De teksten zijn vaak genummerd in sequenties van één tot drie of vier delen, met een repeterende opbouw waarin opsomming, herhaling en graduele verschuivingen domineren. De stijl is plechtig, soms archaïsch, dan weer alledaags en laconiek. Ritme is belangrijker dan rijm, en regelafbreking volgt meestal de syntactische rustpunten.
De bundel bestrijkt een breed thematisch terrein:
- De banaliteit van geweld (zoals in 'Over de verhevenheid', 'Mijn initiatie', 'De kroon op het werk')
- De vervorming van geschiedenis tot parodie ('Voor volk en vaderland', 'En altijd de volgende dag vul ik de pot weer bij')
- De poëtische kracht van het groteske en absurde ('Je weet wat je te doen staat', 'Ik de god van de zwarte soep', 'Incitatus')
- De ondermijning van het verhevene door zintuiglijke of seksuele werkelijkheid ('Over goed en kwaad', 'En liefdevol dekt zij hem toe')
- De rol van fictie als bestaansrecht ('Een feitelijke visie op fictie en fantasie', 'These', 'Wonderland')
Er zijn allusies op Homerus, Caligula, Mozes, Afrikaanse stammen, geometrie, fysica, mythologie, bijbelse en historische figuren. Die worden niet toegepast ter bevestiging van canonieke verhalen, maar om de absurditeit van menselijke verhevenheid te ontmaskeren. Engelhart laat geschiedenis als theater verschijnen, vaak met de dichter als verwonderde, ironische regisseur.
De bundel hanteert een hybride vorm van poëzie, satire, filosofische overdenking en groteske parabel. Het groteske en ritueel geladen karakter van de teksten weerspiegelt een wereldbeeld waarin absurditeit en betekenis elkaar versterken. De dichter toont zich als getuige, speler én manipulator in een universum dat tegelijk tragisch en komisch is.
