Bio Mila Fertek
Interview met Mila Fertek ter gelegenheid van haar nieuwe bundel Antipode.
door Maya Lensink
Lensink: "Mila, dit is wel een unicum dat ik jou te spreken krijg. Ik heb hier voor me, om maar meteen met de deur in huis te vallen, de bundel die destijds insloeg als een bom "Het fijne leven dat mij wacht."
Mila Fertek lachend: "Dat je daar nog een exemplaar van hebt.."
Lensink: "Ja, ik had er gelukkig nog een in mijn bezit. Het is gedrukt, even kijken, 2006. Er is dus een kleine twintig jaar verstreken. Je was zeventien toen je het schreef en achttien toen het werd uitgegeven. En nu dan deze nieuwe bundel: Antipode ; heimwee naar wie ik nooit ben geweest."
Fertek: "Nou er zitten nog een paar bundels tussen, he. Latere overtuigingen en inzichten en Licht"
Lensink: "Ja, dat klopt. De titels klinken al als aanloopjes naar deze nieuwe bundel, want als ik de titels naast elkaar leg, valt mij een vermakelijke lijn op, die tevens wat ontnuchterend aan doet. Er zit er iets in van.. de dingen zijn niet gegaan zoals ik dacht. Ik ben niet geworden wie ik dacht te worden.. Klopt dat?"
Fertek: "De dingen gaan altijd anders dan je denkt, anders zou het leven geen verrassing meer zijn. En dat begreep ik toen ook al. De motto's die ik indertijd koos, zeggen dat eigenlijk ook."
Lensink: "Ja, je hebt toen een uitspraak van Emmanuel Kant opgenomen. Dat is al heel opmerkelijk voor een meisje van zeventien. "Er kan geen twijfel over bestaan, dat alle kennis begint met ervaring." En die had je niet, ervaring."
Fertek: "Nee, de ervaringen in mijn tienertijd hadden nog veel met de buitenkant te maken. Je denkt dat je jezelf ontdekt en de wereld, maar het is heel beperkt. Het gaat over hoe je je verhoudt tot anderen. Je hanteert de bekende maatstaven zoals intelligentie, afkomst, beauty, vaardigheden enzovoort. En je leert over hoe karakters er uit kunnen zien. Daardoor wist ik wel dat ik goed bedeeld was door het leven. En ik waande me in de zekerheid dat het me zou helpen om door het leven te komen."
Lensink: "En dat heeft het niet gedaan? Het feit dat je een mooie, intelligente, zeg maar begeerlijke vrouw bent, heeft je niet geholpen?
Fertek: "Dat heeft het zeker, in die zin, dat het me de gelegenheid gaf, om verder te graven. Ik had genoeg ruimte en middelen om me de luxe te permitteren, überhaupt te kunnen stilstaan bij bepaalde levensvragen. Maar ik geloof niet dat het leven zoveel eenvoudiger werd. Het was voortdurend opletten geblazen. Je krijgt met je zogenaamde schoonheid en intelligentie tools in handen, die best wel gevaarlijk kunnen zijn. De drama's die er door gegeneerd kunnen worden, zijn misschien van een andere samenstelling dan die van een doorsnee mens, maar niet minder heftig. Integendeel. Alles moet je voortdurend met wijsheid zien te balanceren.
Lensink: "Maar het lijkt me toch dat je minder moet sappelen, dat bewondering bijvoorbeeld een stukje rust en blijheid met zich meebrengt of vergis ik me?"
Fertek: "Ook dat is betrekkelijk. Wie de liefde en dan bedoel ik liefde in algemene zin, makkelijk kan opwekken, mist de diepe zekerheid, dat hij echt wordt liefgehad voor de juiste redenen. Zodra liefde vermengd wordt met bewondering en begeerte, krijgt die liefde ook iets betrekkelijks. En in hoeverre heb jij eigenlijk iets te maken met die liefde van die ander. Uiteindelijk gaat het om wat die ander er aan heeft, in het jou bewonderen. Je gevoel lief te hebben is je uiteindelijke beloning. Dus ik moet zeggen, dat ik mijn schouders een beetje ophaalde over al dat zogenaamde bevoorrecht zijn. "
Lensink: "Ja, je kan moeilijk jezelf er voor op de borst slaan. Alles wat je hebt, heb je gekregen. Zoiets?"
Fertek: "Nu ja, wat ik wel geleerd heb, is dat het er om gaat wat je er mee doet. Dat je steeds kijkt wat wijsheid is. Dat je je eigen karakter staalt. Dat je die discipline zelf hebt en niet door de omstandigheden van het leven als het ware gelouterd hoeft te worden."
Lensink: "Zo klinkt het of de zeven vinkjes, gezond, intelligent, mooi etcetera eerder een verzwaring zijn dan een privilege."
Fertek: "Het is een privilege want boven op de berg, zie je pas het uitzicht. Als je alles hebt, wat je hartje begeert, dan pas kun je tot de conclusie komen dat je niets hebt."
Lensink: "Wacht even, als je alles hebt, zie je dat je niets hebt..?"
Fertek: "Zolang je bezig bent met verlangens inwilligen, verlangens op allerlei gebied, is je aandacht daar op gefocust. Je merkt dus niet dat je diepste ware verlangen iets immaterieels is. Wat je werkelijk wilt, is je daadwerkelijk en totaal aangesloten voelen op het netwerk dat universum heet, met al zijn mysterieuze lagen, terwijl je toch een autonoom vrij mens blijft. Maar wie daar te bezig voor is, voelt de noodzaak niet, die behoefte te voelen. Je bent bezig met een dak boven je hoofd en ja, na een tijdje, moet daar wel een autootje bij. Dan een zwembad in de tuin. Verlangens komen altijd steeds groter terug. Dat gaat ver hoor. Een tweede zwembad, een derde villa. Er zit wat dat betreft geen eindpunt aan. Geen punt van permanente bevrediging. Dat punt bestaat niet, tenzij je het zelf een halt toeroept. Dat is het principe waarop onze hele economie is gebaseerd."
Lensink: "Dat klinkt diep, netwerk van het universum, maar ook een beetje vaag. Je bedoelt tussen aanhalingstekens de Bovennatuurlijke Intelligentie, die de existentie van ons universum mogelijk heeft gemaakt?
Fertek: "Als counteract van AI bedoel je, ha ha! Hoe ik het moet noemen, weet ik niet. Helaas is het woord God in ons collectieve onderbewustzijn behoorlijk gehavend, door alle religies en figuren, die de waarheid claimen. Daar is iedereen terecht heel huiverig voor. Maar het kan toch niet zo zijn, dat ze het concept God gekaapt hebben en de mens dus nergens met meer met zijn vragen naar toe kan.
Lensink: "De bundel Antipode schuurt langs die vragen."
Fertek: "Als je bedoelt dat de hoofdfiguur haar eigen bestaan en handelen tegen een existentiële lamp zet, wel. Het woord antipode betekent hier "tegenvoeter". De
hoofdfiguur als kroongetuige van haar eigen leven, wordt letterlijk door een antagonistisch deel overgenomen. De hoofdpersoon krijgt daardoor de afstand om dingen van zichzelf te zien als
ook haar interactie met anderen en dan komen de vragen. Zij wordt als het ware, door die vreemde, die tegelijkertijd niets meer of minder dan zijzelf is, haar eigen antipode en wordt daarmee tot
uiterste objectiviteit gedreven.
Lensink: "Ja, dat is zo fascinerend aan deze bundel. Het is alsof een soort afstandelijk geweten zichzelf aan het beschouwen is, niet langer vervlochten was met de existentiële
ideeën die zo een geweten gewoonlijk heeft. En paradoxaal genoeg maakt dat hetgeen ze denkt, zo herkenbaar. Wij mensen vragen in ons onbewuste voortdurend dezelfde dingen af.
Ze heeft het ook trouwens vaak over ontwaken. Dat maakt het heel spannend. Ik citeer:
Ik voelde mij alsof ik op het punt stond te ontwaken.
Er was nog slechts weinig dat mij daarvan weerhield
Ook dat voelde ik
Echter hoe de grens over te gaan van duisternis naar licht
Bleef nog even naar ik zeker wist te menen
Onbekend
Fertek: "Dat gaat natuurlijk over een soort verlichting, die ze elk moment verwacht. Wie zich bewust is, dat hij nog in het duister tast, heeft als ware al het inzicht ontwikkeld dat er meer moet zijn. En zij beseft dat alles om haar heen de volle werkelijkheid niet is. Doordat ze zo vervreemd is van haar eigen ego, haar eigen ik, treedt ze uit haar eigen manier waarop ze gewoonlijk het leven beziet. En opeens weet ze niet meer, wie of wat dan wel degene is, die haar doet handelen. Dat zie je aan hoe het gedicht verder gaat."
Ik stond op om de gordijnen te openen
Wat ik zag was niet zichtbaar
Noch besefte ik dat ik was opgestaan
Teneinde de gordijnen te openen
Lensink: "En van uit die staat van zijn, begint ze zichzelf te beschouwen. Valt haar innerlijk wel helemaal samen met die glimlach als ze spreekt. Bestaat het vertrouwen in anderen dat ze lijkt te hebben als ze in gezelschap is, wel?"
Fertek: "Ja precies! Ze ontleedt zichzelf op volkomen neutrale wijze. En ontdekt dan dat veel met coping te maken heeft. Er zit in diepste wezen een heel ander mens aan het stuur dan zijzelf!
Lensink: "Dat is heel herkenbaar. Dat hebben we dus allemaal!"
Fertek: "Ja, we zijn ontzettend geconditioneerde apen. Dusdanig getraind in omgangsvormen en gewetenskwesties dat we geen contact meer hebben met onze ware gevoelens. Tegelijkertijd is er ook die andere kant van ons die wil handelen, die wil kunnen zeggen, kijk, dat heb ik gedaan. Die zich voortdurend met anderen vergelijkt. Daar kijkt de hoofdpersoon ook genadeloos naar:
NIEMAND WILLEN ZIJN
Al hetgeen ik nastreef is tot mislukken gedoemd
Uiteindelijk heb ik daar enig geluk in gevonden
Onkwetsbaar geluk
Dat ik uiterst zorgvuldig bewaar in de schrijn
Van mijn immer zwak verlicht bewustzijn
De avond van de dag waarop ik besloot iemand te zijn
De donkerste avond van mijn leven
Is ergens in mijn verleden zoekgeraakt
Toen
Eens
Daar
Is iets geboren
Dat ik niet voor ogen had
Iemand die ik niet wilde zijn
Lensink: "Ja mooi. Hoewel er niet veel mensen zullen zijn die dit letterlijk zullen denken, heeft iedereen daar mee te maken, denk ik zo en zullen ze dit gevoel herkennen. Dat knagende gevoel dat je nooit zelf helemaal de touwtjes in handen hebt. Je wilt jezelf wel manifesteren, maar je neemt een enorm risico. Want er zijn veel factoren die je helemaal niet in de hand hebt. En intelligente mensen zeggen dan, beter niemand willen zijn."
Fertek: "Nu ja, als we dat allemaal zouden doen, zou alles in elkaar storten. Niemand zou het land nog willen besturen of dokter willen worden. We hebben allemaal die drive nodig. Het gaat er om dat je je nietigheid bewust bent en toch in het minuscule wat je doet, actief kunt zijn. En welke vernedering schuilt er eigenlijk in het mislukken? Wie mislukt er en wie voelt zich vernederd als je zoals de hoofdpersoon buiten jezelf kan staan. Niemand. Het is een theater."
Lensink: "Shakespeare! ha ha. We gaan hier niet alle gedichten verklappen, maar het zijn stuk voor stuk juweeltjes. Ja, kijk niet zo. Mila, ik begrijp werkelijk niet hoe iemand zulke diep menselijke bestaanskwesties, op zo een schijnbaar eenvoudige manier, zo raak kan beschrijven. In bijna eenlettergrepige woorden welhaast:
Mijn zijn is niets
Dan eeuwigheid in wording
Fertek: "Dank je wel, maar om in het thema van de bundel te blijven, de woorden werden buiten mij om geschreven."
Lensink: "Met ietwat hulp van twintig jaar ervaring en meesterschap."
Mila kijkt om zich heen of ze iets zoekt. Het wordt tijd dit interview af te ronden en op iets sterkers dan thee over te gaan.
Odile Schmidt leest Mila Fertek
Reflecties op de nieuwe bundel van Mila Fertek
Antipode : Heimwee Naar Wie Ik Nooit Was
Antipode lezen verwart mij terwijl het glashelder is geschreven en Mila Fertek zichzelf nietsontziend fileert. Dit komt door haar opmerkelijke uitspraken over zichzelf, over haar vijanden, waarvan ze de naam vergeten is, over een gesprek met een serveerster. Alle gedichten ademen eenzelfde sfeer uit, ik zit op het puntje van mijn stoel, maar kan er net niet bij. Het brengt mij op gedachten hoe dat bij mij zit. Neem ik mijn gedachten serieuzer dan Mila? Is dat terecht? Hoe zit het tussen mijn vrienden en ik? Het motto van de bundel licht een tipje van de sluier op. Overigens de bundel lijkt te gaan over de sluier tussen de uiterlijke ik en de innerlijke ik. Dat kan confronterend zijn, toch de taal is dat niet. De taal van Mila is zorgvuldig, afgewogen, harmonieus, helder, evenwichtig zoals uitgewerkte gedachten zijn. De inhoud verontrust me soms. Dan weer stelt het mij gerust. Ze verleidt mij zonder dat ze dat doet, door haar ongrijpbaarheid vooral. Ze is openhartig en toch verdwenen. Het is ook een spel van afstanden; tegelijkertijd dichtbij en veraf. Vaak denk ik, wacht, wat betekent dit? Ik zoek houvast in de titel, herlees het gedicht en ben betoverd door wat er staat, verbaasd ook en verblind. Na wat tellen denk ik te begrijpen. Denk na hoe het bij mij is in deze laag van bewustzijn. Het raakt aan het woordeloze gevoel, dat nog geen vorm aangenomen heeft. Na het lezen kijk ik anders naar mezelf en de ander. Door de bril van Mila Fertek op te zetten, is er een vorm van hypocrisie aan duigen gevallen. Dat ruimt op.
Antipode, de tegenvoeter, vindt Mila in zichzelf.
Mila Fertek
Publicaties:
Het Fijne Leven Dat Mij Wacht, uitgave bij de Contrabas, 2007
Latere Overtuigingen & Inzichten, Uitgeefhuis de Manke God, 2017
Licht Uitgeefhuis de Manke God, 2020
Antipode: Heimwee Naar Wie Ik Nooit Ben Geweest
HIER BINNENKORT: HET LANGVERWACHTE INTERVIEW MET DE GELAUWERDE DICHTERES MILA FERTEK / door Maya Lensink
Voor nu een zieleuiting Elisabeth Leenschat van Bodegraven waarin zij de grootheid van Mila Fertek ten volle beseft:
ZEVENENDERTIG IN MAART
1
Mevrouw Leenschat van Bodegraven staart in het dikke grijs van de tuin
Zelfs het tuinhuis van Mila is nog maar nauwelijks te onderscheiden
De mist
Die al voor dagen heerst
Mist zelfs maar de geringste intentie te willen wijken en blijft
Koppig en hardnekkig
Hangen over de kop van Het Kleine Vaderland
Mevrouw Leenschat van Bodegraven heeft haar leesbril afgezet
Wendt haar blik van het grote raam
Legt het typoscript van Mila naast zich op het bijzettafeltje
Om eens diep te zuchten
Werkelijk Elisabeth
Mompelt mevrouw Leenschat van Bodegraven
Het is ongekend
Gaat elke beschrijving
Hoe welwillend lovend ook
Ver te boven
Hartverscheurend
Openhartig
Beklemmend en bevrijdend tegelijkertijd
Aards en filosofisch in een enkele ademtocht
Bescheiden alsook hoogdravend
Maar toch ook weer niet
2
Mila heeft de taal
Het onbegrepen schitterende Nederlands
Ingezet voor geen ander doel dan het subliem verhelderen van haar denken
Van haar wezen
Onrustbarend en geruststellend
Het kan niet anders zijn
Mevrouw Leenschat van Bodegraven meent ten stelligste dat de goden
Eensgezind
Hun zegen over Mila hebben uitgesproken
Even sluit mevrouw Leenschat van Bodegraven de immer warme ogen
Zo intens als maar mogelijk is laat mevrouw Leenschat van Bodegraven de Calvados
Van superieure kwaliteit
Lichtjes golven over haar tong
En nogmaals denkt zij
Ongekend
Ongekend
In het tuinhuis
Links van de kastanje
Ís een meesterwerk geschreven
Door een beeldschone jonge vrouw van zesendertig
Mila Fertek
Zal
Zal zij u eens verhalen van haar grote liefde
Zal zij dat eens doen zij die in een boomgaard staat
Een boomgaard in mei
Waar haar armen reiken lieflijk
Naar de ranke takken die vol bloesem zijn
Dat achter haar het gras wuift zal zij het u
Zal zij het u vertellen hoe ze was en droomde
Op die ochtend dat het zo mild was en de lucht
Boven haar zich uitstrekte tot een
Blauwe rimpelloze spiegel en hoe haar haar
Glanzend neerhing op haar schouders
En het jurkje dat ze droeg die tere stof
Zij kan het u vertellen zij kan het
En dat ze ogen had onschuldig die vervulling
Zochten in alles wat godinnen maken kunnen
Uit: Latere Overtuigingen & Inzichten
Recensies :Herbert Mouwen, Mila Fertek ; een onbekende vrouw die onbekend blijft, Meander
En ik lach schaterend en de oude Indiase vrouw lacht ingetogen maar heel vrolijk met Mij mee
Deze bloemen zijn heel mooie bloemen
Ik heb ze gekocht van een oude Indiase vrouw
Wier taal ik niet spreek
Toch zei ik haar ga zitten hierbuiten voor het
Huis in de warme zon dan maak ik een kopje
Thee voor u
De oude Indiase vrouw ging zitten en begreep
Mij helemaal
Vijf minuten later was ik terug met twee
Dampende mokken thee in mijn handen
Ik zette ze op het tafeltje neer en ging naast
Haar zitten
Zo zitten we lekker zei ik en even sloot ik de
Ogen om de geur van de mooie bloemen goed
Tot mij te kunnen nemen
Ze ruiken heerlijk mevrouw zei ik terwijl ik
Mijn ogen weer opende
En de oude Indiase vrouw knikte en glimlachte
Vriendelijk
Zij draagt een forse herenbril de oude Indiase vrouw
En haar gebit is volkomen authentiek
Voorzichtig de mok gloeiend hete thee in haar handen
Houdend en haar hoofd ernaartoe buigend slurpt ze
Uit de dampende mok
Kent u Bach mevrouw zeg ik de deur staat toch open
En de thee is nog lang niet op wacht ik zal u Ich Ruf???
Zu Dir, Herr Jesu Christ laten horen
Even opnieuw ben ik weg en in de huiskamer zet ik
De langspeelplaat op en spoed mij weer naar buiten
Dat is Bach mevrouw zeg ik net zo mooi als uw
Prachtige bloemen die ook nog zo heerlijk ruiken
En van Bach weet ik dat zo net nog niet
In de wind van juli naar augustus
Het is avond en de wind van juli naar augustus is stilgevallen
Een jonge vrouw in feite een meisje nog maar al reeds ruim
Voorzien van de rijpe vormen die bij velen begeerte oproept
Zit op een keukenstoel in de snel duisterende tuin
De jonge vrouw eigenlijk een meisje nog denkt na en haar
Ellebogen rusten op haar knie??n en haar kin rust op haar
Opengevouwen handen die bovendien haar wangen omvatten
Na denkt zij over de verschroeiende liefdes die haar leven
Niet zullen doen verteren en wellicht spoedig al
Het bed vreest zij niet integendeel maar wel de uren dagen
Weken maanden jaren lustra en decennia die zouden
Volgen kunnen die vreest zij maar al te zeer
Daar is zij veel te ongedurig voor meent de jonge vrouw
Eigenlijk een meisje nog en niet lang zal zij bij welke grote
Liefde dan ook blijven kunnen zo voelt zij dat aangezien
De jonge vrouw wellicht een meisje nog zo is geaard
Veel pijn en verdriet zal zij onderweg veroorzaken want ik ben
Van de liefde meent ze en niet van het verstikkende blijvende
Zij die mijn onversneden liefde ten deel zullen vallen kunnen
Alleen mijn kinderen zijn mijn kinderen die ik met man
Noch vrouw delen zal
Het is vrijwel donker nu en de jonge vrouw eigenlijk een meisje
Nog neemt een flinke slok uit het glas met zware bodem waarin
Zij zich een driedubbele bourbon heeft ingeschonken en
Bedachtzaam neemt zij vrijwel tegelijkertijd een fikse teug van
Haar joint en luistert naar de merel die gestopt met zingen is
Het voorbereidende werk is gedaan en voor het werk
Dat nu volgt is zingen niet werkelijk noodzakelijk meer
https://www.dwbarchief.be/uitgave/2006/4/jan-lauwers/mila-fertek/het-fijne-leven-dat-mij-wacht.html
Hoe een en ander ingewikkeld kan zijn voor vrouw en man
Zij heeft hem geslagen
Hij heeft haar pijn gedaan
Dat vindt zij
Hij vindt dat niet
Zij krabt hem overal
Hij gooit haar tegen de stoeprand
Dat vindt zij
Hij vindt dat niet
Zij heeft hem uitgescholden
Hij draait zich bijna om
Dat vindt zij
Hij vindt dat niet
Zij drijft een klauwhamer in zijn achterhoofd
Hij zakt in elkaar
Dat vindt zij
Hij vindt dat niet
Zij schopt hem in de rug
Hij valt als een blok voorover
Dat vindt zij
Hij vindt dat niet
Zij spuugt hem in de nek
Hij laat straaltjes bloed lopen uit zijn mond
Dat vindt zij
Hij vindt dat niet
Mila Fertek is geboren in 1988 te Alkmaar. Nog even en ze is drie-en-twintig. Zij behoort tot de vierde generatie van Oosteuropese immigranten, een immigratiestroom,
die rond 1900 begonnen is.
Mila is de oudste dochter van een welvarende zakenman. Ze groeide op in de pittoreske, gemoedelijke kaasstad, waar ze naar het gymnasium ging en uit de openbare
bibliotheek veel leesvoer naar haar slaapkamer meenam, dat ze las met een gretigheid, die menigeen zou overompelen, maar zij bleef er evenwichtig onder en las verwoed door. Van jeugdboeken tot de
mooiste wereldliteratuur.
Zo las ze o.a.: Kavafis, Pessoa, Pavese, Rimbaud, Jotie T'Hooft, Fritz Kocher, Leopardi, Léautaud, Whitman en Rilke. Ze was extra psychisch vroegrijp door dat
sponsachtig opnemen van de groten der aarde.
Ze onderhield geen vriendschappen, wat gezien haar leeswoede ook niet mogelijk was, maar wat wel een groot offer moet zijn geweest voor een jonge meid, die toch ook
wel eens uit de band wil springen en feestvieren met leeftijdsgenoten in kroegen en dancings.
Op het enige pasfotootje van haar op internet zie ik een fragiele jongedame met bruine krulharen en gesloten ogen, wat kan duiden op een staat van een totale
ingekeerdheid. Introvert zal ze zeker zijn, gezien haar lees- en schrijfhonger.
Misschien is ze nu een studente aan de Universiteit van Amsterdam en woont ze ergens met anderen in een studentenhuis, ik kan me die gang van zaken goed voorstellen
gezien haar grote talent voor woordkunst, ze zal Taal en Letterkunde studeren vermoed ik, maar dat weet ik niet zeker.
Ze schrijft nu al zo'n zeventien jaar, dus ze heeft al een behoorlijke staat van dienst.
Ze voelt zichzelf zeer verwant met de dichteres Fritzi Harmsen van den Beek.
Dat ze al zo jeugdig op een hoog dichtniveau zat, heeft ze gemeen met vele van haar roemrijke voorgangers, waarlijk talent barst vroeg open, je kunt het zien als
oude zielen, die in een stroomversnelling raken.
Ze behaalde in 2006 haar gymnasium-diploma en in datzelfde jaar stuurde ze haar dichtwerk naar de BnM-uitgevers, die haar vroegen om eerst wat naar 'D.W. &
Belfort' te sturen, wat ze deed en het werd gepubliceerd.
Een half jaar later verscheen haar debuutbundel 'Het fijne leven dat mij wacht' bij BnM-uitgevers. Het bleek meteen een literair succes met talloze loftuitingen van
bekende recensenten en natuurlijk veel zinderende beloften voor haar toekomst.
Na vijf jaar mag die tweede bundel wel eens verschijnen, maar ja, daar hebben we wel haar wilskracht voor nodig; dat het erin zit, dat betwijfel ik niet, trouwens,
al duurt het nog tien jaar, dat is evengoed okay.
https://www.nederlands.nl/nedermap/beschouwingen/beschouwing/125604.html
OPENBARE VOORDRACHTEN MILA FERTEK
Link:
https://decontrabas.typepad.com/de_contrabas/2006/11/optreeddebuut_m.html
1
Vandaag voelde ik mij alsof ik ontwaken ging
Ontwaken uit
Niet een droom
Noch een diepe mijmering
Een ontwaken uit het leven zelf
Zo scheen het mij toe
Het leven van alles waar
De kruidenier met zijn kleine winkel
De gestrafte in zijn cel
De moeder met haar kind in de armen
Waarde aan hecht
Mijn ontwaken deze dag verliep traag
Onwetend van wat het aanrichtte
Maakte het de ochtend lang
Grauw als gewoonlijk
2
De middag een vrijwel onmerkbaar gloren
De avond een langzaam oplichtend visioen
Ik voelde dat ik afscheid nemen ging
Of
Wellicht
Op dat moment
Al afscheid genomen had
Ik staarde uit het raam
Het was nacht
Duister voedzaam
Zacht
Ik zag het bolle licht van de lantaarnpalen
Hoorde het tsjilpen van krekels
En wat ik zag
Zag ik niet
3
Wat ik hoorde
Hoorde ik niet
Ik begreep dat ik was ontwaakt
Maar niet
Hoe dat zo gekomen was
Hoewel ik wel degelijk
Een vermoeden bezigde
Destijds
Toen mijn bewustzijn
Nog geen bewustzijn bezat
1
Mijn toekomst zal zijn wat het nooit worden zal
Wat is zal nimmer zijn wat het is
Vandaag keek ik uit over zee vergetend dat ik uitkeek over zee
Tevens vergat ik te bewegen
Daarmee de indruk wekkend
Bij de serveerster die mij mijn koffie bracht
Dat ik uitkeek over zee
Mooi
Vindt u niet?
Vanuit een nergens waar ik nauwelijks was
Keerde ik terug
Naar de tafel in het restaurant
Naar de vriendelijke hand
Die mij de koffie serveerde
Naar de glimlach op haar gezicht
2
Ik besloot
In een fractie van een seconde
Haar onmogelijk teleur te kunnen stellen
En zei
Mijn stem dwingend tot een menselijke vorm
Het is spectaculair
Werkelijk
De serveerster knikte opgewekt
Waarop zij gewenkt werd
En mijn tafel verliet
Mij
Hetgeen mij zeer aannemelijk toescheen
In goed vertrouwen achterlatend
Terwijl ik nauwelijks begreep nog
Waar ik mij bevond
1
Vandaag
Altijd
Wanneer ik de mensen ontmoet
Komt
Zij
Die ik niet ben
Onweerstaanbaar
In mij geslopen
Ik
Vandaag
Altijd
Weersta haar niet
Hoe kan ik haar weerstaan!
2
In hoe zij mijn lach vervormt
Mijn stem
Mijn manifesteren
Mijn eeuwig betrachten
Heel mijn willende zijn
Haat ik haar diep
Haat ik haar niet
Ik weet dat zij is
Die ik ben
Ik ken haar schichtige oogopslag
Haar stem
Die faalt
Juist wanneer haar stem niet falen mag
3
Wanneer zij de mensen groet
Groeten zij haar vriendelijk terug
Gezien zij niet weten wie zij is
Dat zijn zenuwen
Immer onder hoogspanning staan
Haar aangename intonatie
Een gotspe
Dat weet ik allemaal
Wanneer zij
Na alle begroetingen
Zitten gaat
Aan de tafel waaraan zij altijd zit
Waar zij
Ondanks haar groeiende paniek
Meestentijds de rust hervindt
4
Die haar immer tijdelijk geneest
Hetgeen ik weet
Aangezien ik immer
Gezeten aan diezelfde tafel
Haar koffie drink
1
Meester over mijzelf zijn
Ha
Grimas
Wie wil er nu vrij zijn
Lijden wil ik
Pijn en tranen
Mijzelf eeuwig straffen
Voor de dingen die ik mij heb aangedaan
Gelukkig zijn kan ik slechts met wat ik niet kan zijn
Ik ben ongelukkig met wat ik bezit
Ik ben de meester van mijn ongeluk
De slaaf van mijn wensen
Ik ben de bron van mijn tranen
Het vuurwerk van mijn lijden
2
De zorgen die mij vreugde brengen
Zijn die welke ik niet doven kan
Vooral die buiten mijn bereik liggen
Zijn mijn grootste vreugden
Ik bezit niets dan de wil
Niet te zijn die ik ben
In het licht waarin de mensen mij zien
De mensen die ik liefheb soms
Vanwege hun
Ogenschijnlijk immer
Opgewekte existentie
In het koffiehuis waar ik vrijwel dagelijks zit
En naar ze kijk
3
Vaak zeg ik dan tegen mijzelf
Kijk daar zitten ze
Ze eten
En drinken
Ze lachen en praten
En ik zit daar alleen
Denkend aan hun ongeluk
Dat zij immer verbergen
Het is gezellig zo met elkaar toch…
Peinzend over de tragedies die hen
Ongetwijfeld
Nog treffen zullen
4
Dan denk ik
Mijmerend op zo een middag in het koffiehuis
Wie ik wil zijn
En welzeker ook
Hoe ik iets dergelijks bereiken kan
Toen
Wellicht zeker aannemelijk
Bij de genade van al mijn ongeluk
Ontspanden mijn gelaatstrekken zich
Ik voelde dat ik begon te voelen
Om te beseffen
Wie ik nooit ben geweest
1
De tijd die ik doorbreng met mijzelf
Is het kostbaarste dat ik bezit
Ik verveel mijzelf nooit
Dat heb ik vastgesteld
Mijn eeuwig falen
In lange stiltes beschouwen
Behoort tot mijn grootste genoegens
De reis die ik mijzelf bied
De voorname koude van de polen
De elegante hitte van de woestijnen
Doet mij immer beven van genot
Alleen zijn is het doel van mijn leven
Mijn leven dat geen doel bezit
2
Voor welke gedachte ik een onbekende god
Die in mijzelf woont uiterst dankbaar ben
Trouw ben ik slechts aan mijzelf
Om mijzelf te leren kennen
Verspil ik lachend alle uren van mijn dagen
Angst voor eenzaam zijn ken ik niet
Mijn reisgezellin versaagt nimmer
Altijd is zij aan mijn zijde
Ik ben bij je zegt zij dan
Ik ben je gids naar wijsheid
Naar begrijpen
Verlaat mij niet
1
Mijn immer voortdurende ongemak
Dat
Zonder ook maar de geringste reden denkbaar
Moeiteloos zijn weg vindt
In
En door
Mijn dagelijkse manifestaties
Is mijn natuurlijke vorm van tevredenheid
Mijn enige weg
Naar een zeker geluk
Mijn woorden zijn niet mijn taal
Het is slechts mijn wens dat zij nastreven
Zich om te zetten
In de taal die ik voor ogen heb
Hetgeen onmogelijk is
Wat ik weet
2
Alsook dat zij weten
Wat ik weet
Meer verlang ik niet
Mijn onvolmaakt zijn
Is mijn enige geluk
Mijn onvolmaaktheid is het fundament
Waaruit mijn immer broze tevredenheid
Alsook mijn angst voor het verliezen van mijn ongemak
De enige weg namelijk die ik ken
Naar in het bijzonder in mijn geval een zeker geluk
Op die gedenkwaardige dag destijds
Schitterend geboren werd
Sindsdien koester ik mijn immer voortdurend ongemak
Als het enige doel in mijn leven
Om dat leven te kunnen doorstaan
1
Wanneer ik lijd
Wordt dat lijden veroorzaakt
Als regel
Door een soms pijnlijk onverwacht geluk
Een aanraking
Een opbeurend woord
Van hen die zich
Vanwege mijn door hun vermeende lot
Dat ik liefheb
Bekommeren om mijn welzijn
Dat een ander welzijn is
Dan zij ooit vermoeden kunnen
Mijn welzijn
Dat
Een god zeg ik dank daarvoor
Nimmer floreert door gedachten aan wreedheid
2
Mijn welzijn
Dat door mijn eeuwig veranderend palet
Van grote en kleine leugens
Soms van vermakelijke
Soms van ontluisterende aard
In staat is tot het voeden van mijn ziel
Op de grens van het toelaatbare
Ik ben de immer koelbloedige amazone
Die haar eigen oorlogen voert
Voorzien van wapens
Gesmeed uit haar onuitputtelijk arsenaal
Van veinzen
Haar briljante onvermogen
3
Haar daden zijn gering
Echter zo gaat zij elke nieuwe dag te lijf
En net als ik
Heeft zij haar leugens lief
De leugens die onvermijdelijk zijn
In het geval men wenst te leven
Alsook in geringe mate gelukkig te zijn
In de gedachte
Dat het eens voorgoed voorbij zal zijn
Met al die leugens
Goed of slecht
Vermakelijk of stuitend
En met dat geringe geluk eveneens
Dat de vrede eindelijk getekend wordt
Universele rust
1
Mij minder gelukkig voelen
Niets is minder waar
Ik ben gelukkig in het besef
Dat zij die zeggen gelukkig te zijn
Niet weten waarover zij spreken
Wie wil er gelukkig zijn
Ten koste van een ander
(Hetgeen altijd het geval is)
Niemand zullen zij roepen in koor
Zich tegelijkertijd verslikkend
In hun kreukelige geweten
2
Ik ben gelukkig in het besef
Dat ik weinig goed doe
Dat heel mijn nobele betrachten
Een keerzijde bezit
Die ik uiterst zorgvuldig
En dagelijks
Behoor te beschouwen
Zoals een welmenende god mij aanbeval
Hetgeen ik ook doe
Wanneer mijn buurman zegt
Deze morgen wanneer hij naar zijn werk gaat
En ik een wandeling aan ga vangen
Buurvrouw gaat het wel goed met u
U ziet er zo merkwaardig uit
3
Dan zeg ik dank u buurman
Dat is precies zoals ik mij voel
Merkwaardig jawel buurman
Maar ook ruimschoots voorzien van het juiste inzicht
Voor zover ik iets van juiste inzichten weet uiteraard
Dan groet ik mijn buurman
En zie nog juist zijn aangezicht dat
Onwillekeurig schijnt het mij toe
Tot een dwaas aandoende grimas vertrekt
In de lange wandeling die ik maakte
Zag ik de keerzijde van de zogenaamde zin van het leven die
Zelfs uiterst oppervlakkig bezien
Niet anders leiden kan
Dan tot de eindeloze groteske maskerade die het geworden is
Die een god zij dank daarvoor eens tot een einde komen zal
4
En ik dansend op de rand van de vulkaan
Van mijn
Ogenschijnlijk
Door mijn buurman veronderstelde
Neerdrukkende gedachten
Wandelde peinzend en dacht
Zeker te menen
Niets is zeker namelijk
Gelukkiger te zijn
Evenwichtiger
Oprechter
Niet anders dan de waarheid dienende
Dan zij
Ooit zullen zijn
(Niet mijn buurman overigens)
(Hij bezit een diepgaand geloof)
Waarvoor ik mij onmiddellijk en diep wist te schamen
1
Het spoor dat ik gemaakt heb
Het spoor naar waar ik niet wilde zijn
(Zo ik destijds dacht)
Heeft mij hier gebracht
Ik
Uiteindelijk aangekomen
Kijk om mij heen
Om te zien
Dat niets lijkt op
Dat wat ik
(Destijds)
Meende te zullen gaan zien
Onwillekeurig keek ik terug
Op de vele obstakels
Die mij immer hinderden onderweg
2
Die ik niet wilde
Gezien zij
Niet anders in de zin hadden
Dan mij te laten stranden
Waar ik niet wilde zijn
Nogmaals kijk ik rond
Ik bevind mij in een kamer die ik ken
Een warme kamer
(Het is een zeer koude nacht in januari)
Het licht is zacht en aangenaam
Plotseling besef ik
Eindelijk
Wat zegeningen zijn
Ik begin ze te tellen
3
Alles onderweg
Tot nu toe
Is overwonnen
Ondergeschikt gemaakt aan mijn wil
De wil
Zonder terughoudendheid de mensen te zien
Zoals ze zijn
Wat ze aanrichten
Er vrede mee hebben
Zonder er vrede mee te hebben
Alsook
Het feit
Zo weinig genoegen in de mensen te vinden
Dat het innerlijk voelen
Van wie ik meen te zijn
4
Het is in feite onbetamelijk
Zich wentelt in welbehagen
Zich niet bekommert nog
Om de weg die de mensen gaan
Alleen haar eigen pad
Nog voor ogen heeft
En desondanks zegt
Voor altijd van de mensen te houden
Een schande mevrouw
Meneer
Ik zeg u
Werkelijk
Een schande
En dat is mijn eigen buurman
(Dat zegt mijn buurman niet)
(Nooit zal hij dat doen)
1
Zelden maak ik nieuwe vijanden nog
Mijn oude vijanden zie ik niet meer
Ik heb ze nooit vergeven
Zelfs toen ik ze al vergeven had
Bleef ik ze niet vergeven
Hun namen zijn ergens in mij verdwaald geraakt
Alsook mijn naam in hun
Hetgeen een zegen is
Nietszeggend als naar mijn mening
Namen zijn
Opdat mijn schaduw mij verder niet volgen kan
Heb ik het zonlicht afgezworen
Zijn de paden die ik volg vol van weinig gerucht
Niemand nog wil ik opmerkzaam maken
In stilte klaag noch jubel ik
2
Extatische uitbarstingen van vreugde
Doen mij huiveren
Diepe neerslachtigheid
Ik wil er niets van weten
Wat binnen mijn bereik ligt
Is ontstellend weinig
Een universum tegelijkertijd
En elk mysterie dat zich sober gedraagt
Verkies ik boven
Elk ander mysterie dat niet dat kenmerk bezit
Bijvoorbeeld dat van de mensen
In het koffiehuis die
3
Nadat een kolderieke persoon
(Hetgeen al door meerdere aanwezigen was opgemerkt)
(En dat had ik dan weer opgemerkt)
Het gezelschap waarin hij verkeerde
En duidelijk de animator was
Verleidde tot schaterend gelach
Een mysterie waar niets tegen uit te richten valt
Dat sober is in geen geval
Heeft weliswaar mijn aandacht
Verder echter niets
Waarnemen
Niet voelen
Zich in schemer bevinden
Slechts weergeven wat waargenomen wordt
Is wat mij drijft
Ten koste van niets
1
Te denken met mijn gevoel
Hetgeen velen mij hebben afgeraden
(Dat laatste overigens is gelogen)
(Zelden namelijk dient iemand mij van advies)
Heeft mij hier gebracht
Waar ik nooit gedacht had te zullen zijn
Dagelijks leef ik mijn leven
Alsof ik het al heb geleefd
Mijn geheugen verwijst
Waarschijnlijk als gevolg daarvan
Naar een verbeelding van iets
Dat al lang gestorven is
Dan wel nooit heeft bestaan
Of mogelijk zal bestaan
2
Genade
Voor mij
Is het besef
Dat het een ware vreugde is
Niet te weten
Of mijn vermeende ik er morgen nog zal zijn
Wat valt er verder nog over te zeggen
Mijn verleden is
Wat mijn toekomst zal zijn
Te weten
Niets anders dan
De grote leegte uit vanwaar
Ik gekomen ben
3
Ik ben niets dan een idee van mijzelf
Zonder te weten wie ik ben
Of dat ik ben
Noch of het waar is wat ik beweer
Anderen moeten mij daar immer op wijzen
Hetgeen zij ook met zeer geringe regelmaat doen
En werkelijk ik dank hen daar warmhartig voor
Dat het zo is
Dat ik besta
Maar dan na die lichte euforie
Niet veel later
Geloof ik een en ander nauwelijks nog
Eerder
Meestentijds
Dat ik droom
1
De dag dat ik mijzelf in vertrouwen nam
Een daad die van grote moed getuigde
Een gewone dag midden januari
Zal ik niet licht vergeten nog
Ik huiverde onmiddellijk
Nadat ik het vertrouwen in mijzelf uitgesproken had
Alsof ik lang naar dit moment had uitgezien
Naar de wensen die ik bezat
De gretigheid waarmee dat gepaard ging
Ofwel ik volg mijn lot in deze
Dacht ik
Dan wel volgt het lot mij
Ik begreep de dwaasheid van mijn bewering
De schande van gelukkig zijn
De vreugde van mijn ongeluk
2
Ik begon mijn wezen te omhangen met
Het fonkelen van mijn nieuwe vertrouweling
Voor wie ik
Even hiervoor nog
Ietwat schrikachtig leek gezien haar gulzigheid
Maar nu
Nu begrijp ik haar
Nu zij een wat bedaard is
Veel beter
Woede en mededogen
Hetgeen ik in haar opgewonden toon meende waar te nemen
Zijn bij haar immer zachtaardig van natuur
Het bladgoud van haar gedachten is het mijne besefte ik
Een nieuwe huivering trok door mij heen
En elke dag verder met haar
Is de meest memorabele van mijn leven
1
Zoals ik de wereld mijn onvermogen
Zonder schaamte
Toon
Blijft mijn
(Ik kan niet anders)
Immer verhulde vervreemding
De enige handschoen die ik pas
Mijn lusteloosheid het droevige fort
Dat naar levenslust leiden moet
Echter
Mijn geweten lacht om alles
(Hetgeen mij pijn doet)
Ik begon te denken dat alle metaforen zinloos zijn
Aangezien metaforen niets betekenen
Noch ergens toe leiden
2
Ik kom vooruit door mijn
Hardnekkig
Stil blijven staan
Bij alle fenomenen die ik niet begrijp
Elk detail in mij
Is een gebrek
Elke mystificatie bezit
Een verborgen waarheid
Die niet bestaat
Mijn zijn is niets
Dan eeuwigheid in wording
Niet weten
Nimmer zullen weten
Is de bron van al mijn gedragingen
3
Ik acht het noodzakelijk
(Zoveel als mogelijk is)
De ogen van mijn bewustzijn te sluiten
Om in alles dat voorafging
Hetgeen ik uiterst zorgvuldig in ogenschouw neem
Te zien
Met een voor mij
Aan zekerheid grenzende zekerheid
Hoewel zekerheden mij onbekend zijn
Dat ik mij bevind
Ergens
Tegen het einde van mijn toekomst
1
Al hetgeen ik nastreef is tot mislukken gedoemd
Uiteindelijk heb ik daar enig geluk in gevonden
Onkwetsbaar geluk
Dat ik uiterst zorgvuldig bewaar in de schrijn
Van mijn immer zwak verlicht bewustzijn
De avond van de dag waarop ik besloot iemand te zijn
De helderste avond van mijn leven
Is ergens in mijn verleden zoekgeraakt
Daar
Toen
Eens
Is iets geboren
Dat ik niet voor ogen had
Iemand die ik niet wilde zijn
2
Mijn toenadering tot de anderen
De mensen
Bleek tot stilstand te zijn gekomen
Mijn gewaarwordingen
Vooral mijn reacties daarop
Dreven mij verder en verder weg
Van die ik wilde zijn
Niemand die mij iets verweet
Niemand die
Zoals zij
Overigens
Onmogelijk weten konden
Twijfel te bezitten leek
3
Aangaande de grote en kleine leugens
Betreffende mijzelf
Die ik onophoudelijk
En onweerstaanbaar
Uit moet blijven strooien
(Hoe kunnen zij ook weten?)
Mijn incoherentie
Niemand die mij daaromtrent
Eens aanspreken wil
Mijn immer krampachtige ongemak
Zij zien het niet
4
Meer aannemelijk echter
Voor mij
Is
Dat zij het niet willen zien
Er is veel herfst in mijn strevingen
Winter is aanstaande
Als gevolg van het verontrustende besef
Waaronder ik overigens uiterst kalm bleef
Niet langer nog instaat te zijn
Mijn weg ten goede te keren
Ontstond
Nadat ik zag wat ik in mijn geest meende te zien
Een ander besef
Dat vrijwel onhoorbaar
Echter ik nam een en ander
Evenzogoed glashelder waar
Beval mijzelf uit te dagen
Ten einde
Verandering teweeg te brengen
In dat wonderbare leven
Hetgeen ik leiden moet
1
Mijn verregaande onwetendheid omtrent
Als regel
In feite alles waarvan ik pretendeer iets te weten
Hetgeen ik nimmer laten kan
Die immer fatale hoogmoed
Heeft mij niets dan angst gebracht
Angst te zullen falen
Vanwege bijvoorbeeld een enkele goed gerichte vraag
(Hij had het zojuist kunnen doen)
(Maar hij stond op en ging)
De bijzondere angst mijzelf pijn te doen
Als gevolg van mijn onmacht anderen pijn te doen
Een onmacht die ik in hoge mate koester
2
De pijn die ik mijzelf toebedeel
Vanwege mijn nimmer zwijgen
(Hetgeen mij even hiervoor nog in grote moeilijkheden had
Kunnen brengen)
Mijn voorstaan op
Iemand te zijn
Die ik niet ken
Noch de kennis bezit waarvan zij gewag maakt
Heeft meestentijds tot gevolg
Dat ik
Weliswaar grimmig
Maar daarentegen immer glanzend
Spontaan om mijzelf schateren kan
3
(Niets weet hij daarvan)
(Hij heeft het koffiehuis verlaten)
(Mijn innerlijk schateren had hij ook niet kunnen zien)
Wanneer mij
Hetgeen mij regelmatig overkomt
Te binnen schiet
Dat het universum
Wat het universum ook moge zijn
Zichzelf net zo goed kent
Als ik mijzelf
Precies als deze avond overigens
Waarop ik tracht
Iets wezenlijks te ontwaren
Zie ik onmiddellijk
4
De vaststelling is ontmoedigend
Dat ik niet de ogen bezit
Die ook maar de geringste mogelijkheid bieden mijzelf te
Beschouwen als degene die ik
Een seconde geleden nog
Dacht te zijn
1
Niet lang nog zal het duren
Eerdat ik alles vergeten zal zijn
Aangezien ik hogerop niet zijn zal
Die ik nu meen te zijn
Ik zal daar eeuwig blijven
Dat weet ik nu wel heel zeker te menen
In de toestand die men
Bij gebrek aan betere omschrijvingen
Als niet zijn betitelt
Het is een misvatting
In mijn ogen
Te veronderstellen
Waarlijk te geloven
(Zoals mijn buurman doet)
Dat er een hemel bestaat
2
Om vervolgens
Na onze vele goede daden
Die ons ten strengste werden aangeraden
Nadat wij daar zijn aangekomen
Een eeuwig leven als echt verdiend te mogen consumeren
Zonder doel
Zonder betekenis
Een verregaande ledigheid
Niet de geringste inspanning wordt nog van ons verlangd
Uitstekend te vergelijken
Zeg ik dan
Met het niet zijn
Waarnaar ik onderweg ben
Ergens naar omhoog
(Waar mijn buurman overigens niets van weten wil)
1
Een toekomst die mij in de war brengen zal
Heeft vooralsnog geen deel van mijn leven uitgemaakt
Hoe kan ik in de war raken van iets dat voor mij ligt
Wanneer ik het gereedschap van de reden toepas
Op elk nieuw ontsprongen heden
Zoals ik altijd heb gedaan
Hoe dan zou de toekomst mij kunnen schaden
Ik ben de houder van de glimlach
Die na elke nieuwe slag in warmte toeneemt
In feite ben ik de glimlach zelf
Die de aangedane pijn
De vernedering die daarbij hoort
Onmogelijk vergelden kan
2
De macht van mijn glimlach
Is niet te bemeten
Ik ben de soldaat
Die in stilte het hardste schreeuwen kan
De heldin van wie men later zo hoog op wist te geven
Zij gaf geen kik
Tot het laatste moment
Zij sloot vermoeid de ogen
Die zij niet nog bezat
En de glimlach
Op wat er van haar aangezicht over was
Wenste samen met haar te sterven
En zo is geschied
Naar men mij heeft verteld
1
Altijd wanneer ik een mens zie in pijn gevat
Brengt mij dat verwarring
Er schuilt een boosaardigheid in
Die ik niet kennen wil
Een genoegen dat mij verontrust
Terwijl ieder willekeurig dier
Op mijn volledig mededogen vertrouwen kan
In andermans wanhoop echter
Zie ik
Mijn triomf
In wat hem overkomen is
En mij niet
Ik geniet terwijl ik huiver
De schaamte tegelijkertijd is overweldigend
2
Mijn lafheid neemt monstrueuze vormen aan
Daaropvolgend
Zonder enig verweer
Word ikzelf de mens in pijn
Mijn wanhoop reikt naar de goden
Zij verkiezen te zwijgen
Wanneer ik vernedering zie
Dat kan overal zijn
Wend ik mij af
Niet groot genoeg ben ik
In te grijpen en recht te doen
(De goden kennen mij)
(Daarom zwijgen zij)
Het pad naar omhoog
3
Kan mij niet vinden
Gelijk ik
De diepe gronden
In mijzelf
Die niet anders dan getuigen willen
Dan vreugde ten aanzien van andermans ongeluk
Die het geheim van de onmiddellijk ontstane schaamte
Weigeren prijs te geven
Mij immer achterlatend
In een land waar ik niet wonen wil
Een gegijzelde
Onrustig slapend tegen de koude rug van mijn geweten
Dat veel te menselijk is
Om mij te kunnen bevrijden
Uit de nachtmerrie waaruit ik maar niet ontwaken kan
1
Het wantrouwen dat ik koester ten aanzien van degene
Die hardnekkig volhoudt mijzelf te zijn
Is van belachelijke en uiterst serieuze aard
In elk beschouwen van mijzelf
Zie ik niets dan eindeloos bedrog ten aanzien van hen die het
Goed met mij voor hebben
Daarbij immer vergetende dat ik niemand kennen wil
Die het goed met mij voorheeft
Zij dwingen mij tot een glimlach die niet van mij is
Een aanraking die van een ander is
Een zogenaamd overeenkomstige gedachte
Die ik niet met ze deel
2
Degene die volhoudt te zeggen mijzelf te zijn
Spoort mij voortdurend aan vertrouwen te hebben in goede
Bedoelingen
Die zij voor mij in het bijzonder voor ogen heeft
Werkelijk zij heeft geen idee waar goede bedoelingen toe
Leiden kunnen
Zij heeft geen idee van de wereld waarin de mensen leven
Wat zij zich voor moeten houden zich getroosten moeten
Om er doorheen te komen door dat fantastische leven van ons
Niets wil zij weten van bedrog
Noch dat ik haar nader zou willen leren kennen
Zij blijft immer kloppen op de afgebladderde haveloze deur
Van mijn ziel
Binnenkomen echter zal zij nooit
Ik wantrouw haar
1
Waarheid spreken is mij altijd slecht afgegaan
Heel mijn leven heb ik slechts de waarheid gesproken die ik
Aankon
Maar nu
Nu mijn jaren beginnen te tellen
Kan ik spreken over zaken
Waarover ik vroeger zelfs niet denken durfde
O ja in mijn leven hebben vreselijke dingen plaatsgegrepen
En omdat zij zich manifesteerden in mijn geest
Zijn zij werkelijk gebeurd
Ook al is daar
Mijn getuigenis staat daar borg voor
In mijn leven van alledag
Zelden sprake van geweest
2
Alles hetgeen mij dienen kon
Bijvoorbeeld het geloof in mijzelf te behouden
Is weggevaagd
Mijn vertrouwen in de oprechtheid van anderen
Werd een bewijs van onvermogen
In mijn beoordeling van
Waar velen de mond vol van hebben
Het zogenaamd goede
Dat als vanzelf in ons mensen zitten zou
Gelogen zeg ik
Het is niet waar
1
Mijn verbijstering inmiddels verworden tot een onwrikbaar
Weten
Laat mij zien dat krankzinnigheid slechts voor individuen is
Weggelegd
Gemeenschappelijke krankzinnigheid daarentegen is
Prijzenswaardig
Aangezien zij de individuele krankzinnigheid mogelijk maakt
Daaruit maak ik op dat de lange schaduwen van mijn
Gedachten
Zich opmaken verzet te plegen
Waarvan ik geen voorstander van ben
Welke zin schuilt er in mijn krankzinnigheid te ontkennen
2
Wanneer ik een vijand ontwaar
Ga ik onmiddellijk op zoek naar een nieuwe vijand
En opnieuw
En opnieuw
Angst is het mechaniek van mijn moraal
Mijn angst betreft zonder uitzondering
Zij die zich verenigen
Ten einde iets na te streven
Dat zinloos is
Buiten elke zinnige proportie
En altijd voorzien van het brandmerk der krankzinnigheid
Die leidt tot nieuwe frisse vlaggen
Nieuwe familiewapens
Niets
1
Mijn meningen bevinden zich
Zonder uitzondering
In het niemandsland
Tussen generale kennis en totale onwetendheid
De onwetendheid
O jawel
De bron van alle kwaad
Aan welke ik mij ongewild laven moet
Om toch maar iets als een mening te bezitten
Anders bezit ik niets
2
Mijn beweringen dan
Geef ik het aroma van kennis mee
In de ijdele gedachte
Dat niemand mij zal doorzien
Wetende tegelijkertijd dat mijn zuiverste ik
Immer haarfijn mijn veile bedoelingen doorziet
En daar ook immer heftig gewag van maakt
Juist als ik slapen wil gaan
1
Gebrekkig als ik onderwezen ben in het verkrijgen van geluk
Ben ik onbreekbaar in het ontvangen van elke tegenslag
Nooit heb ik tijd besteed aan de wensen van mijn verlangens
Aangezien zij mij nimmer de kern van hun begeerte
Openbaarden
Al hetgeen ik nu bezit is meer dan ik ooit heb durven dromen
Des te minder ik krijg des te meer is het mij genoeg
Daarin heb ik een vorm van geluk ontwikkeld
Onmogelijk is geluk voor wie te veel bezit
Mijn geluk echter groeit in wat ik niet bezit
Ik dank de god die mijn verlangens heeft weggenomen
Een leven dat vrij is kan niet te veel bezit verdragen
Dat begrijp ik nu
2
Ik ben in staat te buigen voor koningen en bedelaars
Zonder mijn waardigheid te verliezen
Wanneer ik blootgesteld word aan met wie ik niet wil zijn
Trek ik mij terug in mijzelf
Zonder mij geweld aan te doen
Ik bezit niets
Wil ook niets bezitten
Verlangens zijn voor dwazen
1
De Waarheid
Die overigens dezelfde Waarheid is als de absolute Waarheid
Ligt ver buiten mijn bereik
Nimmer heb ik geweten wat Waarheid wezenlijk is
Een verzinsel wellicht
Een droom die ik mij heb voorgesteld
Bij gebrek aan middelen om mijn waarheden te staven
De Waarheid pretentieus als altijd
Alsook
In mijn ogen
Nodeloos arrogant
Kan het
Onmogelijk laten mij te wijzen op mijn onvolkomenheden
Terwijl ik louter uit onvolkomenheden ben samengesteld
2
De zelfgenoegzaamheid
De minzame toon waarop de waarheid
Mij telkens
En telkens weer
Weer op de hoogte schijnt te moeten stellen
Van mijn aangeboren onvermogen
Heeft de grip op mij volledig verloren
De leugens die de Waarheid
Zonder ophouden over mij verspreidt
Doen mij heden ten dage niet veel meer
Wanneer ik mij buig over mijzelf
Zie ik niets dan goede bedoelingen
3
Zonder uitzondering nagezeten door de Waarheid
Die mij iets geheel anders wil laten zien
En ik
Ik buig niet meer
Hetgeen de Waarheid brengt tot een zekere razernij
Die mij leven doet
Als nooit te voor
In werkelijk groot gevaar heb ik nooit verkeerd
Ik leid slechts aan zwaarmoedigheid
Een staand begrip onder de terneergeslagenen
Ik feite ben ik vergeten wie ik was
Maar ik zal herstellen
Juist voor degene die mij eens kende
Zoals ik was
Die samen met mij verdween
Die op een smal pad naar de horizon in dichte mist
(En regen)
Voor het laatst zijn gezien
Ik besefte dat niets anders mij te doen stond
Dan het oplossen van de zware nevel
Die mijn uitzicht te lang al zo hinderlijk te storen wist
Ten einde iets van mijzelf terug te vinden
1
De ferme grip op mijzelf is verloren gegaan
Al mijn verliezen dienaangaande
Hebben mij in grote nood gebracht
Ik heb meer gesproken dan ik wilde
Ik kon mij niet beheersen
Een zwakte van de eerste orde
Als bekend
Ik sprak wanneer ik zwijgen moest
Ik zweeg wanneer ik spreken moest
Ik heb mij van mijzelf vervreemd
Wakker zijnde in dromen
Die ik nooit heb gedroomd
2
In die ongekende helderheid zag ik
Een vrouw boodschappen doen
In de buurtwinkel hier even verderop
Zij rekende af
Zoals iedereen pleegt te doen
De vrouw ging naar huis
De tas in haar rechterhand
Thuisgekomen opende ik de deur voor haar
Zij plaatste de boodschappen in de kleine hal
Schonk zich een oude jenever in
Zette zich aan tafel
En begon niet te huilen
Het verdwijnen van mensen gaat vooraf
Aan het verdwijnen van dingen
Nee zeggen is een vorm van vernietigen
Zodoende verdwijn ik hoegenaamd liever als eerste
Hetgeen laf te noemen is
Zonder dingen
Waar ik vanuit ga
Kan ik niet bestaan
Dat is wat ik begrijpen kan
Onverdraaglijke eenzaamheid
Zelden heb ik geweten wat ik geloof
Het begrip van mijn begrijpen
Is zelden de innerlijke vorm van mijn weten geweest
Ik ben de dief van mijn eigendommen
Die mij beslist niet toebehoren
1
Vandaag voelde ik mij alsof ik ontwaken ging
Ontwaken uit
Niet een droom
Noch een diepe mijmering
Een ontwaken uit het leven zelf
Zo scheen het mij toe
Het leven van alles waar
De kruidenier met zijn kleine winkel
De gestrafte in zijn cel
De moeder met haar kind in de armen
Waarde aan hecht
Mijn ontwaken deze dag verliep traag
Onwetend van wat het aanrichtte
Maakte het de ochtend lang
Grauw als gewoonlijk
2
De middag een vrijwel onmerkbaar gloren
De avond een langzaam oplichtend visioen
Ik voelde dat ik afscheid nemen ging
Of
Wellicht
Op dat moment
Al afscheid genomen had
Ik staarde uit het raam
Het was nacht
Duister voedzaam
Zacht
Ik zag het bolle licht van de lantaarnpalen
Hoorde het tsjilpen van krekels
En wat ik zag
Zag ik niet
3
Wat ik hoorde
Hoorde ik niet
Ik begreep dat ik was ontwaakt
Maar niet
Hoe dat zo gekomen was
Hoewel ik wel degelijk
Een vermoeden bezigde
Destijds
Toen mijn bewustzijn
Nog geen bewustzijn bezat
1
Mijn toekomst zal zijn wat het nooit worden zal
Wat is zal nimmer zijn wat het is
Vandaag keek ik uit over zee vergetend dat ik uitkeek over zee
Tevens vergat ik te bewegen
Daarmee de indruk wekkend
Bij de serveerster die mij mijn koffie bracht
Dat ik uitkeek over zee
Mooi
Vindt u niet?
Vanuit een nergens waar ik nauwelijks was
Keerde ik terug
Naar de tafel in het restaurant
Naar de vriendelijke hand
Die mij de koffie serveerde
Naar de glimlach op haar gezicht
2
Ik besloot
In een fractie van een seconde
Haar onmogelijk teleur te kunnen stellen
En zei
Mijn stem dwingend tot een menselijke vorm
Het is spectaculair
Werkelijk
De serveerster knikte opgewekt
Waarop zij gewenkt werd
En mijn tafel verliet
Mij
Hetgeen mij zeer aannemelijk toescheen
In goed vertrouwen achterlatend
Terwijl ik nauwelijks begreep nog
Waar ik mij bevond
1
Vandaag
Altijd
Wanneer ik de mensen ontmoet
Komt
Zij
Die ik niet ben
Onweerstaanbaar
In mij geslopen
Ik
Vandaag
Altijd
Weersta haar niet
Hoe kan ik haar weerstaan!
2
In hoe zij mijn lach vervormt
Mijn stem
Mijn manifesteren
Mijn eeuwig betrachten
Heel mijn willende zijn
Haat ik haar diep
Haat ik haar niet
Ik weet dat zij is
Die ik ben
Ik ken haar schichtige oogopslag
Haar stem
Die faalt
Juist wanneer haar stem niet falen mag
3
Wanneer zij de mensen groet
Groeten zij haar vriendelijk terug
Gezien zij niet weten wie zij is
Dat zijn zenuwen
Immer onder hoogspanning staan
Haar aangename intonatie
Een gotspe
Dat weet ik allemaal
Wanneer zij
Na alle begroetingen
Zitten gaat
Aan de tafel waaraan zij altijd zit
Waar zij
Ondanks haar groeiende paniek
Meestentijds de rust hervindt
4
Die haar immer tijdelijk geneest
Hetgeen ik weet
Aangezien ik immer
Gezeten aan diezelfde tafel
Haar koffie drink
1
Meester over mijzelf zijn
Ha
Grimas
Wie wil er nu vrij zijn
Lijden wil ik
Pijn en tranen
Mijzelf eeuwig straffen
Voor de dingen die ik mij heb aangedaan
Gelukkig zijn kan ik slechts met wat ik niet kan zijn
Ik ben ongelukkig met wat ik bezit
Ik ben de meester van mijn ongeluk
De slaaf van mijn wensen
Ik ben de bron van mijn tranen
Het vuurwerk van mijn lijden
2
De zorgen die mij vreugde brengen
Zijn die welke ik niet doven kan
Vooral die buiten mijn bereik liggen
Zijn mijn grootste vreugden
Ik bezit niets dan de wil
Niet te zijn die ik ben
In het licht waarin de mensen mij zien
De mensen die ik liefheb soms
Vanwege hun
Ogenschijnlijk immer
Opgewekte existentie
In het koffiehuis waar ik vrijwel dagelijks zit
En naar ze kijk
3
Vaak zeg ik dan tegen mijzelf
Kijk daar zitten ze
Ze eten
En drinken
Ze lachen en praten
En ik zit daar alleen
Denkend aan hun ongeluk
Dat zij immer verbergen
Het is gezellig zo met elkaar toch…
Peinzend over de tragedies die hen
Ongetwijfeld
Nog treffen zullen
4
Dan denk ik
Mijmerend op zo een middag in het koffiehuis
Wie ik wil zijn
En welzeker ook
Hoe ik iets dergelijks bereiken kan
Toen
Wellicht zeker aannemelijk
Bij de genade van al mijn ongeluk
Ontspanden mijn gelaatstrekken zich
Ik voelde dat ik begon te voelen
Om te beseffen
Wie ik nooit ben geweest
1
De tijd die ik doorbreng met mijzelf
Is het kostbaarste dat ik bezit
Ik verveel mijzelf nooit
Dat heb ik vastgesteld
Mijn eeuwig falen
In lange stiltes beschouwen
Behoort tot mijn grootste genoegens
De reis die ik mijzelf bied
De voorname koude van de polen
De elegante hitte van de woestijnen
Doet mij immer beven van genot
Alleen zijn is het doel van mijn leven
Mijn leven dat geen doel bezit
2
Voor welke gedachte ik een onbekende god
Die in mijzelf woont uiterst dankbaar ben
Trouw ben ik slechts aan mijzelf
Om mijzelf te leren kennen
Verspil ik lachend alle uren van mijn dagen
Angst voor eenzaam zijn ken ik niet
Mijn reisgezellin versaagt nimmer
Altijd is zij aan mijn zijde
Ik ben bij je zegt zij dan
Ik ben je gids naar wijsheid
Naar begrijpen
Verlaat mij niet
1
Mijn immer voortdurende ongemak
Dat
Zonder ook maar de geringste reden denkbaar
Moeiteloos zijn weg vindt
In
En door
Mijn dagelijkse manifestaties
Is mijn natuurlijke vorm van tevredenheid
Mijn enige weg
Naar een zeker geluk
Mijn woorden zijn niet mijn taal
Het is slechts mijn wens dat zij nastreven
Zich om te zetten
In de taal die ik voor ogen heb
Hetgeen onmogelijk is
Wat ik weet
2
Alsook dat zij weten
Wat ik weet
Meer verlang ik niet
Mijn onvolmaakt zijn
Is mijn enige geluk
Mijn onvolmaaktheid is het fundament
Waaruit mijn immer broze tevredenheid
Alsook mijn angst voor het verliezen van mijn ongemak
De enige weg namelijk die ik ken
Naar in het bijzonder in mijn geval een zeker geluk
Op die gedenkwaardige dag destijds
Schitterend geboren werd
Sindsdien koester ik mijn immer voortdurend ongemak
Als het enige doel in mijn leven
Om dat leven te kunnen doorstaan
1
Wanneer ik lijd
Wordt dat lijden veroorzaakt
Als regel
Door een soms pijnlijk onverwacht geluk
Een aanraking
Een opbeurend woord
Van hen die zich
Vanwege mijn door hun vermeende lot
Dat ik liefheb
Bekommeren om mijn welzijn
Dat een ander welzijn is
Dan zij ooit vermoeden kunnen
Mijn welzijn
Dat
Een god zeg ik dank daarvoor
Nimmer floreert door gedachten aan wreedheid
2
Mijn welzijn
Dat door mijn eeuwig veranderend palet
Van grote en kleine leugens
Soms van vermakelijke
Soms van ontluisterende aard
In staat is tot het voeden van mijn ziel
Op de grens van het toelaatbare
Ik ben de immer koelbloedige amazone
Die haar eigen oorlogen voert
Voorzien van wapens
Gesmeed uit haar onuitputtelijk arsenaal
Van veinzen
Haar briljante onvermogen
3
Haar daden zijn gering
Echter zo gaat zij elke nieuwe dag te lijf
En net als ik
Heeft zij haar leugens lief
De leugens die onvermijdelijk zijn
In het geval men wenst te leven
Alsook in geringe mate gelukkig te zijn
In de gedachte
Dat het eens voorgoed voorbij zal zijn
Met al die leugens
Goed of slecht
Vermakelijk of stuitend
En met dat geringe geluk eveneens
Dat de vrede eindelijk getekend wordt
Universele rust
1
Mij minder gelukkig voelen
Niets is minder waar
Ik ben gelukkig in het besef
Dat zij die zeggen gelukkig te zijn
Niet weten waarover zij spreken
Wie wil er gelukkig zijn
Ten koste van een ander
(Hetgeen altijd het geval is)
Niemand zullen zij roepen in koor
Zich tegelijkertijd verslikkend
In hun kreukelige geweten
2
Ik ben gelukkig in het besef
Dat ik weinig goed doe
Dat heel mijn nobele betrachten
Een keerzijde bezit
Die ik uiterst zorgvuldig
En dagelijks
Behoor te beschouwen
Zoals een welmenende god mij aanbeval
Hetgeen ik ook doe
Wanneer mijn buurman zegt
Deze morgen wanneer hij naar zijn werk gaat
En ik een wandeling aan ga vangen
Buurvrouw gaat het wel goed met u
U ziet er zo merkwaardig uit
3
Dan zeg ik dank u buurman
Dat is precies zoals ik mij voel
Merkwaardig jawel buurman
Maar ook ruimschoots voorzien van het juiste inzicht
Voor zover ik iets van juiste inzichten weet uiteraard
Dan groet ik mijn buurman
En zie nog juist zijn aangezicht dat
Onwillekeurig schijnt het mij toe
Tot een dwaas aandoende grimas vertrekt
In de lange wandeling die ik maakte
Zag ik de keerzijde van de zogenaamde zin van het leven die
Zelfs uiterst oppervlakkig bezien
Niet anders leiden kan
Dan tot de eindeloze groteske maskerade die het geworden is
Die een god zij dank daarvoor eens tot een einde komen zal
4
En ik dansend op de rand van de vulkaan
Van mijn
Ogenschijnlijk
Door mijn buurman veronderstelde
Neerdrukkende gedachten
Wandelde peinzend en dacht
Zeker te menen
Niets is zeker namelijk
Gelukkiger te zijn
Evenwichtiger
Oprechter
Niet anders dan de waarheid dienende
Dan zij
Ooit zullen zijn
(Niet mijn buurman overigens)
(Hij bezit een diepgaand geloof)
Waarvoor ik mij onmiddellijk en diep wist te schamen
1
Het spoor dat ik gemaakt heb
Het spoor naar waar ik niet wilde zijn
(Zo ik destijds dacht)
Heeft mij hier gebracht
Ik
Uiteindelijk aangekomen
Kijk om mij heen
Om te zien
Dat niets lijkt op
Dat wat ik
(Destijds)
Meende te zullen gaan zien
Onwillekeurig keek ik terug
Op de vele obstakels
Die mij immer hinderden onderweg
2
Die ik niet wilde
Gezien zij
Niet anders in de zin hadden
Dan mij te laten stranden
Waar ik niet wilde zijn
Nogmaals kijk ik rond
Ik bevind mij in een kamer die ik ken
Een warme kamer
(Het is een zeer koude nacht in januari)
Het licht is zacht en aangenaam
Plotseling besef ik
Eindelijk
Wat zegeningen zijn
Ik begin ze te tellen
3
Alles onderweg
Tot nu toe
Is overwonnen
Ondergeschikt gemaakt aan mijn wil
De wil
Zonder terughoudendheid de mensen te zien
Zoals ze zijn
Wat ze aanrichten
Er vrede mee hebben
Zonder er vrede mee te hebben
Alsook
Het feit
Zo weinig genoegen in de mensen te vinden
Dat het innerlijk voelen
Van wie ik meen te zijn
4
Het is in feite onbetamelijk
Zich wentelt in welbehagen
Zich niet bekommert nog
Om de weg die de mensen gaan
Alleen haar eigen pad
Nog voor ogen heeft
En desondanks zegt
Voor altijd van de mensen te houden
Een schande mevrouw
Meneer
Ik zeg u
Werkelijk
Een schande
En dat is mijn eigen buurman
(Dat zegt mijn buurman niet)
(Nooit zal hij dat doen)
1
Zelden maak ik nieuwe vijanden nog
Mijn oude vijanden zie ik niet meer
Ik heb ze nooit vergeven
Zelfs toen ik ze al vergeven had
Bleef ik ze niet vergeven
Hun namen zijn ergens in mij verdwaald geraakt
Alsook mijn naam in hun
Hetgeen een zegen is
Nietszeggend als naar mijn mening
Namen zijn
Opdat mijn schaduw mij verder niet volgen kan
Heb ik het zonlicht afgezworen
Zijn de paden die ik volg vol van weinig gerucht
Niemand nog wil ik opmerkzaam maken
In stilte klaag noch jubel ik
2
Extatische uitbarstingen van vreugde
Doen mij huiveren
Diepe neerslachtigheid
Ik wil er niets van weten
Wat binnen mijn bereik ligt
Is ontstellend weinig
Een universum tegelijkertijd
En elk mysterie dat zich sober gedraagt
Verkies ik boven
Elk ander mysterie dat niet dat kenmerk bezit
Bijvoorbeeld dat van de mensen
In het koffiehuis die
3
Nadat een kolderieke persoon
(Hetgeen al door meerdere aanwezigen was opgemerkt)
(En dat had ik dan weer opgemerkt)
Het gezelschap waarin hij verkeerde
En duidelijk de animator was
Verleidde tot schaterend gelach
Een mysterie waar niets tegen uit te richten valt
Dat sober is in geen geval
Heeft weliswaar mijn aandacht
Verder echter niets
Waarnemen
Niet voelen
Zich in schemer bevinden
Slechts weergeven wat waargenomen wordt
Is wat mij drijft
Ten koste van niets
1
Te denken met mijn gevoel
Hetgeen velen mij hebben afgeraden
(Dat laatste overigens is gelogen)
(Zelden namelijk dient iemand mij van advies)
Heeft mij hier gebracht
Waar ik nooit gedacht had te zullen zijn
Dagelijks leef ik mijn leven
Alsof ik het al heb geleefd
Mijn geheugen verwijst
Waarschijnlijk als gevolg daarvan
Naar een verbeelding van iets
Dat al lang gestorven is
Dan wel nooit heeft bestaan
Of mogelijk zal bestaan
2
Genade
Voor mij
Is het besef
Dat het een ware vreugde is
Niet te weten
Of mijn vermeende ik er morgen nog zal zijn
Wat valt er verder nog over te zeggen
Mijn verleden is
Wat mijn toekomst zal zijn
Te weten
Niets anders dan
De grote leegte uit vanwaar
Ik gekomen ben
3
Ik ben niets dan een idee van mijzelf
Zonder te weten wie ik ben
Of dat ik ben
Noch of het waar is wat ik beweer
Anderen moeten mij daar immer op wijzen
Hetgeen zij ook met zeer geringe regelmaat doen
En werkelijk ik dank hen daar warmhartig voor
Dat het zo is
Dat ik besta
Maar dan na die lichte euforie
Niet veel later
Geloof ik een en ander nauwelijks nog
Eerder
Meestentijds
Dat ik droom
1
De dag dat ik mijzelf in vertrouwen nam
Een daad die van grote moed getuigde
Een gewone dag midden januari
Zal ik niet licht vergeten nog
Ik huiverde onmiddellijk
Nadat ik het vertrouwen in mijzelf uitgesproken had
Alsof ik lang naar dit moment had uitgezien
Naar de wensen die ik bezat
De gretigheid waarmee dat gepaard ging
Ofwel ik volg mijn lot in deze
Dacht ik
Dan wel volgt het lot mij
Ik begreep de dwaasheid van mijn bewering
De schande van gelukkig zijn
De vreugde van mijn ongeluk
2
Ik begon mijn wezen te omhangen met
Het fonkelen van mijn nieuwe vertrouweling
Voor wie ik
Even hiervoor nog
Ietwat schrikachtig leek gezien haar gulzigheid
Maar nu
Nu begrijp ik haar
Nu zij een wat bedaard is
Veel beter
Woede en mededogen
Hetgeen ik in haar opgewonden toon meende waar te nemen
Zijn bij haar immer zachtaardig van natuur
Het bladgoud van haar gedachten is het mijne besefte ik
Een nieuwe huivering trok door mij heen
En elke dag verder met haar
Is de meest memorabele van mijn leven
1
Zoals ik de wereld mijn onvermogen
Zonder schaamte
Toon
Blijft mijn
(Ik kan niet anders)
Immer verhulde vervreemding
De enige handschoen die ik pas
Mijn lusteloosheid het droevige fort
Dat naar levenslust leiden moet
Echter
Mijn geweten lacht om alles
(Hetgeen mij pijn doet)
Ik begon te denken dat alle metaforen zinloos zijn
Aangezien metaforen niets betekenen
Noch ergens toe leiden
2
Ik kom vooruit door mijn
Hardnekkig
Stil blijven staan
Bij alle fenomenen die ik niet begrijp
Elk detail in mij
Is een gebrek
Elke mystificatie bezit
Een verborgen waarheid
Die niet bestaat
Mijn zijn is niets
Dan eeuwigheid in wording
Niet weten
Nimmer zullen weten
Is de bron van al mijn gedragingen
3
Ik acht het noodzakelijk
(Zoveel als mogelijk is)
De ogen van mijn bewustzijn te sluiten
Om in alles dat voorafging
Hetgeen ik uiterst zorgvuldig in ogenschouw neem
Te zien
Met een voor mij
Aan zekerheid grenzende zekerheid
Hoewel zekerheden mij onbekend zijn
Dat ik mij bevind
Ergens
Tegen het einde van mijn toekomst
1
Al hetgeen ik nastreef is tot mislukken gedoemd
Uiteindelijk heb ik daar enig geluk in gevonden
Onkwetsbaar geluk
Dat ik uiterst zorgvuldig bewaar in de schrijn
Van mijn immer zwak verlicht bewustzijn
De avond van de dag waarop ik besloot iemand te zijn
De helderste avond van mijn leven
Is ergens in mijn verleden zoekgeraakt
Daar
Toen
Eens
Is iets geboren
Dat ik niet voor ogen had
Iemand die ik niet wilde zijn
2
Mijn toenadering tot de anderen
De mensen
Bleek tot stilstand te zijn gekomen
Mijn gewaarwordingen
Vooral mijn reacties daarop
Dreven mij verder en verder weg
Van die ik wilde zijn
Niemand die mij iets verweet
Niemand die
Zoals zij
Overigens
Onmogelijk weten konden
Twijfel te bezitten leek
3
Aangaande de grote en kleine leugens
Betreffende mijzelf
Die ik onophoudelijk
En onweerstaanbaar
Uit moet blijven strooien
(Hoe kunnen zij ook weten?)
Mijn incoherentie
Niemand die mij daaromtrent
Eens aanspreken wil
Mijn immer krampachtige ongemak
Zij zien het niet
4
Meer aannemelijk echter
Voor mij
Is
Dat zij het niet willen zien
Er is veel herfst in mijn strevingen
Winter is aanstaande
Als gevolg van het verontrustende besef
Waaronder ik overigens uiterst kalm bleef
Niet langer nog instaat te zijn
Mijn weg ten goede te keren
Ontstond
Nadat ik zag wat ik in mijn geest meende te zien
Een ander besef
Dat vrijwel onhoorbaar
Echter ik nam een en ander
Evenzogoed glashelder waar
Beval mijzelf uit te dagen
Ten einde
Verandering teweeg te brengen
In dat wonderbare leven
Hetgeen ik leiden moet
1
Mijn verregaande onwetendheid omtrent
Als regel
In feite alles waarvan ik pretendeer iets te weten
Hetgeen ik nimmer laten kan
Die immer fatale hoogmoed
Heeft mij niets dan angst gebracht
Angst te zullen falen
Vanwege bijvoorbeeld een enkele goed gerichte vraag
(Hij had het zojuist kunnen doen)
(Maar hij stond op en ging)
De bijzondere angst mijzelf pijn te doen
Als gevolg van mijn onmacht anderen pijn te doen
Een onmacht die ik in hoge mate koester
2
De pijn die ik mijzelf toebedeel
Vanwege mijn nimmer zwijgen
(Hetgeen mij even hiervoor nog in grote moeilijkheden had
Kunnen brengen)
Mijn voorstaan op
Iemand te zijn
Die ik niet ken
Noch de kennis bezit waarvan zij gewag maakt
Heeft meestentijds tot gevolg
Dat ik
Weliswaar grimmig
Maar daarentegen immer glanzend
Spontaan om mijzelf schateren kan
3
(Niets weet hij daarvan)
(Hij heeft het koffiehuis verlaten)
(Mijn innerlijk schateren had hij ook niet kunnen zien)
Wanneer mij
Hetgeen mij regelmatig overkomt
Te binnen schiet
Dat het universum
Wat het universum ook moge zijn
Zichzelf net zo goed kent
Als ik mijzelf
Precies als deze avond overigens
Waarop ik tracht
Iets wezenlijks te ontwaren
Zie ik onmiddellijk
4
De vaststelling is ontmoedigend
Dat ik niet de ogen bezit
Die ook maar de geringste mogelijkheid bieden mijzelf te
Beschouwen als degene die ik
Een seconde geleden nog
Dacht te zijn
1
Niet lang nog zal het duren
Eerdat ik alles vergeten zal zijn
Aangezien ik hogerop niet zijn zal
Die ik nu meen te zijn
Ik zal daar eeuwig blijven
Dat weet ik nu wel heel zeker te menen
In de toestand die men
Bij gebrek aan betere omschrijvingen
Als niet zijn betitelt
Het is een misvatting
In mijn ogen
Te veronderstellen
Waarlijk te geloven
(Zoals mijn buurman doet)
Dat er een hemel bestaat
2
Om vervolgens
Na onze vele goede daden
Die ons ten strengste werden aangeraden
Nadat wij daar zijn aangekomen
Een eeuwig leven als echt verdiend te mogen consumeren
Zonder doel
Zonder betekenis
Een verregaande ledigheid
Niet de geringste inspanning wordt nog van ons verlangd
Uitstekend te vergelijken
Zeg ik dan
Met het niet zijn
Waarnaar ik onderweg ben
Ergens naar omhoog
(Waar mijn buurman overigens niets van weten wil)
1
Een toekomst die mij in de war brengen zal
Heeft vooralsnog geen deel van mijn leven uitgemaakt
Hoe kan ik in de war raken van iets dat voor mij ligt
Wanneer ik het gereedschap van de reden toepas
Op elk nieuw ontsprongen heden
Zoals ik altijd heb gedaan
Hoe dan zou de toekomst mij kunnen schaden
Ik ben de houder van de glimlach
Die na elke nieuwe slag in warmte toeneemt
In feite ben ik de glimlach zelf
Die de aangedane pijn
De vernedering die daarbij hoort
Onmogelijk vergelden kan
2
De macht van mijn glimlach
Is niet te bemeten
Ik ben de soldaat
Die in stilte het hardste schreeuwen kan
De heldin van wie men later zo hoog op wist te geven
Zij gaf geen kik
Tot het laatste moment
Zij sloot vermoeid de ogen
Die zij niet nog bezat
En de glimlach
Op wat er van haar aangezicht over was
Wenste samen met haar te sterven
En zo is geschied
Naar men mij heeft verteld
1
Altijd wanneer ik een mens zie in pijn gevat
Brengt mij dat verwarring
Er schuilt een boosaardigheid in
Die ik niet kennen wil
Een genoegen dat mij verontrust
Terwijl ieder willekeurig dier
Op mijn volledig mededogen vertrouwen kan
In andermans wanhoop echter
Zie ik
Mijn triomf
In wat hem overkomen is
En mij niet
Ik geniet terwijl ik huiver
De schaamte tegelijkertijd is overweldigend
2
Mijn lafheid neemt monstrueuze vormen aan
Daaropvolgend
Zonder enig verweer
Word ikzelf de mens in pijn
Mijn wanhoop reikt naar de goden
Zij verkiezen te zwijgen
Wanneer ik vernedering zie
Dat kan overal zijn
Wend ik mij af
Niet groot genoeg ben ik
In te grijpen en recht te doen
(De goden kennen mij)
(Daarom zwijgen zij)
Het pad naar omhoog
3
Kan mij niet vinden
Gelijk ik
De diepe gronden
In mijzelf
Die niet anders dan getuigen willen
Dan vreugde ten aanzien van andermans ongeluk
Die het geheim van de onmiddellijk ontstane schaamte
Weigeren prijs te geven
Mij immer achterlatend
In een land waar ik niet wonen wil
Een gegijzelde
Onrustig slapend tegen de koude rug van mijn geweten
Dat veel te menselijk is
Om mij te kunnen bevrijden
Uit de nachtmerrie waaruit ik maar niet ontwaken kan
1
Het wantrouwen dat ik koester ten aanzien van degene
Die hardnekkig volhoudt mijzelf te zijn
Is van belachelijke en uiterst serieuze aard
In elk beschouwen van mijzelf
Zie ik niets dan eindeloos bedrog ten aanzien van hen die het
Goed met mij voor hebben
Daarbij immer vergetende dat ik niemand kennen wil
Die het goed met mij voorheeft
Zij dwingen mij tot een glimlach die niet van mij is
Een aanraking die van een ander is
Een zogenaamd overeenkomstige gedachte
Die ik niet met ze deel
2
Degene die volhoudt te zeggen mijzelf te zijn
Spoort mij voortdurend aan vertrouwen te hebben in goede
Bedoelingen
Die zij voor mij in het bijzonder voor ogen heeft
Werkelijk zij heeft geen idee waar goede bedoelingen toe
Leiden kunnen
Zij heeft geen idee van de wereld waarin de mensen leven
Wat zij zich voor moeten houden zich getroosten moeten
Om er doorheen te komen door dat fantastische leven van ons
Niets wil zij weten van bedrog
Noch dat ik haar nader zou willen leren kennen
Zij blijft immer kloppen op de afgebladderde haveloze deur
Van mijn ziel
Binnenkomen echter zal zij nooit
Ik wantrouw haar
1
Waarheid spreken is mij altijd slecht afgegaan
Heel mijn leven heb ik slechts de waarheid gesproken die ik
Aankon
Maar nu
Nu mijn jaren beginnen te tellen
Kan ik spreken over zaken
Waarover ik vroeger zelfs niet denken durfde
O ja in mijn leven hebben vreselijke dingen plaatsgegrepen
En omdat zij zich manifesteerden in mijn geest
Zijn zij werkelijk gebeurd
Ook al is daar
Mijn getuigenis staat daar borg voor
In mijn leven van alledag
Zelden sprake van geweest
2
Alles hetgeen mij dienen kon
Bijvoorbeeld het geloof in mijzelf te behouden
Is weggevaagd
Mijn vertrouwen in de oprechtheid van anderen
Werd een bewijs van onvermogen
In mijn beoordeling van
Waar velen de mond vol van hebben
Het zogenaamd goede
Dat als vanzelf in ons mensen zitten zou
Gelogen zeg ik
Het is niet waar
1
Mijn verbijstering inmiddels verworden tot een onwrikbaar
Weten
Laat mij zien dat krankzinnigheid slechts voor individuen is
Weggelegd
Gemeenschappelijke krankzinnigheid daarentegen is
Prijzenswaardig
Aangezien zij de individuele krankzinnigheid mogelijk maakt
Daaruit maak ik op dat de lange schaduwen van mijn
Gedachten
Zich opmaken verzet te plegen
Waarvan ik geen voorstander van ben
Welke zin schuilt er in mijn krankzinnigheid te ontkennen
2
Wanneer ik een vijand ontwaar
Ga ik onmiddellijk op zoek naar een nieuwe vijand
En opnieuw
En opnieuw
Angst is het mechaniek van mijn moraal
Mijn angst betreft zonder uitzondering
Zij die zich verenigen
Ten einde iets na te streven
Dat zinloos is
Buiten elke zinnige proportie
En altijd voorzien van het brandmerk der krankzinnigheid
Die leidt tot nieuwe frisse vlaggen
Nieuwe familiewapens
Niets
1
Mijn meningen bevinden zich
Zonder uitzondering
In het niemandsland
Tussen generale kennis en totale onwetendheid
De onwetendheid
O jawel
De bron van alle kwaad
Aan welke ik mij ongewild laven moet
Om toch maar iets als een mening te bezitten
Anders bezit ik niets
2
Mijn beweringen dan
Geef ik het aroma van kennis mee
In de ijdele gedachte
Dat niemand mij zal doorzien
Wetende tegelijkertijd dat mijn zuiverste ik
Immer haarfijn mijn veile bedoelingen doorziet
En daar ook immer heftig gewag van maakt
Juist als ik slapen wil gaan
1
Gebrekkig als ik onderwezen ben in het verkrijgen van geluk
Ben ik onbreekbaar in het ontvangen van elke tegenslag
Nooit heb ik tijd besteed aan de wensen van mijn verlangens
Aangezien zij mij nimmer de kern van hun begeerte
Openbaarden
Al hetgeen ik nu bezit is meer dan ik ooit heb durven dromen
Des te minder ik krijg des te meer is het mij genoeg
Daarin heb ik een vorm van geluk ontwikkeld
Onmogelijk is geluk voor wie te veel bezit
Mijn geluk echter groeit in wat ik niet bezit
Ik dank de god die mijn verlangens heeft weggenomen
Een leven dat vrij is kan niet te veel bezit verdragen
Dat begrijp ik nu
2
Ik ben in staat te buigen voor koningen en bedelaars
Zonder mijn waardigheid te verliezen
Wanneer ik blootgesteld word aan met wie ik niet wil zijn
Trek ik mij terug in mijzelf
Zonder mij geweld aan te doen
Ik bezit niets
Wil ook niets bezitten
Verlangens zijn voor dwazen
1
De Waarheid
Die overigens dezelfde Waarheid is als de absolute Waarheid
Ligt ver buiten mijn bereik
Nimmer heb ik geweten wat Waarheid wezenlijk is
Een verzinsel wellicht
Een droom die ik mij heb voorgesteld
Bij gebrek aan middelen om mijn waarheden te staven
De Waarheid pretentieus als altijd
Alsook
In mijn ogen
Nodeloos arrogant
Kan het
Onmogelijk laten mij te wijzen op mijn onvolkomenheden
Terwijl ik louter uit onvolkomenheden ben samengesteld
2
De zelfgenoegzaamheid
De minzame toon waarop de waarheid
Mij telkens
En telkens weer
Weer op de hoogte schijnt te moeten stellen
Van mijn aangeboren onvermogen
Heeft de grip op mij volledig verloren
De leugens die de Waarheid
Zonder ophouden over mij verspreidt
Doen mij heden ten dage niet veel meer
Wanneer ik mij buig over mijzelf
Zie ik niets dan goede bedoelingen
3
Zonder uitzondering nagezeten door de Waarheid
Die mij iets geheel anders wil laten zien
En ik
Ik buig niet meer
Hetgeen de Waarheid brengt tot een zekere razernij
Die mij leven doet
Als nooit te voor
In werkelijk groot gevaar heb ik nooit verkeerd
Ik leid slechts aan zwaarmoedigheid
Een staand begrip onder de terneergeslagenen
Ik feite ben ik vergeten wie ik was
Maar ik zal herstellen
Juist voor degene die mij eens kende
Zoals ik was
Die samen met mij verdween
Die op een smal pad naar de horizon in dichte mist
(En regen)
Voor het laatst zijn gezien
Ik besefte dat niets anders mij te doen stond
Dan het oplossen van de zware nevel
Die mijn uitzicht te lang al zo hinderlijk te storen wist
Ten einde iets van mijzelf terug te vinden
1
De ferme grip op mijzelf is verloren gegaan
Al mijn verliezen dienaangaande
Hebben mij in grote nood gebracht
Ik heb meer gesproken dan ik wilde
Ik kon mij niet beheersen
Een zwakte van de eerste orde
Als bekend
Ik sprak wanneer ik zwijgen moest
Ik zweeg wanneer ik spreken moest
Ik heb mij van mijzelf vervreemd
Wakker zijnde in dromen
Die ik nooit heb gedroomd
2
In die ongekende helderheid zag ik
Een vrouw boodschappen doen
In de buurtwinkel hier even verderop
Zij rekende af
Zoals iedereen pleegt te doen
De vrouw ging naar huis
De tas in haar rechterhand
Thuisgekomen opende ik de deur voor haar
Zij plaatste de boodschappen in de kleine hal
Schonk zich een oude jenever in
Zette zich aan tafel
En begon niet te huilen
Het verdwijnen van mensen gaat vooraf
Aan het verdwijnen van dingen
Nee zeggen is een vorm van vernietigen
Zodoende verdwijn ik hoegenaamd liever als eerste
Hetgeen laf te noemen is
Zonder dingen
Waar ik vanuit ga
Kan ik niet bestaan
Dat is wat ik begrijpen kan
Onverdraaglijke eenzaamheid
Zelden heb ik geweten wat ik geloof
Het begrip van mijn begrijpen
Is zelden de innerlijke vorm van mijn weten geweest
Ik ben de dief van mijn eigendommen
Die mij beslist niet toebehoren
