Bio Mila Fertek

 

 

 

 Interview met Mila Fertek ter gelegenheid van haar nieuwe bundel Antipode.

door Maya Lensink

 

Lensink: "Mila, dit is wel een unicum dat ik jou te spreken krijg. Ik heb hier voor me, om maar meteen met de deur in huis te vallen, de bundel die destijds insloeg als een bom "Het fijne leven dat mij wacht."

Mila Fertek lachend: "Dat je daar nog een exemplaar van hebt.."

Lensink: "Ja, ik had er gelukkig nog een in mijn bezit. Het is gedrukt, even kijken, 2006. Er is dus een kleine twintig jaar verstreken. Je was zeventien toen je het schreef en achttien toen het werd uitgegeven. En nu dan deze nieuwe bundel: Antipode ;  heimwee naar wie ik nooit ben geweest."

Fertek: "Nou er zitten nog een paar bundels tussen, he. Latere overtuigingen en inzichten en Licht"

Lensink: "Ja, dat klopt. De titels klinken al als aanloopjes naar deze nieuwe bundel, want als ik de titels naast elkaar leg, valt mij een vermakelijke lijn op, die tevens wat ontnuchterend aan doet. Er zit er iets in van.. de dingen zijn niet gegaan zoals ik dacht. Ik ben niet geworden wie ik dacht te worden.. Klopt dat?"

Fertek: "De dingen gaan altijd anders dan je denkt, anders zou het leven geen verrassing meer zijn. En dat begreep ik toen ook al. De motto's die ik indertijd koos, zeggen dat eigenlijk ook."

Lensink: "Ja, je hebt toen een uitspraak van Emmanuel Kant opgenomen. Dat is al heel opmerkelijk voor een meisje van zeventien. "Er kan geen twijfel over bestaan, dat alle kennis begint met ervaring." En die had je niet, ervaring."

Fertek: "Nee, de ervaringen in mijn tienertijd hadden nog veel met de buitenkant te maken. Je denkt dat je jezelf ontdekt en de wereld, maar het is heel beperkt. Het gaat over hoe je je verhoudt tot anderen. Je hanteert de bekende maatstaven zoals intelligentie, afkomst, beauty, vaardigheden enzovoort. En je leert over hoe karakters er uit kunnen zien. Daardoor wist ik wel dat ik goed bedeeld was door het leven. En ik waande me in de zekerheid dat het me zou helpen om door het leven te komen."

Lensink: "En dat heeft het niet gedaan? Het feit dat je een mooie, intelligente, zeg maar begeerlijke vrouw bent, heeft je niet geholpen?

Fertek: "Dat heeft het zeker, in die zin, dat het me de gelegenheid gaf, om verder te graven. Ik had genoeg ruimte en middelen om me de luxe te permitteren, überhaupt te kunnen stilstaan bij bepaalde levensvragen. Maar ik geloof niet dat het leven zoveel eenvoudiger werd. Het was voortdurend opletten geblazen. Je krijgt met je zogenaamde schoonheid en intelligentie tools in handen, die best wel gevaarlijk kunnen zijn. De drama's die er door gegeneerd kunnen worden, zijn misschien van een andere samenstelling dan die van een doorsnee mens, maar niet minder heftig. Integendeel. Alles moet je voortdurend met wijsheid zien te balanceren.

Lensink: "Maar het lijkt me toch dat je minder moet sappelen, dat bewondering bijvoorbeeld een stukje rust en blijheid met zich meebrengt of vergis ik me?"

Fertek: "Ook dat is betrekkelijk. Wie de liefde en dan bedoel ik liefde in algemene zin, makkelijk kan opwekken, mist de diepe zekerheid, dat hij echt wordt liefgehad voor de juiste redenen. Zodra liefde vermengd wordt met bewondering en begeerte, krijgt die liefde ook iets betrekkelijks. En in hoeverre heb jij eigenlijk iets te maken met die liefde van die ander. Uiteindelijk gaat het om wat die ander er aan heeft, in het jou bewonderen. Je gevoel lief te hebben is je uiteindelijke beloning. Dus ik moet zeggen, dat ik mijn schouders een beetje ophaalde over al dat zogenaamde bevoorrecht zijn. "

Lensink: "Ja, je kan moeilijk jezelf er voor op de borst slaan. Alles wat je hebt, heb je gekregen. Zoiets?"

Fertek: "Nu ja, wat ik wel geleerd heb, is dat het er om gaat wat je er mee doet. Dat je steeds kijkt wat wijsheid is. Dat je je eigen karakter staalt. Dat je die discipline zelf hebt en niet door de omstandigheden van het leven als het ware gelouterd hoeft te worden."

Lensink: "Zo klinkt het of de zeven vinkjes, gezond, intelligent, mooi etcetera eerder een verzwaring zijn dan een privilege."

Fertek: "Het is een privilege want boven op de berg, zie je pas het uitzicht. Als je alles hebt, wat je hartje begeert, dan pas kun je tot de conclusie komen dat je niets hebt."

Lensink: "Wacht even, als je alles hebt, zie je dat je niets hebt..?"

Fertek: "Zolang je bezig bent met verlangens inwilligen, verlangens op allerlei gebied, is je aandacht daar op gefocust. Je merkt dus niet dat je diepste ware verlangen iets immaterieels is. Wat je werkelijk wilt, is je daadwerkelijk en totaal aangesloten voelen op het netwerk dat universum heet, met al zijn mysterieuze lagen, terwijl je toch een autonoom vrij mens blijft. Maar wie daar te bezig voor is, voelt de noodzaak niet, die behoefte te voelen. Je bent bezig met een dak boven je hoofd en ja, na een tijdje, moet daar wel een autootje bij. Dan een zwembad in de tuin. Verlangens komen altijd steeds groter terug. Dat gaat ver hoor. Een tweede zwembad, een derde villa. Er zit wat dat betreft geen eindpunt aan. Geen punt van permanente bevrediging. Dat punt bestaat niet, tenzij je het zelf een halt toeroept. Dat is het principe waarop onze hele economie is gebaseerd."

Lensink: "Dat klinkt diep, netwerk van het universum, maar ook een beetje vaag. Je bedoelt tussen aanhalingstekens de Bovennatuurlijke Intelligentie, die de existentie van ons universum mogelijk heeft gemaakt?

Fertek: "Als counteract van AI bedoel je, ha ha! Hoe ik het moet noemen, weet ik niet. Helaas is het woord God in ons collectieve onderbewustzijn behoorlijk gehavend, door alle religies en figuren, die de waarheid claimen. Daar is iedereen terecht heel huiverig voor. Maar het kan toch niet zo zijn, dat ze het concept God gekaapt hebben en de mens dus nergens met meer met zijn vragen naar toe kan.

Lensink: "De bundel Antipode schuurt langs die vragen."

Fertek: "Als je bedoelt dat de hoofdfiguur haar eigen bestaan en handelen tegen een  existentiële  lamp zet, wel. Het woord antipode betekent hier "tegenvoeter". De hoofdfiguur als kroongetuige van haar eigen leven, wordt letterlijk door een antagonistisch deel overgenomen. De hoofdpersoon krijgt daardoor de afstand om dingen van zichzelf te zien als ook haar interactie met anderen en dan komen de vragen. Zij wordt als het ware, door die vreemde, die tegelijkertijd niets meer of minder dan zijzelf is, haar eigen antipode en wordt daarmee tot uiterste objectiviteit gedreven.
Lensink: "Ja, dat is zo fascinerend aan deze bundel. Het is alsof een soort afstandelijk geweten zichzelf aan het beschouwen is, niet langer vervlochten was met de existentiële ideeën die zo een geweten gewoonlijk heeft. En paradoxaal genoeg maakt dat hetgeen ze denkt, zo herkenbaar. Wij mensen vragen in ons onbewuste voortdurend dezelfde dingen af.

 

Ze heeft het ook trouwens vaak over ontwaken. Dat maakt het heel spannend. Ik citeer:

 

 

Ik voelde mij alsof ik op het punt stond te ontwaken.

Er was nog slechts weinig dat mij daarvan weerhield

Ook dat voelde ik

 

Echter hoe de grens over te gaan van duisternis naar licht

Bleef nog even naar ik zeker wist te menen

Onbekend

 

Fertek: "Dat gaat natuurlijk over een soort verlichting, die ze elk moment verwacht. Wie zich bewust is, dat hij nog in het duister tast, heeft als ware al het inzicht ontwikkeld dat er meer moet zijn. En zij beseft dat alles om haar heen de volle werkelijkheid niet is. Doordat ze zo vervreemd is van haar eigen ego, haar eigen ik, treedt ze uit haar eigen manier waarop ze gewoonlijk het leven beziet. En opeens weet ze niet meer, wie of wat dan wel degene is, die haar doet handelen. Dat zie je aan hoe het gedicht verder gaat."

 

Ik stond op om de gordijnen te openen

Wat ik zag was niet zichtbaar

Noch besefte ik dat ik was opgestaan

Teneinde de gordijnen te openen

 

Lensink:  "En van uit die staat van zijn, begint ze zichzelf te beschouwen. Valt haar innerlijk wel helemaal samen met die glimlach als ze spreekt. Bestaat het vertrouwen in anderen dat ze lijkt te hebben als ze in gezelschap is, wel?"

Fertek:  "Ja precies! Ze ontleedt zichzelf op volkomen neutrale wijze. En ontdekt dan dat veel met coping te maken heeft. Er zit in diepste wezen een heel ander mens aan het stuur dan zijzelf!

Lensink: "Dat is heel herkenbaar. Dat hebben we dus allemaal!"

Fertek: "Ja, we zijn ontzettend geconditioneerde apen. Dusdanig getraind in omgangsvormen en gewetenskwesties dat we geen contact meer hebben met onze ware gevoelens. Tegelijkertijd is er ook die andere kant van ons die wil handelen, die wil kunnen zeggen, kijk, dat heb ik gedaan. Die zich voortdurend met anderen vergelijkt. Daar kijkt de hoofdpersoon ook genadeloos naar:

 

NIEMAND WILLEN ZIJN

 

Al hetgeen ik nastreef is tot mislukken gedoemd

Uiteindelijk heb ik daar enig geluk in gevonden

Onkwetsbaar geluk

Dat ik uiterst zorgvuldig bewaar in de schrijn

Van mijn immer zwak verlicht bewustzijn

 

De avond van de dag waarop ik besloot iemand te zijn

De donkerste avond van mijn leven

Is ergens in mijn verleden zoekgeraakt

 

Toen

Eens

Daar

Is iets geboren

Dat ik niet voor ogen had

Iemand die ik niet wilde zijn

 

 

 

 

Lensink: "Ja mooiHoewel er niet veel mensen zullen zijn die dit letterlijk zullen denken, heeft iedereen daar mee te maken, denk ik zo en zullen ze dit gevoel herkennen. Dat knagende gevoel dat je nooit zelf helemaal de touwtjes in handen hebt. Je wilt jezelf wel manifesteren, maar je neemt een enorm risico. Want er zijn veel factoren die je helemaal niet in de hand hebt. En intelligente mensen zeggen dan, beter niemand willen zijn."

Fertek: "Nu ja, als we dat allemaal zouden doen, zou alles in elkaar storten. Niemand zou het land nog willen besturen of dokter willen worden. We hebben allemaal die drive nodig. Het gaat er om dat je je nietigheid bewust bent en toch in het minuscule wat je doet, actief kunt zijn. En welke vernedering schuilt er eigenlijk in het mislukken? Wie mislukt er en wie voelt zich vernederd als je zoals de hoofdpersoon buiten jezelf kan staan. Niemand. Het is een theater."

Lensink:  "Shakespeare! ha ha. We gaan hier niet alle gedichten verklappen, maar het zijn stuk voor stuk juweeltjes. Ja, kijk niet zo. Mila, ik begrijp werkelijk niet hoe iemand zulke diep menselijke bestaanskwesties, op zo een schijnbaar eenvoudige manier, zo raak kan beschrijven. In bijna eenlettergrepige woorden welhaast:

 

Mijn zijn is niets

Dan eeuwigheid in wording

 

 

Fertek: "Dank je wel, maar om in het thema van de bundel te blijven, de woorden werden buiten mij om geschreven."

Lensink: "Met ietwat hulp van twintig jaar ervaring en meesterschap."

Mila kijkt om zich heen of ze iets zoekt. Het wordt tijd dit interview af te ronden en  op iets sterkers dan thee over te gaan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Odile Schmidt leest Mila Fertek

 

Reflecties op de nieuwe bundel van Mila Fertek

Antipode : Heimwee Naar Wie Ik Nooit Was 

 

Antipode lezen verwart mij terwijl het glashelder is geschreven en Mila Fertek zichzelf nietsontziend fileert. Dit komt door haar opmerkelijke uitspraken over zichzelf, over haar vijanden, waarvan ze de naam vergeten is, over een gesprek met een serveerster. Alle gedichten ademen eenzelfde sfeer uit, ik zit op het puntje van mijn stoel, maar kan er net niet bij. Het brengt mij op gedachten hoe dat bij mij zit. Neem ik mijn gedachten serieuzer dan Mila? Is dat terecht? Hoe zit het tussen mijn vrienden en ik? Het motto van de bundel licht een tipje van de sluier op. Overigens de bundel lijkt te gaan over de sluier tussen de uiterlijke ik en de innerlijke ik. Dat kan confronterend zijn, toch de taal is dat niet. De taal van Mila is zorgvuldig, afgewogen, harmonieus, helder, evenwichtig zoals uitgewerkte gedachten zijn. De inhoud verontrust me soms. Dan weer stelt het mij gerust. Ze verleidt mij zonder dat ze dat doet, door haar ongrijpbaarheid vooral. Ze is openhartig en toch verdwenen. Het is ook een spel van afstanden; tegelijkertijd dichtbij en veraf. Vaak denk ik, wacht, wat betekent dit? Ik zoek houvast in de titel, herlees het gedicht en ben betoverd door wat er staat, verbaasd ook en verblind. Na wat tellen denk ik te begrijpen. Denk na hoe het bij mij is in deze laag van bewustzijn. Het raakt aan het woordeloze gevoel, dat nog geen vorm aangenomen heeft. Na het lezen kijk ik anders naar mezelf en de ander. Door de bril van Mila Fertek op te zetten, is er een vorm van hypocrisie aan duigen gevallen. Dat ruimt op.

Antipode, de tegenvoeter, vindt Mila in zichzelf. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mila Fertek 

 

Publicaties:

Het Fijne Leven Dat Mij Wacht, uitgave bij de Contrabas, 2007

Latere Overtuigingen & Inzichten, Uitgeefhuis de Manke God, 2017

 Licht Uitgeefhuis de Manke God, 2020

 Antipode: Heimwee Naar Wie Ik Nooit Ben Geweest

 

 

 HIER BINNENKORT: HET LANGVERWACHTE INTERVIEW MET DE GELAUWERDE DICHTERES MILA FERTEK  / door Maya Lensink

 

Voor nu een  zieleuiting  Elisabeth Leenschat van Bodegraven  waarin zij de grootheid van Mila Fertek ten volle beseft:

 

ZEVENENDERTIG IN MAART

 

1

 

Mevrouw Leenschat van Bodegraven staart in het dikke grijs van de tuin

Zelfs het tuinhuis van Mila is nog maar nauwelijks te onderscheiden

 

De mist

Die al voor dagen heerst

Mist zelfs maar de geringste intentie te willen wijken en blijft

Koppig en hardnekkig

Hangen over de kop van Het Kleine Vaderland

 

Mevrouw Leenschat van Bodegraven heeft haar leesbril afgezet

Wendt haar blik van het grote raam

Legt het typoscript van Mila naast zich op het bijzettafeltje

Om eens diep te zuchten

 

Werkelijk Elisabeth

Mompelt mevrouw Leenschat van Bodegraven

Het is ongekend

Gaat elke beschrijving

Hoe welwillend lovend ook

Ver te boven

Hartverscheurend

Openhartig

Beklemmend en bevrijdend tegelijkertijd

Aards en filosofisch in een enkele ademtocht

Bescheiden alsook hoogdravend

Maar toch ook weer niet

 

 

 

 

2

 

Mila heeft de taal

Het onbegrepen schitterende Nederlands

Ingezet voor geen ander doel dan het subliem verhelderen van haar denken

Van haar wezen

Onrustbarend en geruststellend

 

 

 

Het kan niet anders zijn

Mevrouw Leenschat van Bodegraven meent ten stelligste dat de goden

Eensgezind

Hun zegen over Mila hebben uitgesproken

 

Even sluit mevrouw Leenschat van Bodegraven de immer warme ogen

Zo intens als maar mogelijk is laat mevrouw Leenschat van Bodegraven de Calvados

Van superieure kwaliteit

Lichtjes golven over haar tong

 

En nogmaals denkt zij

Ongekend

Ongekend

In het tuinhuis

Links van de kastanje

Ís een meesterwerk geschreven

Door een beeldschone jonge vrouw van zesendertig

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mila Fertek 

Zal

Zal zij u eens verhalen van haar grote liefde

Zal zij dat eens doen zij die in een boomgaard staat

Een boomgaard in mei

Waar haar armen reiken lieflijk

Naar de ranke takken die vol bloesem zijn

 

Dat achter haar het gras wuift zal zij het u

Zal zij het u vertellen hoe ze was en droomde

Op die ochtend dat het zo mild was en de lucht

Boven haar zich uitstrekte tot een

Blauwe rimpelloze spiegel en hoe haar haar

 

Glanzend neerhing op haar schouders

En het jurkje dat ze droeg die tere stof

Zij kan het u vertellen zij kan het

En dat ze ogen had onschuldig die vervulling

Zochten in alles wat godinnen maken kunnen

 

Uit: Latere Overtuigingen & Inzichten

 

Recensies :Herbert Mouwen,  Mila Fertek ; een onbekende vrouw die onbekend blijft, Meander

link Meander

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

Het fijne leven dat mij wacht  Mila Fertek

 

 

En ik lach schaterend en de oude Indiase vrouw lacht ingetogen maar heel vrolijk met Mij mee

 

Deze bloemen zijn heel mooie bloemen

Ik heb ze gekocht van een oude Indiase vrouw

Wier taal ik niet spreek 

Toch zei ik haar ga zitten hierbuiten voor het

Huis in de warme zon dan maak ik een kopje

Thee voor u

De oude Indiase vrouw ging zitten en begreep

Mij helemaal

 

Vijf minuten later was ik terug met twee

Dampende mokken thee in mijn handen

Ik zette ze op het tafeltje neer en ging naast

Haar zitten

Zo zitten we lekker zei ik en even sloot ik de

Ogen om de geur van de mooie bloemen goed

Tot mij te kunnen nemen

Ze ruiken heerlijk mevrouw zei ik terwijl ik

Mijn ogen weer opende

En de oude Indiase vrouw knikte en glimlachte

Vriendelijk

 

Zij draagt een forse herenbril de oude Indiase vrouw

En haar gebit is volkomen authentiek

Voorzichtig de mok gloeiend hete thee in haar handen

Houdend en haar hoofd ernaartoe buigend slurpt ze

Uit de  dampende mok

 

Kent u Bach mevrouw zeg ik de deur staat toch open

En de thee is nog lang niet op wacht ik zal u Ich Ruf???

Zu Dir, Herr Jesu Christ laten horen

Even opnieuw ben ik weg en in de huiskamer zet ik

De langspeelplaat op en spoed mij weer naar buiten

Dat is Bach mevrouw zeg ik net zo mooi als uw

Prachtige bloemen die ook nog zo heerlijk ruiken

En van Bach weet ik dat zo net nog niet




In de wind van juli naar augustus

 

Het is avond en de wind van juli naar augustus is stilgevallen

Een jonge vrouw in feite een meisje nog maar al reeds ruim

Voorzien van de rijpe vormen die bij velen begeerte oproept

Zit op een keukenstoel in de snel duisterende tuin

 

De jonge vrouw eigenlijk een meisje nog denkt na en haar

Ellebogen rusten op haar knie??n en haar kin rust op haar

Opengevouwen handen die bovendien haar wangen omvatten

 

Na denkt zij over de verschroeiende liefdes die haar leven

Niet zullen doen verteren en wellicht spoedig al

Het bed vreest zij niet integendeel maar wel de uren dagen

Weken maanden jaren lustra en decennia die zouden

Volgen kunnen die vreest zij maar al te zeer

 

Daar is zij veel te ongedurig voor meent de jonge vrouw

Eigenlijk een meisje nog en niet lang zal zij bij welke grote

Liefde dan ook blijven kunnen zo voelt zij dat aangezien

De jonge vrouw wellicht een meisje nog zo is geaard

 

Veel pijn en verdriet zal zij onderweg veroorzaken want ik ben

Van de liefde meent ze en niet van het verstikkende blijvende

Zij die mijn onversneden liefde ten deel zullen vallen kunnen

Alleen mijn kinderen zijn mijn kinderen die ik met man

Noch vrouw delen zal

 

Het is vrijwel donker nu en de jonge vrouw eigenlijk een meisje

Nog neemt een flinke slok uit het glas met zware bodem waarin

Zij zich een driedubbele bourbon heeft ingeschonken en

Bedachtzaam neemt zij vrijwel tegelijkertijd een fikse teug van

Haar joint en luistert naar de merel die gestopt met zingen is

 

Het voorbereidende werk is gedaan en voor het werk

Dat nu volgt is zingen niet werkelijk noodzakelijk meer

 

 

 https://www.dwbarchief.be/uitgave/2006/4/jan-lauwers/mila-fertek/het-fijne-leven-dat-mij-wacht.html

 

 

 

 

 

 

 

 

Mila Fertek: Hoe een en ander...

Hoe een en ander ingewikkeld kan zijn voor vrouw en man

Zij heeft hem geslagen
Hij heeft haar pijn gedaan
Dat vindt zij
Hij vindt dat niet
Zij krabt hem overal
Hij gooit haar tegen de stoeprand
Dat vindt zij
Hij vindt dat niet
Zij heeft hem uitgescholden
Hij draait zich bijna om
Dat vindt zij
Hij vindt dat niet
Zij drijft een klauwhamer in zijn achterhoofd
Hij zakt in elkaar
Dat vindt zij
Hij vindt dat niet
Zij schopt hem in de rug
Hij valt als een blok voorover
Dat vindt zij
Hij vindt dat niet
Zij spuugt hem in de nek
Hij laat straaltjes bloed lopen uit zijn mond
Dat vindt zij
Hij vindt dat niet


Mila Fertek is geboren in 1988 te Alkmaar. Nog even en ze is drie-en-twintig. Zij behoort tot de vierde generatie van Oosteuropese immigranten, een immigratiestroom, die rond 1900 begonnen is.
Mila is de oudste dochter van een welvarende zakenman. Ze groeide op in de pittoreske, gemoedelijke kaasstad, waar ze naar het gymnasium ging en uit de openbare bibliotheek veel leesvoer naar haar slaapkamer meenam, dat ze las met een gretigheid, die menigeen zou overompelen, maar zij bleef er evenwichtig onder en las verwoed door. Van jeugdboeken tot de mooiste wereldliteratuur.
Zo las ze o.a.: Kavafis, Pessoa, Pavese, Rimbaud, Jotie T'Hooft, Fritz Kocher, Leopardi, Léautaud, Whitman en Rilke. Ze was extra psychisch vroegrijp door dat sponsachtig opnemen van de groten der aarde.
Ze onderhield geen vriendschappen, wat gezien haar leeswoede ook niet mogelijk was, maar wat wel een groot offer moet zijn geweest voor een jonge meid, die toch ook wel eens uit de band wil springen en feestvieren met leeftijdsgenoten in kroegen en dancings.

Op het enige pasfotootje van haar op internet zie ik een fragiele jongedame met bruine krulharen en gesloten ogen, wat kan duiden op een staat van een totale ingekeerdheid. Introvert zal ze zeker zijn, gezien haar lees- en schrijfhonger.
Misschien is ze nu een studente aan de Universiteit van Amsterdam en woont ze ergens met anderen in een studentenhuis, ik kan me die gang van zaken goed voorstellen gezien haar grote talent voor woordkunst, ze zal Taal en Letterkunde studeren vermoed ik, maar dat weet ik niet zeker.
Ze schrijft nu al zo'n zeventien jaar, dus ze heeft al een behoorlijke staat van dienst.
Ze voelt zichzelf zeer verwant met de dichteres Fritzi Harmsen van den Beek.
Dat ze al zo jeugdig op een hoog dichtniveau zat, heeft ze gemeen met vele van haar roemrijke voorgangers, waarlijk talent barst vroeg open, je kunt het zien als oude zielen, die in een stroomversnelling raken.
Ze behaalde in 2006 haar gymnasium-diploma en in datzelfde jaar stuurde ze haar dichtwerk naar de BnM-uitgevers, die haar vroegen om eerst wat naar 'D.W. & Belfort' te sturen, wat ze deed en het werd gepubliceerd.
Een half jaar later verscheen haar debuutbundel 'Het fijne leven dat mij wacht' bij BnM-uitgevers. Het bleek meteen een literair succes met talloze loftuitingen van bekende recensenten en natuurlijk veel zinderende beloften voor haar toekomst.
Na vijf jaar mag die tweede bundel wel eens verschijnen, maar ja, daar hebben we wel haar wilskracht voor nodig; dat het erin zit, dat betwijfel ik niet, trouwens, al duurt het nog tien jaar, dat is evengoed okay.

 

 

https://www.nederlands.nl/nedermap/beschouwingen/beschouwing/125604.html

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

OPENBARE VOORDRACHTEN MILA FERTEK

 

 

 

Link: 

https://decontrabas.typepad.com/de_contrabas/2006/11/optreeddebuut_m.html

 

 

 

 

 Gedichten buiten Antipode – Mila Fertek

Zenith


1


Vandaag voelde ik mij alsof ik ontwaken ging

Ontwaken uit

Niet een droom

Noch een diepe mijmering

Een ontwaken uit het leven zelf

Zo scheen het mij toe


Het leven van alles waar

De kruidenier met zijn kleine winkel

De gestrafte in zijn cel

De moeder met haar kind in de armen

Waarde aan hecht


Mijn ontwaken deze dag verliep traag

Onwetend van wat het aanrichtte

Maakte het de ochtend lang

Grauw als gewoonlijk



2


De middag een vrijwel onmerkbaar gloren

De avond een langzaam oplichtend visioen


Ik voelde dat ik afscheid nemen ging

Of

Wellicht

Op dat moment

Al afscheid genomen had


Ik staarde uit het raam

Het was nacht

Duister voedzaam

Zacht

Ik zag het bolle licht van de lantaarnpalen

Hoorde het tsjilpen van krekels

En wat ik zag

Zag ik niet



3


Wat ik hoorde

Hoorde ik niet


Ik begreep dat ik was ontwaakt

Maar niet

Hoe dat zo gekomen was

Hoewel ik wel degelijk

Een vermoeden bezigde


Destijds


Toen mijn bewustzijn

Nog geen bewustzijn bezat



Fragment


1


Mijn toekomst zal zijn wat het nooit worden zal

Wat is zal nimmer zijn wat het is


Vandaag keek ik uit over zee vergetend dat ik uitkeek over zee

Tevens vergat ik te bewegen

Daarmee de indruk wekkend

Bij de serveerster die mij mijn koffie bracht

Dat ik uitkeek over zee

Mooi

Vindt u niet?

Vanuit een nergens waar ik nauwelijks was

Keerde ik terug

Naar de tafel in het restaurant

Naar de vriendelijke hand

Die mij de koffie serveerde

Naar de glimlach op haar gezicht




2


Ik besloot

In een fractie van een seconde

Haar onmogelijk teleur te kunnen stellen

En zei

Mijn stem dwingend tot een menselijke vorm

Het is spectaculair

Werkelijk


De serveerster knikte opgewekt

Waarop zij gewenkt werd

En mijn tafel verliet

Mij

Hetgeen mij zeer aannemelijk toescheen

In goed vertrouwen achterlatend

Terwijl ik nauwelijks begreep nog

Waar ik mij bevond



Versmelting


1


Vandaag

Altijd

Wanneer ik de mensen ontmoet

Komt

Zij

Die ik niet ben

Onweerstaanbaar

In mij geslopen


Ik

Vandaag

Altijd

Weersta haar niet

Hoe kan ik haar weerstaan!






2


In hoe zij mijn lach vervormt

Mijn stem

Mijn manifesteren

Mijn eeuwig betrachten

Heel mijn willende zijn

Haat ik haar diep

Haat ik haar niet


Ik weet dat zij is

Die ik ben


Ik ken haar schichtige oogopslag

Haar stem

Die faalt

Juist wanneer haar stem niet falen mag




3


Wanneer zij de mensen groet

Groeten zij haar vriendelijk terug

Gezien zij niet weten wie zij is


Dat zijn zenuwen

Immer onder hoogspanning staan

Haar aangename intonatie

Een gotspe


Dat weet ik allemaal

Wanneer zij

Na alle begroetingen

Zitten gaat

Aan de tafel waaraan zij altijd zit

Waar zij

Ondanks haar groeiende paniek

Meestentijds de rust hervindt



4


Die haar immer tijdelijk geneest

Hetgeen ik weet

Aangezien ik immer

Gezeten aan diezelfde tafel

Haar koffie drink



Meester Over Mijzelf


1


Meester over mijzelf zijn

Ha

Grimas

Wie wil er nu vrij zijn

Lijden wil ik

Pijn en tranen

Mijzelf eeuwig straffen

Voor de dingen die ik mij heb aangedaan

Gelukkig zijn kan ik slechts met wat ik niet kan zijn

Ik ben ongelukkig met wat ik bezit


Ik ben de meester van mijn ongeluk

De slaaf van mijn wensen

Ik ben de bron van mijn tranen

Het vuurwerk van mijn lijden





2


De zorgen die mij vreugde brengen

Zijn die welke ik niet doven kan

Vooral die buiten mijn bereik liggen

Zijn mijn grootste vreugden


Ik bezit niets dan de wil

Niet te zijn die ik ben

In het licht waarin de mensen mij zien


De mensen die ik liefheb soms

Vanwege hun

Ogenschijnlijk immer

Opgewekte existentie

In het koffiehuis waar ik vrijwel dagelijks zit

En naar ze kijk





3


Vaak zeg ik dan tegen mijzelf

Kijk daar zitten ze

Ze eten

En drinken

Ze lachen en praten


En ik zit daar alleen

Denkend aan hun ongeluk

Dat zij immer verbergen

Het is gezellig zo met elkaar toch…

Peinzend over de tragedies die hen

Ongetwijfeld

Nog treffen zullen







4


Dan denk ik

Mijmerend op zo een middag in het koffiehuis

Wie ik wil zijn

En welzeker ook

Hoe ik iets dergelijks bereiken kan


Toen

Wellicht zeker aannemelijk

Bij de genade van al mijn ongeluk

Ontspanden mijn gelaatstrekken zich


Ik voelde dat ik begon te voelen

Om te beseffen

Wie ik nooit ben geweest




Zoals Ook Ik Jou Nooit Verlaten Zal


1


De tijd die ik doorbreng met mijzelf

Is het kostbaarste dat ik bezit

Ik verveel mijzelf nooit


Dat heb ik vastgesteld


Mijn eeuwig falen

In lange stiltes beschouwen

Behoort tot mijn grootste genoegens


De reis die ik mijzelf bied

De voorname koude van de polen

De elegante hitte van de woestijnen

Doet mij immer beven van genot


Alleen zijn is het doel van mijn leven

Mijn leven dat geen doel bezit



2


Voor welke gedachte ik een onbekende god

Die in mijzelf woont uiterst dankbaar ben


Trouw ben ik slechts aan mijzelf


Om mijzelf te leren kennen

Verspil ik lachend alle uren van mijn dagen


Angst voor eenzaam zijn ken ik niet


Mijn reisgezellin versaagt nimmer

Altijd is zij aan mijn zijde


Ik ben bij je zegt zij dan

Ik ben je gids naar wijsheid

Naar begrijpen

Verlaat mij niet

Aan De Goden


1


Mijn immer voortdurende ongemak

Dat

Zonder ook maar de geringste reden denkbaar

Moeiteloos zijn weg vindt

In

En door

Mijn dagelijkse manifestaties

Is mijn natuurlijke vorm van tevredenheid

Mijn enige weg

Naar een zeker geluk


Mijn woorden zijn niet mijn taal

Het is slechts mijn wens dat zij nastreven

Zich om te zetten

In de taal die ik voor ogen heb

Hetgeen onmogelijk is

Wat ik weet



2


Alsook dat zij weten

Wat ik weet

Meer verlang ik niet


Mijn onvolmaakt zijn

Is mijn enige geluk

Mijn onvolmaaktheid is het fundament

Waaruit mijn immer broze tevredenheid

Alsook mijn angst voor het verliezen van mijn ongemak

De enige weg namelijk die ik ken

Naar in het bijzonder in mijn geval een zeker geluk

Op die gedenkwaardige dag destijds

Schitterend geboren werd


Sindsdien koester ik mijn immer voortdurend ongemak

Als het enige doel in mijn leven

Om dat leven te kunnen doorstaan

Over Leven Dood En Mijn Leugens


1


Wanneer ik lijd

Wordt dat lijden veroorzaakt

Als regel

Door een soms pijnlijk onverwacht geluk


Een aanraking

Een opbeurend woord

Van hen die zich

Vanwege mijn door hun vermeende lot

Dat ik liefheb

Bekommeren om mijn welzijn

Dat een ander welzijn is

Dan zij ooit vermoeden kunnen

Mijn welzijn

Dat

Een god zeg ik dank daarvoor

Nimmer floreert door gedachten aan wreedheid



2


Mijn welzijn

Dat door mijn eeuwig veranderend palet

Van grote en kleine leugens

Soms van vermakelijke

Soms van ontluisterende aard

In staat is tot het voeden van mijn ziel

Op de grens van het toelaatbare


Ik ben de immer koelbloedige amazone

Die haar eigen oorlogen voert

Voorzien van wapens

Gesmeed uit haar onuitputtelijk arsenaal

Van veinzen

Haar briljante onvermogen






3


Haar daden zijn gering

Echter zo gaat zij elke nieuwe dag te lijf

En net als ik

Heeft zij haar leugens lief

De leugens die onvermijdelijk zijn

In het geval men wenst te leven

Alsook in geringe mate gelukkig te zijn

In de gedachte

Dat het eens voorgoed voorbij zal zijn

Met al die leugens

Goed of slecht

Vermakelijk of stuitend

En met dat geringe geluk eveneens


Dat de vrede eindelijk getekend wordt

Universele rust

De Gelukkigen


1

Mij minder gelukkig voelen

O

Niets is minder waar


Ik ben gelukkig in het besef

Dat zij die zeggen gelukkig te zijn

Niet weten waarover zij spreken


Wie wil er gelukkig zijn

Ten koste van een ander


(Hetgeen altijd het geval is)


Niemand zullen zij roepen in koor

Zich tegelijkertijd verslikkend

In hun kreukelige geweten




2


Ik ben gelukkig in het besef

Dat ik weinig goed doe

Dat heel mijn nobele betrachten

Een keerzijde bezit

Die ik uiterst zorgvuldig

En dagelijks

Behoor te beschouwen

Zoals een welmenende god mij aanbeval

Hetgeen ik ook doe


Wanneer mijn buurman zegt

Deze morgen wanneer hij naar zijn werk gaat

En ik een wandeling aan ga vangen

Buurvrouw gaat het wel goed met u

U ziet er zo merkwaardig uit





3


Dan zeg ik dank u buurman

Dat is precies zoals ik mij voel

Merkwaardig jawel buurman

Maar ook ruimschoots voorzien van het juiste inzicht

Voor zover ik iets van juiste inzichten weet uiteraard


Dan groet ik mijn buurman

En zie nog juist zijn aangezicht dat

Onwillekeurig schijnt het mij toe

Tot een dwaas aandoende grimas vertrekt


In de lange wandeling die ik maakte

Zag ik de keerzijde van de zogenaamde zin van het leven die

Zelfs uiterst oppervlakkig bezien

Niet anders leiden kan

Dan tot de eindeloze groteske maskerade die het geworden is

Die een god zij dank daarvoor eens tot een einde komen zal



4


En ik dansend op de rand van de vulkaan

Van mijn

Ogenschijnlijk

Door mijn buurman veronderstelde

Neerdrukkende gedachten

Wandelde peinzend en dacht

Zeker te menen

Niets is zeker namelijk

Gelukkiger te zijn

Evenwichtiger

Oprechter

Niet anders dan de waarheid dienende

Dan zij

Ooit zullen zijn

(Niet mijn buurman overigens)

(Hij bezit een diepgaand geloof)

Waarvoor ik mij onmiddellijk en diep wist te schamen

Sporen Ergens In Het Landschap Van De Ziel


1


Het spoor dat ik gemaakt heb

Het spoor naar waar ik niet wilde zijn

(Zo ik destijds dacht)

Heeft mij hier gebracht


Ik

Uiteindelijk aangekomen

Kijk om mij heen

Om te zien

Dat niets lijkt op

Dat wat ik

(Destijds)

Meende te zullen gaan zien


Onwillekeurig keek ik terug

Op de vele obstakels

Die mij immer hinderden onderweg



2


Die ik niet wilde

Gezien zij

Niet anders in de zin hadden

Dan mij te laten stranden

Waar ik niet wilde zijn


Nogmaals kijk ik rond

Ik bevind mij in een kamer die ik ken

Een warme kamer

(Het is een zeer koude nacht in januari)

Het licht is zacht en aangenaam


Plotseling besef ik

Eindelijk

Wat zegeningen zijn

Ik begin ze te tellen




3


Alles onderweg

Tot nu toe

Is overwonnen

Ondergeschikt gemaakt aan mijn wil

De wil

Zonder terughoudendheid de mensen te zien

Zoals ze zijn

Wat ze aanrichten


Er vrede mee hebben

Zonder er vrede mee te hebben

Alsook

Het feit

Zo weinig genoegen in de mensen te vinden

Dat het innerlijk voelen

Van wie ik meen te zijn




4


Het is in feite onbetamelijk

Zich wentelt in welbehagen

Zich niet bekommert nog

Om de weg die de mensen gaan

Alleen haar eigen pad

Nog voor ogen heeft

En desondanks zegt

Voor altijd van de mensen te houden


Een schande mevrouw

Meneer

Ik zeg u

Werkelijk

Een schande

En dat is mijn eigen buurman

(Dat zegt mijn buurman niet)

(Nooit zal hij dat doen)

Mijn Toekomst Is Niets Dan Horizon


1


Zelden maak ik nieuwe vijanden nog

Mijn oude vijanden zie ik niet meer

Ik heb ze nooit vergeven

Zelfs toen ik ze al vergeven had

Bleef ik ze niet vergeven


Hun namen zijn ergens in mij verdwaald geraakt

Alsook mijn naam in hun

Hetgeen een zegen is

Nietszeggend als naar mijn mening

Namen zijn


Opdat mijn schaduw mij verder niet volgen kan

Heb ik het zonlicht afgezworen

Zijn de paden die ik volg vol van weinig gerucht

Niemand nog wil ik opmerkzaam maken

In stilte klaag noch jubel ik



2


Extatische uitbarstingen van vreugde

Doen mij huiveren


Diepe neerslachtigheid

Ik wil er niets van weten


Wat binnen mijn bereik ligt

Is ontstellend weinig

Een universum tegelijkertijd


En elk mysterie dat zich sober gedraagt

Verkies ik boven

Elk ander mysterie dat niet dat kenmerk bezit


Bijvoorbeeld dat van de mensen

In het koffiehuis die




3


Nadat een kolderieke persoon

(Hetgeen al door meerdere aanwezigen was opgemerkt)

(En dat had ik dan weer opgemerkt)

Het gezelschap waarin hij verkeerde

En duidelijk de animator was

Verleidde tot schaterend gelach


Een mysterie waar niets tegen uit te richten valt

Dat sober is in geen geval

Heeft weliswaar mijn aandacht

Verder echter niets

Waarnemen

Niet voelen

Zich in schemer bevinden

Slechts weergeven wat waargenomen wordt

Is wat mij drijft

Ten koste van niets

In De Droom Waarin Ik Bestond


1


Te denken met mijn gevoel

Hetgeen velen mij hebben afgeraden

(Dat laatste overigens is gelogen)

(Zelden namelijk dient iemand mij van advies)

Heeft mij hier gebracht

Waar ik nooit gedacht had te zullen zijn


Dagelijks leef ik mijn leven

Alsof ik het al heb geleefd


Mijn geheugen verwijst

Waarschijnlijk als gevolg daarvan

Naar een verbeelding van iets

Dat al lang gestorven is

Dan wel nooit heeft bestaan

Of mogelijk zal bestaan




2


Genade

Voor mij

Is het besef

Dat het een ware vreugde is

Niet te weten

Of mijn vermeende ik er morgen nog zal zijn


Wat valt er verder nog over te zeggen

Mijn verleden is

Wat mijn toekomst zal zijn

Te weten

Niets anders dan

De grote leegte uit vanwaar

Ik gekomen ben






3


Ik ben niets dan een idee van mijzelf

Zonder te weten wie ik ben

Of dat ik ben

Noch of het waar is wat ik beweer

Anderen moeten mij daar immer op wijzen

Hetgeen zij ook met zeer geringe regelmaat doen

En werkelijk ik dank hen daar warmhartig voor


Dat het zo is

Dat ik besta


Maar dan na die lichte euforie

Niet veel later

Geloof ik een en ander nauwelijks nog

Eerder

Meestentijds

Dat ik droom

Unisono


1


De dag dat ik mijzelf in vertrouwen nam

Een daad die van grote moed getuigde

Een gewone dag midden januari

Zal ik niet licht vergeten nog

Ik huiverde onmiddellijk

Nadat ik het vertrouwen in mijzelf uitgesproken had

Alsof ik lang naar dit moment had uitgezien

Naar de wensen die ik bezat

De gretigheid waarmee dat gepaard ging


Ofwel ik volg mijn lot in deze

Dacht ik

Dan wel volgt het lot mij


Ik begreep de dwaasheid van mijn bewering

De schande van gelukkig zijn

De vreugde van mijn ongeluk



2


Ik begon mijn wezen te omhangen met

Het fonkelen van mijn nieuwe vertrouweling

Voor wie ik

Even hiervoor nog

Ietwat schrikachtig leek gezien haar gulzigheid

Maar nu

Nu begrijp ik haar

Nu zij een wat bedaard is

Veel beter


Woede en mededogen

Hetgeen ik in haar opgewonden toon meende waar te nemen

Zijn bij haar immer zachtaardig van natuur

Het bladgoud van haar gedachten is het mijne besefte ik

Een nieuwe huivering trok door mij heen

En elke dag verder met haar

Is de meest memorabele van mijn leven

Ergens Tegen Het Einde Van Mijn Toekomst


1


Zoals ik de wereld mijn onvermogen

Zonder schaamte

Toon

Blijft mijn

(Ik kan niet anders)

Immer verhulde vervreemding

De enige handschoen die ik pas

Mijn lusteloosheid het droevige fort

Dat naar levenslust leiden moet


Echter


Mijn geweten lacht om alles

(Hetgeen mij pijn doet)

Ik begon te denken dat alle metaforen zinloos zijn

Aangezien metaforen niets betekenen

Noch ergens toe leiden



2


Ik kom vooruit door mijn

Hardnekkig

Stil blijven staan

Bij alle fenomenen die ik niet begrijp


Elk detail in mij

Is een gebrek

Elke mystificatie bezit

Een verborgen waarheid

Die niet bestaat


Mijn zijn is niets

Dan eeuwigheid in wording


Niet weten

Nimmer zullen weten

Is de bron van al mijn gedragingen



3


Ik acht het noodzakelijk

(Zoveel als mogelijk is)

De ogen van mijn bewustzijn te sluiten

Om in alles dat voorafging

Hetgeen ik uiterst zorgvuldig in ogenschouw neem

Te zien

Met een voor mij

Aan zekerheid grenzende zekerheid

Hoewel zekerheden mij onbekend zijn

Dat ik mij bevind

Ergens

Tegen het einde van mijn toekomst






Iemand Willen Zijn


1


Al hetgeen ik nastreef is tot mislukken gedoemd

Uiteindelijk heb ik daar enig geluk in gevonden

Onkwetsbaar geluk

Dat ik uiterst zorgvuldig bewaar in de schrijn

Van mijn immer zwak verlicht bewustzijn


De avond van de dag waarop ik besloot iemand te zijn

De helderste avond van mijn leven

Is ergens in mijn verleden zoekgeraakt


Daar

Toen

Eens

Is iets geboren

Dat ik niet voor ogen had

Iemand die ik niet wilde zijn




2


Mijn toenadering tot de anderen

De mensen

Bleek tot stilstand te zijn gekomen


Mijn gewaarwordingen

Vooral mijn reacties daarop

Dreven mij verder en verder weg

Van die ik wilde zijn


Niemand die mij iets verweet

Niemand die

Zoals zij

Overigens

Onmogelijk weten konden

Twijfel te bezitten leek





3


Aangaande de grote en kleine leugens

Betreffende mijzelf

Die ik onophoudelijk

En onweerstaanbaar

Uit moet blijven strooien


(Hoe kunnen zij ook weten?)


Mijn incoherentie

Niemand die mij daaromtrent

Eens aanspreken wil


Mijn immer krampachtige ongemak

Zij zien het niet






4


Meer aannemelijk echter

Voor mij

Is

Dat zij het niet willen zien


Er is veel herfst in mijn strevingen

Winter is aanstaande



Ergens Waar Ik Uiteindelijk Wonen Moet


Als gevolg van het verontrustende besef

Waaronder ik overigens uiterst kalm bleef

Niet langer nog instaat te zijn

Mijn weg ten goede te keren

Ontstond

Nadat ik zag wat ik in mijn geest meende te zien

Een ander besef

Dat vrijwel onhoorbaar

Echter ik nam een en ander

Evenzogoed glashelder waar

Beval mijzelf uit te dagen

Ten einde

Verandering teweeg te brengen

In dat wonderbare leven

Hetgeen ik leiden moet



Op Een Avond In Het Koffiehuis


1


Mijn verregaande onwetendheid omtrent

Als regel

In feite alles waarvan ik pretendeer iets te weten

Hetgeen ik nimmer laten kan

Die immer fatale hoogmoed

Heeft mij niets dan angst gebracht


Angst te zullen falen

Vanwege bijvoorbeeld een enkele goed gerichte vraag

(Hij had het zojuist kunnen doen)

(Maar hij stond op en ging)

De bijzondere angst mijzelf pijn te doen

Als gevolg van mijn onmacht anderen pijn te doen

Een onmacht die ik in hoge mate koester




2


De pijn die ik mijzelf toebedeel

Vanwege mijn nimmer zwijgen

(Hetgeen mij even hiervoor nog in grote moeilijkheden had

Kunnen brengen)

Mijn voorstaan op

Iemand te zijn

Die ik niet ken

Noch de kennis bezit waarvan zij gewag maakt

Heeft meestentijds tot gevolg

Dat ik

Weliswaar grimmig

Maar daarentegen immer glanzend

Spontaan om mijzelf schateren kan





3


(Niets weet hij daarvan)

(Hij heeft het koffiehuis verlaten)

(Mijn innerlijk schateren had hij ook niet kunnen zien)


Wanneer mij

Hetgeen mij regelmatig overkomt

Te binnen schiet

Dat het universum

Wat het universum ook moge zijn

Zichzelf net zo goed kent

Als ik mijzelf

Precies als deze avond overigens

Waarop ik tracht

Iets wezenlijks te ontwaren

Zie ik onmiddellijk



4


De vaststelling is ontmoedigend

Dat ik niet de ogen bezit

Die ook maar de geringste mogelijkheid bieden mijzelf te

Beschouwen als degene die ik

Een seconde geleden nog

Dacht te zijn










Olympus


1


Niet lang nog zal het duren

Eerdat ik alles vergeten zal zijn

Aangezien ik hogerop niet zijn zal

Die ik nu meen te zijn

Ik zal daar eeuwig blijven

Dat weet ik nu wel heel zeker te menen

In de toestand die men

Bij gebrek aan betere omschrijvingen

Als niet zijn betitelt

Het is een misvatting

In mijn ogen

Te veronderstellen

Waarlijk te geloven

(Zoals mijn buurman doet)

Dat er een hemel bestaat



2


Om vervolgens

Na onze vele goede daden

Die ons ten strengste werden aangeraden

Nadat wij daar zijn aangekomen

Een eeuwig leven als echt verdiend te mogen consumeren

Zonder doel

Zonder betekenis

Een verregaande ledigheid

Niet de geringste inspanning wordt nog van ons verlangd

Uitstekend te vergelijken

Zeg ik dan

Met het niet zijn

Waarnaar ik onderweg ben

Ergens naar omhoog

(Waar mijn buurman overigens niets van weten wil)

Bevroren


1


Een toekomst die mij in de war brengen zal

Heeft vooralsnog geen deel van mijn leven uitgemaakt

Hoe kan ik in de war raken van iets dat voor mij ligt


Wanneer ik het gereedschap van de reden toepas

Op elk nieuw ontsprongen heden

Zoals ik altijd heb gedaan

Hoe dan zou de toekomst mij kunnen schaden


Ik ben de houder van de glimlach

Die na elke nieuwe slag in warmte toeneemt

In feite ben ik de glimlach zelf

Die de aangedane pijn

De vernedering die daarbij hoort

Onmogelijk vergelden kan



2


De macht van mijn glimlach

Is niet te bemeten


Ik ben de soldaat

Die in stilte het hardste schreeuwen kan

De heldin van wie men later zo hoog op wist te geven

Zij gaf geen kik

Tot het laatste moment

Zij sloot vermoeid de ogen

Die zij niet nog bezat

En de glimlach

Op wat er van haar aangezicht over was

Wenste samen met haar te sterven

En zo is geschied

Naar men mij heeft verteld

Apocalyps


1


Altijd wanneer ik een mens zie in pijn gevat

Brengt mij dat verwarring

Er schuilt een boosaardigheid in

Die ik niet kennen wil

Een genoegen dat mij verontrust

Terwijl ieder willekeurig dier

Op mijn volledig mededogen vertrouwen kan

In andermans wanhoop echter

Zie ik

Mijn triomf

In wat hem overkomen is

En mij niet

Ik geniet terwijl ik huiver

De schaamte tegelijkertijd is overweldigend



2


Mijn lafheid neemt monstrueuze vormen aan

Daaropvolgend

Zonder enig verweer

Word ikzelf de mens in pijn

Mijn wanhoop reikt naar de goden

Zij verkiezen te zwijgen


Wanneer ik vernedering zie

Dat kan overal zijn

Wend ik mij af

Niet groot genoeg ben ik

In te grijpen en recht te doen

(De goden kennen mij)

(Daarom zwijgen zij)

Het pad naar omhoog




3


Kan mij niet vinden

Gelijk ik

De diepe gronden

In mijzelf

Die niet anders dan getuigen willen

Dan vreugde ten aanzien van andermans ongeluk

Die het geheim van de onmiddellijk ontstane schaamte

Weigeren prijs te geven

Mij immer achterlatend

In een land waar ik niet wonen wil

Een gegijzelde

Onrustig slapend tegen de koude rug van mijn geweten

Dat veel te menselijk is

Om mij te kunnen bevrijden

Uit de nachtmerrie waaruit ik maar niet ontwaken kan


In Aeternum


1


Het wantrouwen dat ik koester ten aanzien van degene

Die hardnekkig volhoudt mijzelf te zijn

Is van belachelijke en uiterst serieuze aard

In elk beschouwen van mijzelf

Zie ik niets dan eindeloos bedrog ten aanzien van hen die het

Goed met mij voor hebben

Daarbij immer vergetende dat ik niemand kennen wil

Die het goed met mij voorheeft


Zij dwingen mij tot een glimlach die niet van mij is

Een aanraking die van een ander is

Een zogenaamd overeenkomstige gedachte

Die ik niet met ze deel





2


Degene die volhoudt te zeggen mijzelf te zijn

Spoort mij voortdurend aan vertrouwen te hebben in goede

Bedoelingen

Die zij voor mij in het bijzonder voor ogen heeft

Werkelijk zij heeft geen idee waar goede bedoelingen toe

Leiden kunnen

Zij heeft geen idee van de wereld waarin de mensen leven

Wat zij zich voor moeten houden zich getroosten moeten

Om er doorheen te komen door dat fantastische leven van ons

Niets wil zij weten van bedrog

Noch dat ik haar nader zou willen leren kennen

Zij blijft immer kloppen op de afgebladderde haveloze deur

Van mijn ziel

Binnenkomen echter zal zij nooit

Ik wantrouw haar

Amor Fati


1


Waarheid spreken is mij altijd slecht afgegaan

Heel mijn leven heb ik slechts de waarheid gesproken die ik

Aankon

Maar nu

Nu mijn jaren beginnen te tellen

Kan ik spreken over zaken

Waarover ik vroeger zelfs niet denken durfde

O ja in mijn leven hebben vreselijke dingen plaatsgegrepen

En omdat zij zich manifesteerden in mijn geest

Zijn zij werkelijk gebeurd

Ook al is daar

Mijn getuigenis staat daar borg voor

In mijn leven van alledag

Zelden sprake van geweest



2


Alles hetgeen mij dienen kon

Bijvoorbeeld het geloof in mijzelf te behouden

Is weggevaagd

Mijn vertrouwen in de oprechtheid van anderen

Werd een bewijs van onvermogen

In mijn beoordeling van

Waar velen de mond vol van hebben

Het zogenaamd goede

Dat als vanzelf in ons mensen zitten zou

Gelogen zeg ik

Het is niet waar




Falanx


1


Mijn verbijstering inmiddels verworden tot een onwrikbaar

Weten

Laat mij zien dat krankzinnigheid slechts voor individuen is

Weggelegd


Gemeenschappelijke krankzinnigheid daarentegen is

Prijzenswaardig

Aangezien zij de individuele krankzinnigheid mogelijk maakt


Daaruit maak ik op dat de lange schaduwen van mijn

Gedachten

Zich opmaken verzet te plegen

Waarvan ik geen voorstander van ben

Welke zin schuilt er in mijn krankzinnigheid te ontkennen




2


Wanneer ik een vijand ontwaar

Ga ik onmiddellijk op zoek naar een nieuwe vijand


En opnieuw

En opnieuw

Angst is het mechaniek van mijn moraal

Mijn angst betreft zonder uitzondering

Zij die zich verenigen

Ten einde iets na te streven

Dat zinloos is

Buiten elke zinnige proportie

En altijd voorzien van het brandmerk der krankzinnigheid

Die leidt tot nieuwe frisse vlaggen

Nieuwe familiewapens

Niets

Zelfverloochening


1


Mijn meningen bevinden zich

Zonder uitzondering

In het niemandsland

Tussen generale kennis en totale onwetendheid


De onwetendheid

O jawel

De bron van alle kwaad

Aan welke ik mij ongewild laven moet

Om toch maar iets als een mening te bezitten

Anders bezit ik niets







2


Mijn beweringen dan

Geef ik het aroma van kennis mee

In de ijdele gedachte

Dat niemand mij zal doorzien

Wetende tegelijkertijd dat mijn zuiverste ik

Immer haarfijn mijn veile bedoelingen doorziet

En daar ook immer heftig gewag van maakt

Juist als ik slapen wil gaan

Over Geluk En Ongeluk


1


Gebrekkig als ik onderwezen ben in het verkrijgen van geluk

Ben ik onbreekbaar in het ontvangen van elke tegenslag

Nooit heb ik tijd besteed aan de wensen van mijn verlangens

Aangezien zij mij nimmer de kern van hun begeerte

Openbaarden

Al hetgeen ik nu bezit is meer dan ik ooit heb durven dromen


Des te minder ik krijg des te meer is het mij genoeg

Daarin heb ik een vorm van geluk ontwikkeld

Onmogelijk is geluk voor wie te veel bezit

Mijn geluk echter groeit in wat ik niet bezit


Ik dank de god die mijn verlangens heeft weggenomen

Een leven dat vrij is kan niet te veel bezit verdragen

Dat begrijp ik nu



2


Ik ben in staat te buigen voor koningen en bedelaars

Zonder mijn waardigheid te verliezen


Wanneer ik blootgesteld word aan met wie ik niet wil zijn

Trek ik mij terug in mijzelf

Zonder mij geweld aan te doen


Ik bezit niets

Wil ook niets bezitten

Verlangens zijn voor dwazen

Het Zuiverste


1


De Waarheid

Die overigens dezelfde Waarheid is als de absolute Waarheid

Ligt ver buiten mijn bereik

Nimmer heb ik geweten wat Waarheid wezenlijk is

Een verzinsel wellicht

Een droom die ik mij heb voorgesteld

Bij gebrek aan middelen om mijn waarheden te staven


De Waarheid pretentieus als altijd

Alsook

In mijn ogen

Nodeloos arrogant

Kan het

Onmogelijk laten mij te wijzen op mijn onvolkomenheden

Terwijl ik louter uit onvolkomenheden ben samengesteld



2


De zelfgenoegzaamheid

De minzame toon waarop de waarheid

Mij telkens

En telkens weer

Weer op de hoogte schijnt te moeten stellen

Van mijn aangeboren onvermogen

Heeft de grip op mij volledig verloren

De leugens die de Waarheid

Zonder ophouden over mij verspreidt

Doen mij heden ten dage niet veel meer

Wanneer ik mij buig over mijzelf

Zie ik niets dan goede bedoelingen



3


Zonder uitzondering nagezeten door de Waarheid

Die mij iets geheel anders wil laten zien

En ik

Ik buig niet meer

Hetgeen de Waarheid brengt tot een zekere razernij

Die mij leven doet

Als nooit te voor

Lament


In werkelijk groot gevaar heb ik nooit verkeerd

Ik leid slechts aan zwaarmoedigheid

Een staand begrip onder de terneergeslagenen


Ik feite ben ik vergeten wie ik was

Maar ik zal herstellen

Juist voor degene die mij eens kende

Zoals ik was

Die samen met mij verdween

Die op een smal pad naar de horizon in dichte mist

(En regen)

Voor het laatst zijn gezien


Ik besefte dat niets anders mij te doen stond

Dan het oplossen van de zware nevel

Die mijn uitzicht te lang al zo hinderlijk te storen wist

Ten einde iets van mijzelf terug te vinden

Na Het Boodschappen Doen


1


De ferme grip op mijzelf is verloren gegaan

Al mijn verliezen dienaangaande

Hebben mij in grote nood gebracht

Ik heb meer gesproken dan ik wilde

Ik kon mij niet beheersen

Een zwakte van de eerste orde

Als bekend


Ik sprak wanneer ik zwijgen moest

Ik zweeg wanneer ik spreken moest


Ik heb mij van mijzelf vervreemd

Wakker zijnde in dromen

Die ik nooit heb gedroomd




2


In die ongekende helderheid zag ik

Een vrouw boodschappen doen

In de buurtwinkel hier even verderop

Zij rekende af

Zoals iedereen pleegt te doen


De vrouw ging naar huis

De tas in haar rechterhand


Thuisgekomen opende ik de deur voor haar

Zij plaatste de boodschappen in de kleine hal

Schonk zich een oude jenever in

Zette zich aan tafel

En begon niet te huilen


Eeuwig Zal Ik Dwalen


Het verdwijnen van mensen gaat vooraf

Aan het verdwijnen van dingen

Nee zeggen is een vorm van vernietigen

Zodoende verdwijn ik hoegenaamd liever als eerste

Hetgeen laf te noemen is


Zonder dingen

Waar ik vanuit ga

Kan ik niet bestaan

Dat is wat ik begrijpen kan

Onverdraaglijke eenzaamheid


Zelden heb ik geweten wat ik geloof

Het begrip van mijn begrijpen

Is zelden de innerlijke vorm van mijn weten geweest

Ik ben de dief van mijn eigendommen

Die mij beslist niet toebehoren
















 Gedichten buiten Antipode – Mila Fertek

Zenith


1


Vandaag voelde ik mij alsof ik ontwaken ging

Ontwaken uit

Niet een droom

Noch een diepe mijmering

Een ontwaken uit het leven zelf

Zo scheen het mij toe


Het leven van alles waar

De kruidenier met zijn kleine winkel

De gestrafte in zijn cel

De moeder met haar kind in de armen

Waarde aan hecht


Mijn ontwaken deze dag verliep traag

Onwetend van wat het aanrichtte

Maakte het de ochtend lang

Grauw als gewoonlijk



2


De middag een vrijwel onmerkbaar gloren

De avond een langzaam oplichtend visioen


Ik voelde dat ik afscheid nemen ging

Of

Wellicht

Op dat moment

Al afscheid genomen had


Ik staarde uit het raam

Het was nacht

Duister voedzaam

Zacht

Ik zag het bolle licht van de lantaarnpalen

Hoorde het tsjilpen van krekels

En wat ik zag

Zag ik niet



3


Wat ik hoorde

Hoorde ik niet


Ik begreep dat ik was ontwaakt

Maar niet

Hoe dat zo gekomen was

Hoewel ik wel degelijk

Een vermoeden bezigde


Destijds


Toen mijn bewustzijn

Nog geen bewustzijn bezat



Fragment


1


Mijn toekomst zal zijn wat het nooit worden zal

Wat is zal nimmer zijn wat het is


Vandaag keek ik uit over zee vergetend dat ik uitkeek over zee

Tevens vergat ik te bewegen

Daarmee de indruk wekkend

Bij de serveerster die mij mijn koffie bracht

Dat ik uitkeek over zee

Mooi

Vindt u niet?

Vanuit een nergens waar ik nauwelijks was

Keerde ik terug

Naar de tafel in het restaurant

Naar de vriendelijke hand

Die mij de koffie serveerde

Naar de glimlach op haar gezicht




2


Ik besloot

In een fractie van een seconde

Haar onmogelijk teleur te kunnen stellen

En zei

Mijn stem dwingend tot een menselijke vorm

Het is spectaculair

Werkelijk


De serveerster knikte opgewekt

Waarop zij gewenkt werd

En mijn tafel verliet

Mij

Hetgeen mij zeer aannemelijk toescheen

In goed vertrouwen achterlatend

Terwijl ik nauwelijks begreep nog

Waar ik mij bevond



Versmelting


1


Vandaag

Altijd

Wanneer ik de mensen ontmoet

Komt

Zij

Die ik niet ben

Onweerstaanbaar

In mij geslopen


Ik

Vandaag

Altijd

Weersta haar niet

Hoe kan ik haar weerstaan!






2


In hoe zij mijn lach vervormt

Mijn stem

Mijn manifesteren

Mijn eeuwig betrachten

Heel mijn willende zijn

Haat ik haar diep

Haat ik haar niet


Ik weet dat zij is

Die ik ben


Ik ken haar schichtige oogopslag

Haar stem

Die faalt

Juist wanneer haar stem niet falen mag




3


Wanneer zij de mensen groet

Groeten zij haar vriendelijk terug

Gezien zij niet weten wie zij is


Dat zijn zenuwen

Immer onder hoogspanning staan

Haar aangename intonatie

Een gotspe


Dat weet ik allemaal

Wanneer zij

Na alle begroetingen

Zitten gaat

Aan de tafel waaraan zij altijd zit

Waar zij

Ondanks haar groeiende paniek

Meestentijds de rust hervindt



4


Die haar immer tijdelijk geneest

Hetgeen ik weet

Aangezien ik immer

Gezeten aan diezelfde tafel

Haar koffie drink



Meester Over Mijzelf


1


Meester over mijzelf zijn

Ha

Grimas

Wie wil er nu vrij zijn

Lijden wil ik

Pijn en tranen

Mijzelf eeuwig straffen

Voor de dingen die ik mij heb aangedaan

Gelukkig zijn kan ik slechts met wat ik niet kan zijn

Ik ben ongelukkig met wat ik bezit


Ik ben de meester van mijn ongeluk

De slaaf van mijn wensen

Ik ben de bron van mijn tranen

Het vuurwerk van mijn lijden





2


De zorgen die mij vreugde brengen

Zijn die welke ik niet doven kan

Vooral die buiten mijn bereik liggen

Zijn mijn grootste vreugden


Ik bezit niets dan de wil

Niet te zijn die ik ben

In het licht waarin de mensen mij zien


De mensen die ik liefheb soms

Vanwege hun

Ogenschijnlijk immer

Opgewekte existentie

In het koffiehuis waar ik vrijwel dagelijks zit

En naar ze kijk





3


Vaak zeg ik dan tegen mijzelf

Kijk daar zitten ze

Ze eten

En drinken

Ze lachen en praten


En ik zit daar alleen

Denkend aan hun ongeluk

Dat zij immer verbergen

Het is gezellig zo met elkaar toch…

Peinzend over de tragedies die hen

Ongetwijfeld

Nog treffen zullen







4


Dan denk ik

Mijmerend op zo een middag in het koffiehuis

Wie ik wil zijn

En welzeker ook

Hoe ik iets dergelijks bereiken kan


Toen

Wellicht zeker aannemelijk

Bij de genade van al mijn ongeluk

Ontspanden mijn gelaatstrekken zich


Ik voelde dat ik begon te voelen

Om te beseffen

Wie ik nooit ben geweest




Zoals Ook Ik Jou Nooit Verlaten Zal


1


De tijd die ik doorbreng met mijzelf

Is het kostbaarste dat ik bezit

Ik verveel mijzelf nooit


Dat heb ik vastgesteld


Mijn eeuwig falen

In lange stiltes beschouwen

Behoort tot mijn grootste genoegens


De reis die ik mijzelf bied

De voorname koude van de polen

De elegante hitte van de woestijnen

Doet mij immer beven van genot


Alleen zijn is het doel van mijn leven

Mijn leven dat geen doel bezit



2


Voor welke gedachte ik een onbekende god

Die in mijzelf woont uiterst dankbaar ben


Trouw ben ik slechts aan mijzelf


Om mijzelf te leren kennen

Verspil ik lachend alle uren van mijn dagen


Angst voor eenzaam zijn ken ik niet


Mijn reisgezellin versaagt nimmer

Altijd is zij aan mijn zijde


Ik ben bij je zegt zij dan

Ik ben je gids naar wijsheid

Naar begrijpen

Verlaat mij niet

Aan De Goden


1


Mijn immer voortdurende ongemak

Dat

Zonder ook maar de geringste reden denkbaar

Moeiteloos zijn weg vindt

In

En door

Mijn dagelijkse manifestaties

Is mijn natuurlijke vorm van tevredenheid

Mijn enige weg

Naar een zeker geluk


Mijn woorden zijn niet mijn taal

Het is slechts mijn wens dat zij nastreven

Zich om te zetten

In de taal die ik voor ogen heb

Hetgeen onmogelijk is

Wat ik weet



2


Alsook dat zij weten

Wat ik weet

Meer verlang ik niet


Mijn onvolmaakt zijn

Is mijn enige geluk

Mijn onvolmaaktheid is het fundament

Waaruit mijn immer broze tevredenheid

Alsook mijn angst voor het verliezen van mijn ongemak

De enige weg namelijk die ik ken

Naar in het bijzonder in mijn geval een zeker geluk

Op die gedenkwaardige dag destijds

Schitterend geboren werd


Sindsdien koester ik mijn immer voortdurend ongemak

Als het enige doel in mijn leven

Om dat leven te kunnen doorstaan

Over Leven Dood En Mijn Leugens


1


Wanneer ik lijd

Wordt dat lijden veroorzaakt

Als regel

Door een soms pijnlijk onverwacht geluk


Een aanraking

Een opbeurend woord

Van hen die zich

Vanwege mijn door hun vermeende lot

Dat ik liefheb

Bekommeren om mijn welzijn

Dat een ander welzijn is

Dan zij ooit vermoeden kunnen

Mijn welzijn

Dat

Een god zeg ik dank daarvoor

Nimmer floreert door gedachten aan wreedheid



2


Mijn welzijn

Dat door mijn eeuwig veranderend palet

Van grote en kleine leugens

Soms van vermakelijke

Soms van ontluisterende aard

In staat is tot het voeden van mijn ziel

Op de grens van het toelaatbare


Ik ben de immer koelbloedige amazone

Die haar eigen oorlogen voert

Voorzien van wapens

Gesmeed uit haar onuitputtelijk arsenaal

Van veinzen

Haar briljante onvermogen






3


Haar daden zijn gering

Echter zo gaat zij elke nieuwe dag te lijf

En net als ik

Heeft zij haar leugens lief

De leugens die onvermijdelijk zijn

In het geval men wenst te leven

Alsook in geringe mate gelukkig te zijn

In de gedachte

Dat het eens voorgoed voorbij zal zijn

Met al die leugens

Goed of slecht

Vermakelijk of stuitend

En met dat geringe geluk eveneens


Dat de vrede eindelijk getekend wordt

Universele rust

De Gelukkigen


1

Mij minder gelukkig voelen

O

Niets is minder waar


Ik ben gelukkig in het besef

Dat zij die zeggen gelukkig te zijn

Niet weten waarover zij spreken


Wie wil er gelukkig zijn

Ten koste van een ander


(Hetgeen altijd het geval is)


Niemand zullen zij roepen in koor

Zich tegelijkertijd verslikkend

In hun kreukelige geweten




2


Ik ben gelukkig in het besef

Dat ik weinig goed doe

Dat heel mijn nobele betrachten

Een keerzijde bezit

Die ik uiterst zorgvuldig

En dagelijks

Behoor te beschouwen

Zoals een welmenende god mij aanbeval

Hetgeen ik ook doe


Wanneer mijn buurman zegt

Deze morgen wanneer hij naar zijn werk gaat

En ik een wandeling aan ga vangen

Buurvrouw gaat het wel goed met u

U ziet er zo merkwaardig uit





3


Dan zeg ik dank u buurman

Dat is precies zoals ik mij voel

Merkwaardig jawel buurman

Maar ook ruimschoots voorzien van het juiste inzicht

Voor zover ik iets van juiste inzichten weet uiteraard


Dan groet ik mijn buurman

En zie nog juist zijn aangezicht dat

Onwillekeurig schijnt het mij toe

Tot een dwaas aandoende grimas vertrekt


In de lange wandeling die ik maakte

Zag ik de keerzijde van de zogenaamde zin van het leven die

Zelfs uiterst oppervlakkig bezien

Niet anders leiden kan

Dan tot de eindeloze groteske maskerade die het geworden is

Die een god zij dank daarvoor eens tot een einde komen zal



4


En ik dansend op de rand van de vulkaan

Van mijn

Ogenschijnlijk

Door mijn buurman veronderstelde

Neerdrukkende gedachten

Wandelde peinzend en dacht

Zeker te menen

Niets is zeker namelijk

Gelukkiger te zijn

Evenwichtiger

Oprechter

Niet anders dan de waarheid dienende

Dan zij

Ooit zullen zijn

(Niet mijn buurman overigens)

(Hij bezit een diepgaand geloof)

Waarvoor ik mij onmiddellijk en diep wist te schamen

Sporen Ergens In Het Landschap Van De Ziel


1


Het spoor dat ik gemaakt heb

Het spoor naar waar ik niet wilde zijn

(Zo ik destijds dacht)

Heeft mij hier gebracht


Ik

Uiteindelijk aangekomen

Kijk om mij heen

Om te zien

Dat niets lijkt op

Dat wat ik

(Destijds)

Meende te zullen gaan zien


Onwillekeurig keek ik terug

Op de vele obstakels

Die mij immer hinderden onderweg



2


Die ik niet wilde

Gezien zij

Niet anders in de zin hadden

Dan mij te laten stranden

Waar ik niet wilde zijn


Nogmaals kijk ik rond

Ik bevind mij in een kamer die ik ken

Een warme kamer

(Het is een zeer koude nacht in januari)

Het licht is zacht en aangenaam


Plotseling besef ik

Eindelijk

Wat zegeningen zijn

Ik begin ze te tellen




3


Alles onderweg

Tot nu toe

Is overwonnen

Ondergeschikt gemaakt aan mijn wil

De wil

Zonder terughoudendheid de mensen te zien

Zoals ze zijn

Wat ze aanrichten


Er vrede mee hebben

Zonder er vrede mee te hebben

Alsook

Het feit

Zo weinig genoegen in de mensen te vinden

Dat het innerlijk voelen

Van wie ik meen te zijn




4


Het is in feite onbetamelijk

Zich wentelt in welbehagen

Zich niet bekommert nog

Om de weg die de mensen gaan

Alleen haar eigen pad

Nog voor ogen heeft

En desondanks zegt

Voor altijd van de mensen te houden


Een schande mevrouw

Meneer

Ik zeg u

Werkelijk

Een schande

En dat is mijn eigen buurman

(Dat zegt mijn buurman niet)

(Nooit zal hij dat doen)

Mijn Toekomst Is Niets Dan Horizon


1


Zelden maak ik nieuwe vijanden nog

Mijn oude vijanden zie ik niet meer

Ik heb ze nooit vergeven

Zelfs toen ik ze al vergeven had

Bleef ik ze niet vergeven


Hun namen zijn ergens in mij verdwaald geraakt

Alsook mijn naam in hun

Hetgeen een zegen is

Nietszeggend als naar mijn mening

Namen zijn


Opdat mijn schaduw mij verder niet volgen kan

Heb ik het zonlicht afgezworen

Zijn de paden die ik volg vol van weinig gerucht

Niemand nog wil ik opmerkzaam maken

In stilte klaag noch jubel ik



2


Extatische uitbarstingen van vreugde

Doen mij huiveren


Diepe neerslachtigheid

Ik wil er niets van weten


Wat binnen mijn bereik ligt

Is ontstellend weinig

Een universum tegelijkertijd


En elk mysterie dat zich sober gedraagt

Verkies ik boven

Elk ander mysterie dat niet dat kenmerk bezit


Bijvoorbeeld dat van de mensen

In het koffiehuis die




3


Nadat een kolderieke persoon

(Hetgeen al door meerdere aanwezigen was opgemerkt)

(En dat had ik dan weer opgemerkt)

Het gezelschap waarin hij verkeerde

En duidelijk de animator was

Verleidde tot schaterend gelach


Een mysterie waar niets tegen uit te richten valt

Dat sober is in geen geval

Heeft weliswaar mijn aandacht

Verder echter niets

Waarnemen

Niet voelen

Zich in schemer bevinden

Slechts weergeven wat waargenomen wordt

Is wat mij drijft

Ten koste van niets

In De Droom Waarin Ik Bestond


1


Te denken met mijn gevoel

Hetgeen velen mij hebben afgeraden

(Dat laatste overigens is gelogen)

(Zelden namelijk dient iemand mij van advies)

Heeft mij hier gebracht

Waar ik nooit gedacht had te zullen zijn


Dagelijks leef ik mijn leven

Alsof ik het al heb geleefd


Mijn geheugen verwijst

Waarschijnlijk als gevolg daarvan

Naar een verbeelding van iets

Dat al lang gestorven is

Dan wel nooit heeft bestaan

Of mogelijk zal bestaan




2


Genade

Voor mij

Is het besef

Dat het een ware vreugde is

Niet te weten

Of mijn vermeende ik er morgen nog zal zijn


Wat valt er verder nog over te zeggen

Mijn verleden is

Wat mijn toekomst zal zijn

Te weten

Niets anders dan

De grote leegte uit vanwaar

Ik gekomen ben






3


Ik ben niets dan een idee van mijzelf

Zonder te weten wie ik ben

Of dat ik ben

Noch of het waar is wat ik beweer

Anderen moeten mij daar immer op wijzen

Hetgeen zij ook met zeer geringe regelmaat doen

En werkelijk ik dank hen daar warmhartig voor


Dat het zo is

Dat ik besta


Maar dan na die lichte euforie

Niet veel later

Geloof ik een en ander nauwelijks nog

Eerder

Meestentijds

Dat ik droom

Unisono


1


De dag dat ik mijzelf in vertrouwen nam

Een daad die van grote moed getuigde

Een gewone dag midden januari

Zal ik niet licht vergeten nog

Ik huiverde onmiddellijk

Nadat ik het vertrouwen in mijzelf uitgesproken had

Alsof ik lang naar dit moment had uitgezien

Naar de wensen die ik bezat

De gretigheid waarmee dat gepaard ging


Ofwel ik volg mijn lot in deze

Dacht ik

Dan wel volgt het lot mij


Ik begreep de dwaasheid van mijn bewering

De schande van gelukkig zijn

De vreugde van mijn ongeluk



2


Ik begon mijn wezen te omhangen met

Het fonkelen van mijn nieuwe vertrouweling

Voor wie ik

Even hiervoor nog

Ietwat schrikachtig leek gezien haar gulzigheid

Maar nu

Nu begrijp ik haar

Nu zij een wat bedaard is

Veel beter


Woede en mededogen

Hetgeen ik in haar opgewonden toon meende waar te nemen

Zijn bij haar immer zachtaardig van natuur

Het bladgoud van haar gedachten is het mijne besefte ik

Een nieuwe huivering trok door mij heen

En elke dag verder met haar

Is de meest memorabele van mijn leven

Ergens Tegen Het Einde Van Mijn Toekomst


1


Zoals ik de wereld mijn onvermogen

Zonder schaamte

Toon

Blijft mijn

(Ik kan niet anders)

Immer verhulde vervreemding

De enige handschoen die ik pas

Mijn lusteloosheid het droevige fort

Dat naar levenslust leiden moet


Echter


Mijn geweten lacht om alles

(Hetgeen mij pijn doet)

Ik begon te denken dat alle metaforen zinloos zijn

Aangezien metaforen niets betekenen

Noch ergens toe leiden



2


Ik kom vooruit door mijn

Hardnekkig

Stil blijven staan

Bij alle fenomenen die ik niet begrijp


Elk detail in mij

Is een gebrek

Elke mystificatie bezit

Een verborgen waarheid

Die niet bestaat


Mijn zijn is niets

Dan eeuwigheid in wording


Niet weten

Nimmer zullen weten

Is de bron van al mijn gedragingen



3


Ik acht het noodzakelijk

(Zoveel als mogelijk is)

De ogen van mijn bewustzijn te sluiten

Om in alles dat voorafging

Hetgeen ik uiterst zorgvuldig in ogenschouw neem

Te zien

Met een voor mij

Aan zekerheid grenzende zekerheid

Hoewel zekerheden mij onbekend zijn

Dat ik mij bevind

Ergens

Tegen het einde van mijn toekomst






Iemand Willen Zijn


1


Al hetgeen ik nastreef is tot mislukken gedoemd

Uiteindelijk heb ik daar enig geluk in gevonden

Onkwetsbaar geluk

Dat ik uiterst zorgvuldig bewaar in de schrijn

Van mijn immer zwak verlicht bewustzijn


De avond van de dag waarop ik besloot iemand te zijn

De helderste avond van mijn leven

Is ergens in mijn verleden zoekgeraakt


Daar

Toen

Eens

Is iets geboren

Dat ik niet voor ogen had

Iemand die ik niet wilde zijn




2


Mijn toenadering tot de anderen

De mensen

Bleek tot stilstand te zijn gekomen


Mijn gewaarwordingen

Vooral mijn reacties daarop

Dreven mij verder en verder weg

Van die ik wilde zijn


Niemand die mij iets verweet

Niemand die

Zoals zij

Overigens

Onmogelijk weten konden

Twijfel te bezitten leek





3


Aangaande de grote en kleine leugens

Betreffende mijzelf

Die ik onophoudelijk

En onweerstaanbaar

Uit moet blijven strooien


(Hoe kunnen zij ook weten?)


Mijn incoherentie

Niemand die mij daaromtrent

Eens aanspreken wil


Mijn immer krampachtige ongemak

Zij zien het niet






4


Meer aannemelijk echter

Voor mij

Is

Dat zij het niet willen zien


Er is veel herfst in mijn strevingen

Winter is aanstaande



Ergens Waar Ik Uiteindelijk Wonen Moet


Als gevolg van het verontrustende besef

Waaronder ik overigens uiterst kalm bleef

Niet langer nog instaat te zijn

Mijn weg ten goede te keren

Ontstond

Nadat ik zag wat ik in mijn geest meende te zien

Een ander besef

Dat vrijwel onhoorbaar

Echter ik nam een en ander

Evenzogoed glashelder waar

Beval mijzelf uit te dagen

Ten einde

Verandering teweeg te brengen

In dat wonderbare leven

Hetgeen ik leiden moet



Op Een Avond In Het Koffiehuis


1


Mijn verregaande onwetendheid omtrent

Als regel

In feite alles waarvan ik pretendeer iets te weten

Hetgeen ik nimmer laten kan

Die immer fatale hoogmoed

Heeft mij niets dan angst gebracht


Angst te zullen falen

Vanwege bijvoorbeeld een enkele goed gerichte vraag

(Hij had het zojuist kunnen doen)

(Maar hij stond op en ging)

De bijzondere angst mijzelf pijn te doen

Als gevolg van mijn onmacht anderen pijn te doen

Een onmacht die ik in hoge mate koester




2


De pijn die ik mijzelf toebedeel

Vanwege mijn nimmer zwijgen

(Hetgeen mij even hiervoor nog in grote moeilijkheden had

Kunnen brengen)

Mijn voorstaan op

Iemand te zijn

Die ik niet ken

Noch de kennis bezit waarvan zij gewag maakt

Heeft meestentijds tot gevolg

Dat ik

Weliswaar grimmig

Maar daarentegen immer glanzend

Spontaan om mijzelf schateren kan





3


(Niets weet hij daarvan)

(Hij heeft het koffiehuis verlaten)

(Mijn innerlijk schateren had hij ook niet kunnen zien)


Wanneer mij

Hetgeen mij regelmatig overkomt

Te binnen schiet

Dat het universum

Wat het universum ook moge zijn

Zichzelf net zo goed kent

Als ik mijzelf

Precies als deze avond overigens

Waarop ik tracht

Iets wezenlijks te ontwaren

Zie ik onmiddellijk



4


De vaststelling is ontmoedigend

Dat ik niet de ogen bezit

Die ook maar de geringste mogelijkheid bieden mijzelf te

Beschouwen als degene die ik

Een seconde geleden nog

Dacht te zijn










Olympus


1


Niet lang nog zal het duren

Eerdat ik alles vergeten zal zijn

Aangezien ik hogerop niet zijn zal

Die ik nu meen te zijn

Ik zal daar eeuwig blijven

Dat weet ik nu wel heel zeker te menen

In de toestand die men

Bij gebrek aan betere omschrijvingen

Als niet zijn betitelt

Het is een misvatting

In mijn ogen

Te veronderstellen

Waarlijk te geloven

(Zoals mijn buurman doet)

Dat er een hemel bestaat



2


Om vervolgens

Na onze vele goede daden

Die ons ten strengste werden aangeraden

Nadat wij daar zijn aangekomen

Een eeuwig leven als echt verdiend te mogen consumeren

Zonder doel

Zonder betekenis

Een verregaande ledigheid

Niet de geringste inspanning wordt nog van ons verlangd

Uitstekend te vergelijken

Zeg ik dan

Met het niet zijn

Waarnaar ik onderweg ben

Ergens naar omhoog

(Waar mijn buurman overigens niets van weten wil)

Bevroren


1


Een toekomst die mij in de war brengen zal

Heeft vooralsnog geen deel van mijn leven uitgemaakt

Hoe kan ik in de war raken van iets dat voor mij ligt


Wanneer ik het gereedschap van de reden toepas

Op elk nieuw ontsprongen heden

Zoals ik altijd heb gedaan

Hoe dan zou de toekomst mij kunnen schaden


Ik ben de houder van de glimlach

Die na elke nieuwe slag in warmte toeneemt

In feite ben ik de glimlach zelf

Die de aangedane pijn

De vernedering die daarbij hoort

Onmogelijk vergelden kan



2


De macht van mijn glimlach

Is niet te bemeten


Ik ben de soldaat

Die in stilte het hardste schreeuwen kan

De heldin van wie men later zo hoog op wist te geven

Zij gaf geen kik

Tot het laatste moment

Zij sloot vermoeid de ogen

Die zij niet nog bezat

En de glimlach

Op wat er van haar aangezicht over was

Wenste samen met haar te sterven

En zo is geschied

Naar men mij heeft verteld

Apocalyps


1


Altijd wanneer ik een mens zie in pijn gevat

Brengt mij dat verwarring

Er schuilt een boosaardigheid in

Die ik niet kennen wil

Een genoegen dat mij verontrust

Terwijl ieder willekeurig dier

Op mijn volledig mededogen vertrouwen kan

In andermans wanhoop echter

Zie ik

Mijn triomf

In wat hem overkomen is

En mij niet

Ik geniet terwijl ik huiver

De schaamte tegelijkertijd is overweldigend



2


Mijn lafheid neemt monstrueuze vormen aan

Daaropvolgend

Zonder enig verweer

Word ikzelf de mens in pijn

Mijn wanhoop reikt naar de goden

Zij verkiezen te zwijgen


Wanneer ik vernedering zie

Dat kan overal zijn

Wend ik mij af

Niet groot genoeg ben ik

In te grijpen en recht te doen

(De goden kennen mij)

(Daarom zwijgen zij)

Het pad naar omhoog




3


Kan mij niet vinden

Gelijk ik

De diepe gronden

In mijzelf

Die niet anders dan getuigen willen

Dan vreugde ten aanzien van andermans ongeluk

Die het geheim van de onmiddellijk ontstane schaamte

Weigeren prijs te geven

Mij immer achterlatend

In een land waar ik niet wonen wil

Een gegijzelde

Onrustig slapend tegen de koude rug van mijn geweten

Dat veel te menselijk is

Om mij te kunnen bevrijden

Uit de nachtmerrie waaruit ik maar niet ontwaken kan


In Aeternum


1


Het wantrouwen dat ik koester ten aanzien van degene

Die hardnekkig volhoudt mijzelf te zijn

Is van belachelijke en uiterst serieuze aard

In elk beschouwen van mijzelf

Zie ik niets dan eindeloos bedrog ten aanzien van hen die het

Goed met mij voor hebben

Daarbij immer vergetende dat ik niemand kennen wil

Die het goed met mij voorheeft


Zij dwingen mij tot een glimlach die niet van mij is

Een aanraking die van een ander is

Een zogenaamd overeenkomstige gedachte

Die ik niet met ze deel





2


Degene die volhoudt te zeggen mijzelf te zijn

Spoort mij voortdurend aan vertrouwen te hebben in goede

Bedoelingen

Die zij voor mij in het bijzonder voor ogen heeft

Werkelijk zij heeft geen idee waar goede bedoelingen toe

Leiden kunnen

Zij heeft geen idee van de wereld waarin de mensen leven

Wat zij zich voor moeten houden zich getroosten moeten

Om er doorheen te komen door dat fantastische leven van ons

Niets wil zij weten van bedrog

Noch dat ik haar nader zou willen leren kennen

Zij blijft immer kloppen op de afgebladderde haveloze deur

Van mijn ziel

Binnenkomen echter zal zij nooit

Ik wantrouw haar

Amor Fati


1


Waarheid spreken is mij altijd slecht afgegaan

Heel mijn leven heb ik slechts de waarheid gesproken die ik

Aankon

Maar nu

Nu mijn jaren beginnen te tellen

Kan ik spreken over zaken

Waarover ik vroeger zelfs niet denken durfde

O ja in mijn leven hebben vreselijke dingen plaatsgegrepen

En omdat zij zich manifesteerden in mijn geest

Zijn zij werkelijk gebeurd

Ook al is daar

Mijn getuigenis staat daar borg voor

In mijn leven van alledag

Zelden sprake van geweest



2


Alles hetgeen mij dienen kon

Bijvoorbeeld het geloof in mijzelf te behouden

Is weggevaagd

Mijn vertrouwen in de oprechtheid van anderen

Werd een bewijs van onvermogen

In mijn beoordeling van

Waar velen de mond vol van hebben

Het zogenaamd goede

Dat als vanzelf in ons mensen zitten zou

Gelogen zeg ik

Het is niet waar




Falanx


1


Mijn verbijstering inmiddels verworden tot een onwrikbaar

Weten

Laat mij zien dat krankzinnigheid slechts voor individuen is

Weggelegd


Gemeenschappelijke krankzinnigheid daarentegen is

Prijzenswaardig

Aangezien zij de individuele krankzinnigheid mogelijk maakt


Daaruit maak ik op dat de lange schaduwen van mijn

Gedachten

Zich opmaken verzet te plegen

Waarvan ik geen voorstander van ben

Welke zin schuilt er in mijn krankzinnigheid te ontkennen




2


Wanneer ik een vijand ontwaar

Ga ik onmiddellijk op zoek naar een nieuwe vijand


En opnieuw

En opnieuw

Angst is het mechaniek van mijn moraal

Mijn angst betreft zonder uitzondering

Zij die zich verenigen

Ten einde iets na te streven

Dat zinloos is

Buiten elke zinnige proportie

En altijd voorzien van het brandmerk der krankzinnigheid

Die leidt tot nieuwe frisse vlaggen

Nieuwe familiewapens

Niets

Zelfverloochening


1


Mijn meningen bevinden zich

Zonder uitzondering

In het niemandsland

Tussen generale kennis en totale onwetendheid


De onwetendheid

O jawel

De bron van alle kwaad

Aan welke ik mij ongewild laven moet

Om toch maar iets als een mening te bezitten

Anders bezit ik niets







2


Mijn beweringen dan

Geef ik het aroma van kennis mee

In de ijdele gedachte

Dat niemand mij zal doorzien

Wetende tegelijkertijd dat mijn zuiverste ik

Immer haarfijn mijn veile bedoelingen doorziet

En daar ook immer heftig gewag van maakt

Juist als ik slapen wil gaan

Over Geluk En Ongeluk


1


Gebrekkig als ik onderwezen ben in het verkrijgen van geluk

Ben ik onbreekbaar in het ontvangen van elke tegenslag

Nooit heb ik tijd besteed aan de wensen van mijn verlangens

Aangezien zij mij nimmer de kern van hun begeerte

Openbaarden

Al hetgeen ik nu bezit is meer dan ik ooit heb durven dromen


Des te minder ik krijg des te meer is het mij genoeg

Daarin heb ik een vorm van geluk ontwikkeld

Onmogelijk is geluk voor wie te veel bezit

Mijn geluk echter groeit in wat ik niet bezit


Ik dank de god die mijn verlangens heeft weggenomen

Een leven dat vrij is kan niet te veel bezit verdragen

Dat begrijp ik nu



2


Ik ben in staat te buigen voor koningen en bedelaars

Zonder mijn waardigheid te verliezen


Wanneer ik blootgesteld word aan met wie ik niet wil zijn

Trek ik mij terug in mijzelf

Zonder mij geweld aan te doen


Ik bezit niets

Wil ook niets bezitten

Verlangens zijn voor dwazen

Het Zuiverste


1


De Waarheid

Die overigens dezelfde Waarheid is als de absolute Waarheid

Ligt ver buiten mijn bereik

Nimmer heb ik geweten wat Waarheid wezenlijk is

Een verzinsel wellicht

Een droom die ik mij heb voorgesteld

Bij gebrek aan middelen om mijn waarheden te staven


De Waarheid pretentieus als altijd

Alsook

In mijn ogen

Nodeloos arrogant

Kan het

Onmogelijk laten mij te wijzen op mijn onvolkomenheden

Terwijl ik louter uit onvolkomenheden ben samengesteld



2


De zelfgenoegzaamheid

De minzame toon waarop de waarheid

Mij telkens

En telkens weer

Weer op de hoogte schijnt te moeten stellen

Van mijn aangeboren onvermogen

Heeft de grip op mij volledig verloren

De leugens die de Waarheid

Zonder ophouden over mij verspreidt

Doen mij heden ten dage niet veel meer

Wanneer ik mij buig over mijzelf

Zie ik niets dan goede bedoelingen



3


Zonder uitzondering nagezeten door de Waarheid

Die mij iets geheel anders wil laten zien

En ik

Ik buig niet meer

Hetgeen de Waarheid brengt tot een zekere razernij

Die mij leven doet

Als nooit te voor

Lament


In werkelijk groot gevaar heb ik nooit verkeerd

Ik leid slechts aan zwaarmoedigheid

Een staand begrip onder de terneergeslagenen


Ik feite ben ik vergeten wie ik was

Maar ik zal herstellen

Juist voor degene die mij eens kende

Zoals ik was

Die samen met mij verdween

Die op een smal pad naar de horizon in dichte mist

(En regen)

Voor het laatst zijn gezien


Ik besefte dat niets anders mij te doen stond

Dan het oplossen van de zware nevel

Die mijn uitzicht te lang al zo hinderlijk te storen wist

Ten einde iets van mijzelf terug te vinden

Na Het Boodschappen Doen


1


De ferme grip op mijzelf is verloren gegaan

Al mijn verliezen dienaangaande

Hebben mij in grote nood gebracht

Ik heb meer gesproken dan ik wilde

Ik kon mij niet beheersen

Een zwakte van de eerste orde

Als bekend


Ik sprak wanneer ik zwijgen moest

Ik zweeg wanneer ik spreken moest


Ik heb mij van mijzelf vervreemd

Wakker zijnde in dromen

Die ik nooit heb gedroomd




2


In die ongekende helderheid zag ik

Een vrouw boodschappen doen

In de buurtwinkel hier even verderop

Zij rekende af

Zoals iedereen pleegt te doen


De vrouw ging naar huis

De tas in haar rechterhand


Thuisgekomen opende ik de deur voor haar

Zij plaatste de boodschappen in de kleine hal

Schonk zich een oude jenever in

Zette zich aan tafel

En begon niet te huilen


Eeuwig Zal Ik Dwalen


Het verdwijnen van mensen gaat vooraf

Aan het verdwijnen van dingen

Nee zeggen is een vorm van vernietigen

Zodoende verdwijn ik hoegenaamd liever als eerste

Hetgeen laf te noemen is


Zonder dingen

Waar ik vanuit ga

Kan ik niet bestaan

Dat is wat ik begrijpen kan

Onverdraaglijke eenzaamheid


Zelden heb ik geweten wat ik geloof

Het begrip van mijn begrijpen

Is zelden de innerlijke vorm van mijn weten geweest

Ik ben de dief van mijn eigendommen

Die mij beslist niet toebehoren