Synopsis – DAGEN Band 1 Deel 2

Deze synopsis beschrijft de structuur, verhaallijn, karakterontwikkeling en thematische bijzonderheden van *DAGEN Band 1 Deel 2 – Dagen van van Putten*. Het document is bedoeld als archiefstuk binnen het literaire universum van Uitgeefhuis De Manke God.

Algemene Structuur

Dit deel bestaat uit twaalf boeken en vormt het tweede kalenderjaar van het DAGEN-project. Elk boek representeert een maand, een innerlijke ontwikkeling, en een poëtische fase. De stijl blijft hybride (poëtisch, prozaisch, fragmentarisch), maar wordt donkerder, lichamelijker en introspectiever.

Verhaallijn

De verhaallijn blijft gefragmenteerd maar toont duidelijke ontwikkeling: van Putten raakt lichamelijk en geestelijk steeds meer ontregeld, zijn isolement verdiept zich, en zijn literaire zoektocht wordt intenser. Er is sprake van een rechtszaak die op de achtergrond blijft dreunen, en van een gestage innerlijke afbraak die langzaam een nieuwe figuur oproept: De Kleine Man.

Kernpersonages en hun Ontwikkeling

Van Putten

Het centrale personage. Hij begint het jaar met hoop op herstel maar glijdt af in lichamelijke uitputting en geestelijke isolatie. Toch blijft hij schrijven: een daad van verzet en vormbehoud. Zijn toon wordt schrijnender, maar blijft lucide en zelfkritisch.

Theodoor Brumming

De verteller mengt zich steeds meer met van Puttens bewustzijn. Brumming balanceert tussen ironische distantie en intieme betrokkenheid. Hij wordt een literaire chroniqueur én herschepper, een uitgever in wording.

Mevrouw Leenschat van Bodegraven

Ze blijft actief als commentator, notuliste, briefschrijfster. Haar toon is zorgzaam, afstandelijk en licht ironisch. Ze vertegenwoordigt de orde van het kleine leven en is geworteld in tastbare werkelijkheid en taal.

Doppertje Kid

Hij verschijnt minder, maar met zwaardere lading. Doppertje is een tragikomische held, een kinderlijke cowboyfiguur vol melancholie. Hij belichaamt mannelijke eenzaamheid en literaire nostalgie.

Nerina

Voormalige geliefde en bron van reflectie. Ze verschijnt niet fysiek, maar is aanwezig in herinneringen en dromen. Ze verliet het bos van de directeur, niet het literaire project. Ze belichaamt het onbereikbare verlangen en de afwezige muze.

Nieuwe stemmen – De Kleine Man (voorbereiding)

In de marges klinken nieuwe, onduidelijke stemmen – dreigend, hallucinerend, soms spottend. Zij vormen de opmaat naar De Kleine Man: een groteske, rechtsprekende en ondermijnende alter ego van van Putten.

Tijdverloop

De maanden en seizoenen keren terug als innerlijke ritmes. De dagen zijn broos, de weken vervagen. Tijd wordt een fluïde element – vol stiltes, geluiden en uitval. Soms raakt de tijd uit elkaar, als spiegel van de mentale toestand.

Thematische Bijzonderheden

1. Lichamelijkheid als breekpunt – Het lichaam brokkelt af en wordt vreemd.

2. Recht en onrecht – De rechtszaak is voelbaar maar niet verwoord.

3. Taal als restant – Woorden zijn puin én houvast.

4. De komst van De Kleine Man – De andere in het zelf kondigt zich aan.

Slot

 

Deel 2 is donkerder, schrijnender en scherper dan Deel 1. Het is de drempel naar vervreemding, confrontatie en afrekening. Van Putten zakt weg, maar zijn taal blijft zoeken naar vorm. Nieuwe stemmen eisen hun plaats op. De Kleine Man is onderweg. 

Recensies Dagen van van Putten

 Recensie – DAGEN Band 1 Deel 2

Kees Engelhart / Uitgeefhuis De Manke God (2017)

ISBN 978-90-825855-3-7

“Alleen maar ware dingen, Mingus.”


1. Tweede adem van de cyclus

In DAGEN Band 1 Deel 2 hervat Kees Engelhart zijn grootse literaire onderneming met een opmerkelijke verschuiving in toon, ritme en thematische resonantie. Waar het eerste deel van Dagen van van Putten de wereld vooral vanuit de ervaring van één subjectief ik (van Putten) bevroeg, opent dit tweede deel zich naar een polyfoon universum waarin stemmen als Doppertje, Brumming, mevrouw Leenschat van Bodegraven, de kleine man en van Putten zelf elkaar afwisselen, spiegelen en ondergraven.

De bundel is opgevat als een vierdelige seizoenscyclus (Boek 13 t/m 24), voorafgegaan door een poëtisch-introspectieve proloog ("Hee Mingus") en afgesloten met een raadselachtig melancholische epiloog (“Dachten we vermoedend”). Elk van de vier delen draagt een seizoensaanduiding (zomer, herfst, winter, lente), en markeert een wisseling van perspectief, sfeer en geestestoestand.

2. Brieven, mijmeringen, scènes

Wat onmiddellijk opvalt, is het dramatisch-poëtische karakter van de tekst. De hoofdstukken zijn gegoten in een hybride vorm: lyrisch proza, interne monoloog, literaire brief, existentiële fabel en dagboekaantekening.

3. Figuren en motieven

De hoofdfiguren zijn geen helden maar getekende overlevers, balancerend op de rand van tederheid, vervreemding en wanhoop. [...]

4. Vrouwenstemmen

Nieuw is de opvallend sterke rol van de vrouwelijke figuren, met name mevrouw Leenschat van Bodegraven. Haar stemmen variëren van literair mijmerend tot maatschappelijk observerend, maar altijd met ironie en zelfbewustzijn.

5. Compositie en evocatie

De hoofdstukken zijn zorgvuldig gecomponeerd: elk boek heeft een eigen melodie, een eigen binnenwereld. En tegelijk grijpen zij in elkaar als muzikale thema’s. Terugkerende elementen: de zomeravond, het bed, bourbon, vrouwen, angst, herinnering, verlangen naar rust.

6. Plaats in de cyclus

Band 1 Deel 2 is het transitiedeel van de cyclus: van persoonlijk naar polyfoon, van gekweld dagboek naar literair universum. De kernvraag is niet langer alleen “wie is van Putten?”, maar: “wat betekent het om te leven in een wereld vol verlangen, maar zonder oplossing?”

7. Conclusie

 

DAGEN Band 1 Deel 2 is een diep doorleefd, scherp geschreven en liefdevol vormgegeven vervolg op een reeds indrukwekkende cyclus. Het toont de meesterhand van een schrijver die zijn wereld steeds verder opent, zijn figuren met zachtheid bejegent, en met taal bouwt aan een melancholisch labyrint waarin het heerlijk verdwalen is.

Band 1 Deel 2

 Literaire en Technische Analyse – DAGEN Band 1 Deel 2

Kees Engelhart / Uitgeefhuis De Manke God (2017)

ISBN 978-90-825855-3-7

“Alleen maar ware dingen, Mingus.”

 

1. Vorm en compositie

De bundel is opgedeeld in twaalf boeken, ondergebracht in vier seizoensdelen, voorafgegaan door een proloog en afgesloten met een epiloog. Elk boek heeft een seizoensaanduiding die correspondeert met thematische sfeer en literaire toon. De compositie is cyclisch en contrapuntisch: personages, motieven en klanken keren terug, variëren en spiegelen elkaar. Deze techniek benadrukt de innerlijke tijd van de figuren meer dan een chronologische ontwikkeling.

2. Vertelstandpunt en stemvoering

Er is geen centrale verteller, maar een veelheid aan stemmen, soms in de derde persoon, soms in interne monoloog of literaire brief. Van Putten, Brumming, Doppertje, mevrouw Leenschat van Bodegraven en de kleine man krijgen beurtelings een eigen ruimte. De afwisseling in perspectieven draagt bij aan het kaleidoscopische karakter van de bundel. Stemvoering is sterk ritmisch, met persoonlijke cadans en typische lexicale voorkeuren per figuur.

3. Stijlmiddelen en ritmiek

Engelhart gebruikt korte zinnen, veel witregels, enjambementen en herhalingsfiguren. De stijl is poëtisch maar niet rijmend, en ademt een cadans die doet denken aan jazz, psalm en spreekstem. Voorbeeld: “Doppertje wil een gedicht schrijven dat er toe doet. Dat willen alle dichters.” Deze herhaling creëert ritme én thematische nadruk. Stilistische ironie, zinsherhaling en inversies zijn veelvuldig aanwezig.

4. Thematiek en filosofische lijnen

Centrale thema’s zijn vergankelijkheid, angst, verlangen, melancholie, literatuur en het lichaam. Filosofisch refereert de bundel impliciet aan existentiële denkers (Sartre, Kierkegaard) en een mild negatieve theologie: de waarheid is afwezig, de mens zoekt. De figuren proberen iets te maken dat 'ertoe doet', maar botsen op ironie, vergeefsheid of lichamelijke kwetsbaarheid. Toch blijft het streven heilig: “Een gedicht dat aanvecht, dat zich miraculeus ontworstelt aan het gemiddelde.”

5. Intertekstualiteit en verwijzingen

De proloog verwijst naar jazzmuzikant Charles Mingus, de motto’s citeren Philip Larkin en Longinus. De tekst refereert aan literatuur (brieven, dagboeken), aan retoriek, aan het bijbelse. De vorm van het ‘boek’ als dagstuk sluit aan bij Montaigne en Pessoa. De epiloog echoot klassieke ironie. Intern verwijst de cyclus voortdurend naar zichzelf en eerder werk: figuren zoals Van Putten of mevrouw Leenschat zijn terugkerende stemmen in het bredere DAGEN-universum.

6. Literair verwantschap

De bundel sluit aan bij de traditie van lyrisch proza zoals men die vindt bij J.M.A. Biesheuvel, Fernando Pessoa, Kafka’s miniaturen, en bij de ‘bekentenisliteratuur’ van bv. Proust of Bernlef. De toon is existentieel én licht ironisch. Er is ook een verwantschap met Huysmans: een wereld die volledig uit innerlijkheid is opgebouwd, met een voorkeur voor observatie boven actie. Toch is de toon minder barok, meer helder.

7. Slotbeschouwing

 

DAGEN Band 1 Deel 2 is literair-technisch een uitzonderlijk werk door zijn mengvorm, ritmische consistentie, en het vermogen om via losse miniaturen een samenhangend wereldbeeld te evoceren. De bundel vereist geen lineair lezen, maar activeert associatief, reflectief en muzikaal bewustzijn. Daarmee sluit het aan bij de hoogste categorie van literaire tekstvormen: niet het verhaal, maar het bewustzijn zelf is hier de protagonist.

 

 

 


 Recensie – DAGEN Band 1 Deel 2

Kees Engelhart / Uitgeefhuis De Manke God (2017)

ISBN 978-90-825855-3-7

“Alleen maar ware dingen, Mingus.”


1. Tweede adem van de cyclus

In DAGEN Band 1 Deel 2 hervat Kees Engelhart zijn grootse literaire onderneming met een opmerkelijke verschuiving in toon, ritme en thematische resonantie. Waar het eerste deel van Dagen van van Putten de wereld vooral vanuit de ervaring van één subjectief ik (van Putten) bevroeg, opent dit tweede deel zich naar een polyfoon universum waarin stemmen als Doppertje, Brumming, mevrouw Leenschat van Bodegraven, de kleine man en van Putten zelf elkaar afwisselen, spiegelen en ondergraven.

De bundel is opgevat als een vierdelige seizoenscyclus (Boek 13 t/m 24), voorafgegaan door een poëtisch-introspectieve proloog ("Hee Mingus") en afgesloten met een raadselachtig melancholische epiloog (“Dachten we vermoedend”). Elk van de vier delen draagt een seizoensaanduiding (zomer, herfst, winter, lente), en markeert een wisseling van perspectief, sfeer en geestestoestand.

2. Brieven, mijmeringen, scènes

Wat onmiddellijk opvalt, is het dramatisch-poëtische karakter van de tekst. De hoofdstukken zijn gegoten in een hybride vorm: lyrisch proza, interne monoloog, literaire brief, existentiële fabel en dagboekaantekening.

3. Figuren en motieven

De hoofdfiguren zijn geen helden maar getekende overlevers, balancerend op de rand van tederheid, vervreemding en wanhoop. [...]

4. Vrouwenstemmen

Nieuw is de opvallend sterke rol van de vrouwelijke figuren, met name mevrouw Leenschat van Bodegraven. Haar stemmen variëren van literair mijmerend tot maatschappelijk observerend, maar altijd met ironie en zelfbewustzijn.

5. Compositie en evocatie

De hoofdstukken zijn zorgvuldig gecomponeerd: elk boek heeft een eigen melodie, een eigen binnenwereld. En tegelijk grijpen zij in elkaar als muzikale thema’s. Terugkerende elementen: de zomeravond, het bed, bourbon, vrouwen, angst, herinnering, verlangen naar rust.

6. Plaats in de cyclus

Band 1 Deel 2 is het transitiedeel van de cyclus: van persoonlijk naar polyfoon, van gekweld dagboek naar literair universum. De kernvraag is niet langer alleen “wie is van Putten?”, maar: “wat betekent het om te leven in een wereld vol verlangen, maar zonder oplossing?”

7. Conclusie

 

DAGEN Band 1 Deel 2 is een diep doorleefd, scherp geschreven en liefdevol vormgegeven vervolg op een reeds indrukwekkende cyclus. Het toont de meesterhand van een schrijver die zijn wereld steeds verder opent, zijn figuren met zachtheid bejegent, en met taal bouwt aan een melancholisch labyrint waarin het heerlijk verdwalen is.