Het vierde deel van DAGEN vormt een opengewaaierde lappendeken van herinneringen, reflecties, scènes en stemmen. De vroegere seizoensstructuur is losgelaten; de boektitels zijn vervangen door
evocatieve bovenregels die elk een miniverhaal of gedachtegang introduceren. Dit duidt op een fase van verweving en ontbinding, waarin de personages zich voortbewegen door een wereld die hun
vormen niet langer strak afbakent. Het project raakt in deze fase aan zijn eigen grenzen én oorsprongen.
Doppertje Kid is de rode draad van het begin: in de openingshoofdstukken dwaalt hij door het huis van zijn herinnering, overdenkt hij de oeroceaan, Gulch City en zijn plek als alter ego van Van
Putten. Hij fungeert als speelse gids door het veld van verdwijnende verlangens. Hij is ouder geworden, maar zijn blik is nog steeds kind-in-de-volwassen-wereld.
Van Putten, die eerst grotendeels afwezig lijkt, duikt op in gefragmenteerde monologen waarin hij zichzelf ondervraagt over liefde, schrijverschap, opvoeding en zijn plaats in het grotere
verband. Zijn toon is zachter geworden, vermoeider ook, maar met meer inzicht. Hij schrijft weinig – of niet – en reflecteert daar uitvoerig over. Zijn moederschapstrauma komt terug, als een
onderhuidse wond die ritmisch bloedt door de tekst.
Brumming zwerft letterlijk en figuurlijk. Hij is de enige die nog naar buiten gaat, nieuwe mensen ontmoet, zich beweegt in een wereld van literaire opinie, kunstenaars en schijn. Hij is tegelijk
meer levend en meer ironisch dan ooit. In zijn confrontaties met Cesare wordt duidelijk dat zijn cynisme nu een vorm van bescherming is – tegen de leegte én tegen de troost.
De teksten zijn sterk thematisch opgebouwd: liefde, vaderschap, vaders, moeders, de loop van de dingen, het lichaam, de gebaren, de vergankelijkheid van zinnen en zinnelijkheid. Er wordt
gewandeld, gemijmerd, geschreven, geminacht, gezwegen. We zien flarden van feesten, herinneringen aan erotische verwikkelingen, gesprekken die nooit zijn uitgesproken. Het huis, de kamer, de
sigaar, het oude boek – alles fungeert als toegangspoort tot innerlijke ruimte.
In de tweede helft neemt het ritme toe: reflecties worden scherper, uitspraken stelliger. De scène “WEER DROOMT DOPPERTJE TERUG NAAR GULCH CITY” roept de kindertijd op als een niet-herroepbaar
paradijs. “SCHRIJVEN DOET VAN PUTTEN DE LAATSTE JAREN NIET VEEL” is een sleutelmoment: een zelfportret als uitgedoofde schrijver die slechts nog observeert. “EN OPNIEUW ZONDER ZIJN HULP” opent
het verlangen naar contact, zonder dat het ooit ingelost wordt.
De Epiloog – DE GOD GENADE is kalm, ritmisch en vroom in toon. Er is geen sprake van afrekening, maar van loslaten. Niet vanuit overtuiging, maar vanuit uitputting. Alles is gezegd – en toch
niets. De god “genade” komt niet als figuur, maar als ritme: een toestemming om voort te gaan, ondanks alles.
Doppertje Kid komt tot bloei als waarnemer van de wereld. Zijn kinderlijke perspectief is scherper geworden; hij is geen onschuldig jongetje meer, maar ook geen man. Hij droomt, tekent, dwaalt,
en wordt zo een spiegel voor de rest: hun verstriktheid, hun vervreemding, hun verlangen. Zijn terugkeer naar Gulch City is niet letterlijk, maar symbolisch: een thuiskomst in verlangen.
Van Putten verinnerlijkt. De publieke polemicus is verdwenen. Wat resteert is een man die praat tegen zijn vroegere zelf, tegen zijn dochter, tegen de leegte. Hij schrijft niet meer, of alleen in
zijn hoofd. Zijn verlies van taal is existentieel. Hij wordt een figuur van gestolde herinnering – tegelijk stoïcijns en ontredderd.
Brumming is in beweging, fysiek en mentaal. Hij blijft schrijven, denkt, kraakt, provoceert. Zijn literaire zelfbewustzijn is groot, maar hij herkent steeds vaker de schaduw van betekenisloosheid
achter zijn woorden. In zijn ontmoetingen met anderen toont hij zijn eenzaamheid. Hij is meer toneelspeler dan ooit – en tegelijk meer zichzelf.
Mevrouw Leenschat van Bodegraven wordt minder uitgesproken zichtbaar, maar haar gestalte blijft aanwezig als echo van ritueel en geweten. Ze bewaart het morele kader waarin de anderen zich
bewegen. Haar stijl – plechtig, getormenteerd – dringt door in de sfeer van het hele deel.
De kleine man verschijnt schaars, maar telkens met gewicht. Hij lijkt zich teruggetrokken te hebben in een sobere helderheid. Hij zegt weinig, maar wat hij zegt is kernachtig. Hij is de horzel in
het collectief: klein, precies, messcherp.
Recensie – DAGEN Band 1 Deel 4
Auteurs: Kees Engelhart en D. Kid
Tijd en setting: Zomer 2009 tot lente 2012; tuinen, bossen, kantoren, dorpen aan zee
Toonaard: Melancholisch, licht ironisch, contemplatief, stil
Stijl: Poëtisch-prozaisch, meanderend, ritmisch, zonder interpunctie, cyclisch
Thematiek en positie binnen de cyclus
DAGEN Band 1 Deel 4 vormt het sluitstuk van het eerste kwart van de twaalfdelige DAGEN-cyclus. Het is een boek van afbouw, overgang en verstilling. Waar eerdere delen nog gekenmerkt werden door conflict, satire, literaire polemiek en de zoektocht naar erkenning, ademt dit vierde deel een berustende toon. De centrale thematiek draait om herinnering, seizoenswisseling, innerlijke vrede, het einde van strijd, en de aanvaarding van literaire afzondering.
Stilistische en vormtechnische kenmerken
De stijl blijft trouw aan de unieke vormtaal van de cyclus: zonder interpunctie, herhaling van naamvallen, cyclische structuur, zintuiglijk detail en vertraagde betekenis. Elk stijlmiddel ondersteunt het thematische streven naar verstilling, vertraging en bezwering.
Personages en hun ontwikkeling
Brumming keert zich naar het ambacht, Van Putten hervindt rust, Doppertje blijft dolend, Leenschat mijmert met kalme ironie, en De Kleine Man schrijft met ascetische discipline. Allen zoeken naar vrede en acceptatie, ieder in een eigen vorm.
Literaire en intertekstuele sporen
Verwijzingen naar Claude Simon, Handke, Pavese, Walser, Duras en Celan doorkruisen het werk impliciet. De stijl is verwant aan modernistische en laatmoderne beschouwers van tijd, taal en verval.
Epiloog als climax
De figuur van De Manke God verschijnt als literaire, religieuze en smidse metafoor. De cyclus benoemt zichzelf en sluit symbolisch het eerste kwart.
Beoordeling
Een meesterlijk afgerond kwart. Het werk straalt rust uit — en juist daardoor kracht. De taal meandert, maar zonder verspilling. De personages zijn niet verlost, maar hebben hun strijd ondergebracht in rituelen. Een literaire herfst, in de beste zin van het woord.
