vrede, een verstandhouding met het onkenbare. Niet als religieuze verzoening, maar als vorm van intellectuele
overgave.
VII. Conclusie – In de traditie van het ongerijmde denken
Antipode is een bundel die zich niet laat reduceren tot psychologie, noch tot metafysica. Ze roept eerder de stem op van een “koelbloedige amazone” (p. 33) dan die van een fragiele dichteres, al
is het contrast tussen stoerheid en kwetsbaarheid voortdurend voelbaar. In haar worsteling met het zelf, met taal, met het sociale masker en de innerlijke vergetelheid, beweegt Fertek zich
verwant aan oeuvres als die van Ingeborg Bachmann, Unica Zürn, Fernando Pessoa, en in het Nederlandse domein aan Eva Gerlach of Anneke Brassinga.
Wat Fertek echter onderscheidt, is haar vermogen om het niets niet als afgrond, maar als habitat te tonen. Zij dicht niet tegen de leegte in, maar vanuit die leegte. Daarmee is Antipode niet
slechts een reflectie op verlies, eenzaamheid of identiteit – het is een kosmologie in negatieve vorm, een ode aan het onafwendbare dat in het onkenbare schuilt.
De bundel *Antipode* van Mila Fertek is een hoogst persoonlijke en stilistisch beheerste verkenning van identiteit, zelfvervreemding en innerlijk verzet. De dichteres werkt met vrije verzen, verspreid over 23 getitelde secties, waarin zij thematische clusters uitbouwt rond ontwaken, leegte, alteriteit en ontoereikendheid van taal. Elk gedicht staat zelfstandig, maar de formele consistentie maakt de bundel tot een coherent geheel. Er is geen rijmschema of metrum; de kracht zit in de ritmiek van het denken en het snijdende enjambement.
Fertek past tal van literaire stijlmiddelen toe met grote terughoudendheid. Ze gebruikt parallellismen en herhalingen om cyclische patronen van het bewustzijn voelbaar te maken. Bijvoorbeeld: “Ik voelde mij alsof ik op het punt stond te ontwaken” (p. 11) – “Vandaag voelde ik mij alsof ik ontwaken ging” (p. 18) – “Zinloos als immer dat ontwaken van mij” (p. 13). Deze herhalingen versterken de introspectieve aard van de tekst, en roepen een bewustzijn op dat vastzit in het denken over zichzelf.
De dichteres maakt subtiel gebruik van paradoxen: “Mijn toekomst zal zijn wat het nooit worden zal” (p. 25), “Ik ben niets dan een idee van mijzelf” (p. 48). Deze stijlfiguur sluit aan bij de thematiek van zelfvervreemding en filosofische twijfel. Fertek manipuleert betekenis door tegenstellingen op te voeren zonder ze op te lossen.
Er is ook veelvuldig sprake van metonymie en synecdoche: 'mijn stem', 'mijn lach', 'mijn bewustzijn' functioneren vaak als pars pro toto voor het gehele ik. Bovendien werkt Fertek met typische beeldspraak die dicht bij het lichamelijke blijft, maar spirituele of metafysische lading krijgt: 'De tijd die ik doorbreng met mijzelf / Is het kostbaarste dat ik bezit' (p. 30).
De zinsbouw is syntactisch ongeforceerd, vaak met omgekeerde volgorde, en zelden met expliciete interpunctie. Dit draagt bij aan een meditatief of innerlijk talig effect. Het enjambement wordt strategisch gebruikt om semantische spanning op te wekken tussen regels. Bijvoorbeeld: 'De voorname koude van de polen / De elegante hitte van de woestijnen' (p. 30).
Technisch is *Antipode* een bundel die zich laat lezen als voorbeeld van minimalistische, introspectieve poëzie. Er zijn geen uitbundige registers, geen bombast. Het lexicon is beperkt maar uiterst effectief. De toon is gedempt, ernstig, soms ironisch, en altijd reflectief. Belangrijke stijlkenmerken zijn: impliciete metaforiek, afwezigheid van lyrische climax, en herneming van motieven doorheen de bundel.
Ook opvallend is de zelfbewuste omgang met het lyrisch ik: Fertek schrijft vanuit een subject dat zichzelf wantrouwt. In 'Catharsis' lezen we: “In elk beschouwen van mijzelf / Zie ik niets dan eindeloos bedrog” (p. 56). Deze metatekstuele dimensie maakt haar poëzie ook poëzie over poëzie: het zoeken, falen, hervinden en opnieuw verliezen van betekenis is tegelijk onderwerp en vormprincipe.
De bundel eindigt niet met een conclusie, maar met een modulerende afname in toon en intensiteit. 'In aeternum' (p. 58–60) biedt een berustende formulering van het onzegbare. Hier toont Fertek dat de grootste literaire beheersing schuilt in het verzwijgen. Haar stijlmiddelen zijn niet ornamenten, maar structurele onderdelen van een existentieel proces dat zich in taal voltrekt.
Samenvattend kan worden gesteld dat *Antipode* stilistisch behoort tot het beste wat de introspectieve, vrouwelijke poëzie in het Nederlands taalgebied de laatste jaren heeft voortgebracht. De bundel is technisch beheerst, thematisch coherent, filosofisch rijk en literair gelaagd.
