Het lijkt wel of ik in een parallelle wereld tuimel. Het atelier van Nol Krentsch heeft van buiten het verweerde uiterlijk dat je eerder zou verwachten op een
door de elementen geteisterd Waddeneiland. Het is een afgelegen plek, dat wel, maar in de verte zie ik een snelweg, met een oneindige stroom aan autolichten in de mist. Het is of je letterlijk
getuige bent van de oude wereld vanuit een onaards, dromerig landschap. De stilte is anders, louterend. Wat een zeldzame plek.
Een hond begint te blaffen. Het lijkt me een Friese Stabij. Ach natuurlijk, dat moet Huib zijn. Daar komt Nol Krentsch me al tegemoet in een wollen gemorste trui,
geheel in lijn met deze vroege koele herfstochtend. Opvallend genoeg loopt hij op blote voeten in teenslippers. Hij heeft een trek op zijn gezicht die lichte tegenzin uitdrukt.
Hoi, zeg ik opeens verlegen. Ik krijg duidelijk de indruk dat ik stoor.
Was je met iets bezig?
Ik kreeg opeens de ingeving om met gips te gaan werken, lacht hij. En dan moet ik dat vasthouden, wat er ook gebeurt, door dingen op te schrijven.
En nog voor we zijn warme onderkomen betreden, zijn we al in een geanimeerd gesprek. Hoe zijn vriend Evert Koopman vanuit het hiernamaals hem nog invallen geeft,
voor de projecten waar hij mee bezig is.
Ik laat het je zo zien. Maar eerst koffie! roept hij attent.
Ik kijk rond, terwijl hij in de keuken scharrelt. Het lijkt me een man van een zekere verzameldrift en archiveer-drang. Alles is duidelijk van stickers voorzien. De stalen archiefkasten op wielen staan rondom in het vertrek met daarboven op beelden
uit rotssteen en marmer. Een enkel schilderij. De grotere beelden staan als pilaren verspreid in de ruimte. En heel gek, een enorm stuk marmer ligt stof te vergaren in een hoek,
terwijl het tegelijkertijd enorm de aandacht trekt.
Zo, je bent nog heel precies ook, zie ik, zeg ik, wijzend op de archieven.
Dat dwangmatige heb ik van mijn moeder, denk ik, zegt Nol.
Was zij dwangmatig dan?
Niet dat zij verzamelde en alles ordende of zo. Maar wel in de zin dat ze stijf stond van de zelfverzonnen wetten. Die heeft ze uit alle macht op mij proberen over
te brengen. Daar heb ik me van kleins of aan tegen proberen te verweren, door steeds mijn gezonde verstand er bij te houden.
Nu maak je me heel nieuwsgierig. Ik kreeg al de indruk van een heel specifiek moederbeeld in Dagen met Moeder. Het ging bij jou thuis niet
allemaal zo warm en vloeiend, he? Die bundel gaat dus over je eigen moeder?
Over mijn eigen moeder valt bijna niet te schrijven. Ik heb wel geput uit ervaringen met haar, maar heb het soms moeten vervangen door fantasie. Anders werd het te
extreem. Dat wilde ik niet. Het is en blijft kunst. Een schepping creëert altijd een nieuwe werkelijkheid.
Heb je daarom zo gespeeld met de vorm? De letters veranderen steeds van stijl, vorm en afstand.
Ja, dat was echt noodzakelijk. Het ging er om, dat zelfs de vormgeving precies uitdrukte, wat ik te zeggen had. Dat hoekige, onvoorspelbare en grillige, de
soms onverwachte afstand tussen de regels, dat was voor mijn gevoel volkomen in overeenstemming met de beleving van de relatie tussen mij en mijn moeder. En daarmee het leven in het
algemeen, want zoiets natuurlijk werkt door.
Een stukje eenzaamheid?
Eenzaamheid zou ik het niet willen noemen, meer een staat van permanente verwondering en daar dan alleen mee staan, ja. Hoe moet ik het zeggen? Het waarom van haar
ongeschreven wetten en oordelen niet kunnen begrijpen en tegelijkertijd geen andere bakens hebben. Daar moet je het als kind mee doen. Je jeugd overleven terwijl je zelf niet weet welke krachten
je redden en hoe.
Was het zo erg?
Het was niet uit kwaadwilligheid. Kun je een steen verwijten dat hij een steen is? Maar dat begrijp je als kind niet. Je wilt je voeden aan die steen, gezoogd
worden. Liefst nog bevestigd worden in je bestaan. Dat kon ze niet. Een totale egocentriciteit. Maar de bundel gaat eigenlijk niet over haar, maar over mijn ervaringen. Wat het met mij
deed.
Je zegt, een steen. En ik denk, beeldhouwer. Is dat wat je letterlijk probeerde? Die moeder uit steen proberen te hakken? Ronde vormen zoeken, een hart..
Dat heeft een goede vriend van me ook eens gezegd. Overdrachtelijker kan het bijna niet. Ik zelf vind het een moeilijke gedachte. Alsof je op voorhand
gestuurd wordt, in alles wat je doet. Alsof het niet iets van mijzelf is, dat beeldhouwen, maar een logisch voortvloeisel uit. Alsof je niets anders dan een gefrustreerde aap bent, die uit
boomschors een surrogaat moeder probeert te krabben. Ik weet het niet. Alles wat ik heb geprobeerd in het leven, is juist loskomen van die moeder, snap je. Alles was daar op gericht. Mijn kunst,
mijn gedichten, mijn wereldbeeld. Ik zou graag willen geloven, dat ik uiteindelijk een op zich staand individu ben. Dat ik niet alsnog volkomen beheerst word door haar vroegste invloed op
mij.
Maar voel je dan geen enkele genegenheid?
Dat is ook weer niet waar. Natuurlijk is dat er ook. Ik zie haar goede wil en dat zij zoals ik zei, zelf veel minder hand in haar gedrag heeft, dan het op het
eerste gezicht lijkt. Ik heb altijd een zekere bezorgdheid voor haar en heb haar zelfs naar hier gehaald, zodat ze dichtbij kan wonen. Dat zouden maar weinigen gedaan hebben in het licht van de
gebeurtenissen.
Dat vond je moeder natuurlijk wel fantastisch.
Ja en nee. Je moet begrijpen, dat zij niet in staat is, om van uit iemands anders zijn kant te denken. Dus voor haar is het een optelsom. Heb ik nog mijn natje en
droogje? Wat win ik en wat verlies ik. Dus dan krijg ik ook wel verwijten over verloren gegane meubels en kennissen. Maar gelukkig is ze over het algemeen tevreden. En dat is al heel
wat.
Interview Maya Lensink
Hans Puper sprak met Nol Krentsch over de dichtbundel ROOD ZWART ROOD
Karakteristieke, soms ijzingwekkende, gedichten die sterk beeldend werken door middel van een bloemrijke typografie. Het relaas van een beeldhouwer over de desastreuze relatie met zijn moeder,
die nooit werkelijk een moeder was en niet in staat bleek haar kind de meest basale vormen van interesse en affectie te geven. De zoon geeft zijn worsteling weer om in weerwil van alles, onder
het vergrootglas maar zonder wrok zijn moeder te zien voor wie zij werkelijk is. Een beangstigend en groots debuut.
Recensie door Harry Vaandrager Meander 15 november 2011
Het is geen geheim: er spartelen heel veel dichters in het literatuurmoeras, maar als ze al een uitgever bereid vinden hun schrijfsels te publiceren, dan worden die bundels vervolgens nauwelijks
verkocht. Een dichtbundel betekent voor een uitgeverij haast per definitie een verliespost. Nu is er niet veel aangenamer dan verspillen, maar daar denken de grapjassen in de Raden van Bestuur
van de concerns heel anders over.
Malaise dus. Doch niet volledig. Want, ofschoon steeds minder, richten zich toch altijd weer mensen op met passie voor de dichtkunst die een uitgeverij durven te beginnen. Zo is een paar jaar
geleden uitgeverij De Manke God geboren. Het fonds is aan het uitdijen. En de publicerende dichters wekken de indruk poëticale familie van elkaar te zijn.
Dichters als bijvoorbeeld Fabian de Sackenay en Kees Engelhart hebben er prachtige bundels doen laten verschijnen. Van laatst genoemde heeft Roel Weerheijm De Verloofde van Meester recent voor Meander besproken.
En dan is er nu het debuut van Nol Krentsch: Dagen met
Moeder.
Wat direct bij het doorbladeren van Dagen met
Moeder opvalt, is het spel met de typografie. Het verspringen van tekstblokjes en het aanwenden van verschillende corpsen lijkt me niet loos van betekenis. Krentsch verbeeldt daarmee
zijn verwarring. Die verwarring heeft een existentiële geaardheid. Namelijk de (wan)verhouding Moeder versus de dichter; of beter gezegd protagonist. Want de bundel heeft een
sterk narratief karakter.
De protagonist is in gevecht met de wereld en lijdt aan het leven. Hij schuwt de strijd niet:
Door trap en schop en slaag van taal
Sloeg ik mijn anonieme vleugels uit
zoekt het zelfs op:
Meer bezocht ik de steile kliffen wit en van een
Adembenemende diepte onder mij tot bloedens toe.
Hij begaat dan ook gruwelijkheden. Maakt dingen kapot. Sloopt. Vecht.
Zonder geweten dat je vaak zo lastig valt.
En de opponent, dat laat zich raden, is de moeder. Zij wordt overigens niet vaak als zodanig aangeduid. Soms heeft ze de gedaante van ‘vrouw’, soms ‘meisje’. En waarom? Misschien omdat hij vindt,
om met Cioran te spreken, dat ‘geboren zijn is ongemak’.
Maar op waarom-vragen krijgen we nooit een afdoende antwoord. Gelukkig maar. Kunnen de lezers zelf proberen een antwoord te vinden. Dat velen moeten gaan zoeken, dat valt aan te bevelen.
Er is al
hier en daar geschreven over het ‘poëtisch universum’ van dichter en uitgever Kees Engelhart. Over hoe hij een netwerk van heteroniemen heeft gebouwd, met zijn uitgeverij De Manke God als
thuisbasis, om alle aspecten van zijn zeer productieve dichterschap te kunnen uiten en tonen. Daarom is het misschien interessant om bij een nieuwe bundel uit zijn ‘stal’, in dit
geval Dagen met moeder, gepubliceerd onder de naam Nol Krentsch (werk van Krentsch verscheen eerder hier, hier en hier op
Hanta).
Het is weer een beetje voorbij, maar er was een tijd dat er binnen het poëziewereldje steeds geroepen werd om ‘gevaarlijke poëzie’, om poëzie waarbij ‘de dichter zichzelf op het spel’ zette.
Mensen die daar van houden kunnen in Dagen met moeder hun hart ophalen. Engelhart (want tot nader order kunnen we denk ik gewoon aannemen
dat hij de auteur van alle Manke God-bundels is) heeft zich zo diep ingeleefd in de hersenkronkels van Nol Krentsch, een man van, aan het portret op het achterplat te zien, in de
dertig, die in deze bundel de problematische verhouding met zijn moeder analyseert, dat het inderdaad af en toe eng wordt.
In lange, zwalkende gedichten die zijn vormgeven met veel inspringingen, verschillende lettertypes en vetgedrukte regels stort Krentsch zijn woede, zelfhaat en verwrongen moederliefde over
ons uit. ‘Je hebt moeder nooit gehaat / Maar wel was zij iets waar je zo snel mogelijk / Vanaf wilde / Een veel te warme pels / Die afgeworpen moest’.
Hier lijkt een poèt maudite aan het woord. Iemand bewust het geregelde, het goede achter zich laat om zich in het verderf te storten en te
wentelen in zijn eigen slechtheid. ‘Satanskind’ en ‘Want nog veel slechter wilde ik worden’, twee gedichttitels uit het begin van de bundel, zijn wat dat betreft een teken aan de wand. Het is
dus ook bij nader inzien maar de vraag in hoeverre de moeder uit deze bundel schuld heeft aan de slechtheid en het verderf van haar zoon, hoewel een deel van zijn agressie zich toch duidelijk
tegen haar richt.
Het komt ook allemaal niet echt goed aan het eind. De hoofdpersoon raakt dan wel door zijn ‘wilde’ tijd met drank en vrouwen heen, maar blijft zitten met permanente emotionele schade. In het
slotgedicht, ‘Zonder een geweten dat je zo vaak lastig valt’ heet het: ‘Wat men noemt / Vreugde / Verdriet / Belachelijke zaken / Nee / Dan moorddadigheid / Dat is pas iets’.
Dat is goed verknipt. Maar de grote zwakte van Dagen met moeder is dat het niet invoelbaar wordt waar die emotionele schade precies vandaan
komt.
Wat de typografie van de bundel betreft tast ik een beetje in het duister. De teksten lijken me goed genoeg om ook ‘gewoon’ weergegeven indruk te maken. Waarom er dan gekozen is voor zo’n
excentrieke vormgeving is onduidelijk. Op mij hebben ze in ieder geval het effect dat ze iets van afstand scheppen, de nadruk leggen op het feit dat het hier gedichten, schrijfsels, betreft.
En dat is af en toe nodig want het complete gebrek aan ironie en relativering maken deze gedichten wel erg onrustbarend. De protagonist, die wordt vereenzelvigd met de auteur en die zich dus
door associatie erg makkelijk laat zien als, ik kom er toch weer op terug, (een aspect van) de persoon van Kees Engelhart, gaat volledig op in zijn gevoelens. En de gedichten zijn zo goed
geschreven dat ze de lezer ook meenemen in de onaangename gedachtenwereld van Nol Krentsch. Wie dat ook moge zijn.
De bundel *Dagen met Moeder* (2011) van Nol Krentsch is een ontluisterend, brutaal en diep ontregelend debuut dat in de archieven van De Manke God inmiddels een vroege maar wezenlijke plaats
inneemt. De 39 fragmentarische teksten, die schommelen tussen poëzie, prozagedicht en bekentenisliteratuur, geven een beklemmend portret van een zoon die zich in zijn relatie tot de moeder
beweegt tussen adoratie, afschuw, wraakfantasie en eindeloze verwarring.
Thematiek
De thematische as van de bundel draait rond het (niet-)begrijpen van een moederfiguur die almachtig lijkt in haar afwezigheid, ondoorgrondelijkheid of manipulatieve nabijheid. In het
openingsgedicht *Misplaatste JAREN* klinkt reeds het dubbele perspectief van destructie en redding:
“Vanaf dertig jaar geleden / Was het grote leed geleden / De ontsnapping bleek niet magistraal te zijn veel eerder / Medioker / Maar toch / toereikend genoeg”.
Krentsch’ alter ego laveert tussen destructieve herinnering (*sataNsKiND*, *DIE WOEDE*) en een melancholisch soort liefde (*EN ZONDER SCHAAMTE OOK IKZELF*, *HeeFt ZIJ MIJ NIet GevRaaGD NOCH IK
HaaR*). Die liefde is echter zelden oprecht zonder voorbehoud — eerder een literaire pose van verdragen en ironiseren.
Vorm en stijl
Krentsch schrijft in een vrije, ritmisch opgezette taal die vaak bewust grammaticaal slordig of typografisch grillig is, zoals in *teGeLIJKeRtIJD INeeN* of *ZONDeR eeN GeWeteN Dat Je vaaK ZO
LaStIG vaLt*. Deze typografie is geen ornament, maar ingebed in de thematiek van vervreemding, verlies van grip en het misvormd terughalen van herinnering.
De stijl varieert tussen groteske ironie (*Uit de Bunker*, waarin een man na moord op zijn vrouw “binnen twee weken” een nieuw leven begint) en existentiële ernst:
“Mijn zelfverkozen stomheid droeg ik als koningskleed”.
Krentsch hanteert een toon die tegelijk onthecht, bijtend en wanhopig is. Zijn taal is ritmisch, soms profetisch of declamatorisch (*STRAF NOEMT GOD DAT*, *Een eeuwig raadsel blijven zal het
wel*), dan weer nuchter, bijna droogkomisch.
Moederfiguur en zelfbeeld
Centraal staat een moeder die tegelijk “van een edel en koppig ras” is, maar ook de bron van onmacht en woede:
“Je reageert niet op moeder / Zoals je zou moeten doen / Maar je kunt niet anders / En Eigenlijk spijt je dat heel Erg” (*DIE WOEDE*).
Toch is deze moeder nooit een karikatuur. Ze is een kern waar de ik-figuur tegenaan blijft denken, zelfs op het graf:
“Die vrouw heb ik liefgehad / en het is lang geleden nu / Maar ik heb haar liefgehad” (*HeeFt ZIJ MIJ NIet GevRaaGD*).
Er is sprake van een onherstelbare relatie die desondanks vol is van beweging, herinnering, projectie en overlevingsdrang. In die zin functioneert de moeder als spiegel én als achtergrond voor
het zelfonderzoek van de zoon.
Poëtica en literair verwantschap
Krentsch’ werk vertoont verwantschap met de poëtica van de ontregeling, zoals we die zien bij auteurs als Peter Verhelst, Heiner Müller of Bernard Dewulf — maar ook met de verhalende waanzin van
Beckett of Thomas Bernhard. Zijn toon doet soms denken aan het geweld van Artaud, maar dan in een burgerlijke context — de keuken, het zwembad, de bijl in de halgang.
Een passage als:
“Ik gil niet meer / Dat is al een soort / Vrede” (*eN NOOit WeeROM*),
vat de gestileerde wanhoop van deze bundel perfect samen.
Slotbeschouwing
*Dagen met Moeder* is een indrukwekkende, onontkoombare tekst die zich niet laat lezen zonder gevolgen. Het is een zelfbekentenis in vermomming, een literaire exorcisme van moederbinding, schuld
en opstand. Krentsch toont zich een meester van de onvoltooide gedachte, de klemtoon op het verkeerde moment, de ironie die in wanhoop overgaat.
Wat rest is een stem die ons iets heeft toegeroepen vanaf de rand van de herinnering. En een moeder, stil op een stoel.
Uitgebreide Literaire Analyse – *Dagen met Moeder* van Nol Krentsch
Argus Moorslag | Uitgeefhuis De Manke God | 2025
1. Literaire technische analyse
De bundel *Dagen met Moeder* bestaat uit 39 vrije teksten die zich bewegen tussen poëzie, prozagedicht, miniatuur en ontboezeming. Krentsch hanteert een hybride vorm zonder vaste metrum,
strofe-indeling of narratieve opbouw. De teksten zijn geconcipieerd als flitsen van herinnering, waarin de continuïteit van het verhaal ondergeschikt is aan het affectieve ritme van de stem. De
enjambementen zijn vaak abrupt, waardoor het syntactisch geheel gefragmenteerd aanvoelt. Dit is een stijlmiddel dat inhoudelijk beantwoordt aan het subjectieve karakter van de teksten: de
herinnering keert niet lineair terug, maar fragmentarisch, associatief en pijnlijk. Elk gedicht vormt een afzonderlijke uitdrukking van een gemoedstoestand of obsessie.
3. Typografische analyse
De bundel maakt op opvallende wijze gebruik van typografie als vormelement. Hoofdletters verschijnen middenin woorden, of worden onregelmatig toegepast in titels en passages (*teGeLIJKeRtIJD
INeeN*, *ZONDeR eeN GeWeteN*). Deze visuele vervorming werkt niet als versiering, maar als uitdrukking van een verstoord bewustzijn.
De tekst lijkt zichzelf uiteen te schrijven: betekenis verplaatst zich naar de breuklijnen, naar het witte papier tussen de woorden. Soms nemen de fragmenten de vorm aan van losse zinnen die
ritmisch geladen zijn, soms van innerlijke dialogen. Interpunctie ontbreekt meestal, wat de lezer dwingt zelf betekenis te construeren.
De typografie krijgt daardoor een semantische lading: ze beeldt de onstabiele geestestoestand van de ik-figuur uit. Taal wordt hier niet gebruikt om helderheid te scheppen, maar om het haperen,
het stokken, het uitglijden van het denken zichtbaar te maken.
4. Filosofisch perspectief
*Dagen met Moeder* is doordrongen van een existentieel bewustzijn waarin de mens, geconfronteerd met zijn verleden, geen toegang meer heeft tot betekenisvolle verzoening. De teksten reflecteren
een post-kantiaans wantrouwen jegens de kenbaarheid van het Zelf: de moeder wordt niet begrepen, maar ook het ik zelf blijft voor zichzelf raadselachtig.
De gedachte van Kierkegaard – dat de mens gespleten is tussen zijn eindigheid en zijn oneindige mogelijkheid – doordesemt het werk. Ook Sartre’s opvatting van de vrijheid als vloek (de
verplichting om keuzes te maken) weerklinkt in passages waarin de ik-figuur zichzelf beschuldigt, haat, liefheeft of opnieuw probeert op te bouwen. De afwezigheid van moreel houvast maakt het
werk bij uitstek modern: de ethiek is radicaal subjectief geworden.
5. Psychologische analyse
Krentsch’ teksten zijn psychologisch geladen. Ze geven blijk van een ambivalente moederbinding, waarin liefde, afwijzing en wraakfantasieën in elkaar grijpen. Deze dynamiek kan worden
geïnterpreteerd binnen de Freudiaanse structuur als een uitgestelde oedipale strijd. De moeder is tegelijk object van affectie en bron van vernietigende onmacht.
Talloze passages getuigen van dissociatie, verdringing, woede-uitbarstingen en melancholische vereenzelviging. De zelfspreker lijkt zijn identiteit voortdurend te herscheppen uit de brokstukken
van herinnering, hetgeen aansluit bij Lacans visie op het 'gespleten subject'. De herhaling van traumatische motieven – verlatenheid, schuld, lichamelijke vernedering – duidt op een poging tot
symbolische reconstructie van het Ik via taal.
6. Theologische en mystieke lijnen
Hoewel *Dagen met Moeder* geen uitgesproken religieus werk is, kent het duidelijke theologische onderstromen. God wordt slechts sporadisch genoemd (“Godkonijnen nee / Zei ik terwijl ik zeer zeer
/ Zelden God laster”), maar de structuur van de bundel herinnert aan een biecht, een schuldbelijdenis of zelfs een passieverhaal.
De moederfiguur krijgt trekken van een almachtige oordeelsfiguur, een Matriarch die tegelijk gewroken en vergeven moet worden. Dit duale beeld sluit aan bij mystieke tradities waarin de ziel
worstelt met een paradoxaal Goddelijke Ander – zowel liefdevol als afwezig. De eindpassages, waarin sprake is van 'vrede' en 'meester der verhulling', hebben iets van een monastieke overgave. De
dood is niet tragisch, maar genadig.
2. Verwantschapsstudie
Krentsch sluit aan bij de literaire traditie van de boetedoening, de aanklacht en het existentiële zelfonderzoek. De directe verwantschap is te vinden bij schrijvers als Thomas Bernhard, die de
monologische afrekening met familie en afkomst tot esthetisch principe verhief. Ook de thematische koppeling tussen innerlijke chaos en moederfiguur doet denken aan Bernhards *Die Ursache* en
*Die Kälte*.
Daarnaast is er stilistisch verwantschap met Samuel Beckett, met name diens latere proza, waarin taal zelf uiteenvalt in fragmenten en ritmische herhalingen. Krentsch deelt Becketts obsessie met
zelfspreken, en de ervaring van een wereld waarin geen uitweg is behalve in de taal die faalt.
7. Slotbeschouwing
*Dagen met Moeder* is een tekst van radicale ontbloting. Ze ondermijnt elk idee van een coherente identiteit, en stelt in de plaats daarvan een stem die balanceert op het randje van destructie,
ironie en overleving. De moeder is in deze bundel geen persoon, maar een projectiescherm voor schuld, verlangen, haat en herinnering. De poëtische kracht schuilt niet in schoonheid, maar in de
onontkoombaarheid van het spreken zelf. Krentsch toont hoe taal, zelfs als die verwrongen, typografisch gespleten en fragmentarisch is, toch een mogelijkheid blijft tot vormgeving van innerlijke
waarheden. *Dagen met Moeder* is daarmee een werk dat blijft spoken — als een stem uit een afgesloten kamer, waar iets onverwerkelijks werd bewaard.