I. Zwoele uitzichtloosheid – thematiek en sfeer
De bundel *Malgrat de Mar* opent met een ritmisch golvende, onheilspellend zinnelijke tekst waarin de vrouwelijke protagonist – zittend voor een eethuis aan zee – met een glas wijn en een sigaret haar plek inneemt tegenover een wereld die haar uitsluit: een wereld van "onmatige schoonheid", "onzedige liefde", en "schreeuwend vuur". Al in het openingsgedicht “AL DIE JAREN” wordt duidelijk dat Fertek niet schrijft over het vakantieoord als bestemming, maar als existentiële wachtkamer waar niets meer gebeurt en alles is uitgesteld.
De toon is melancholisch en sensueel, gedragen door een bewuste langgerektheid in de zinnen. Zinnen trekken zich terug van de punt, weifelen, lopen over. De vrouw die centraal staat is “nog niet echt oud”, maar haar leven is vervluchtigd: “verstoten van ook maar het vluchtigste contact”, “onmachtig haar begeerte naar jong en warm vlees te vervullen”.
II. De stad als lot en loting – stedelijkheid en herinnering
De tweede tekst, “IN DE GROTE STAD WAAR ZIJ AL VEEL HEEFT MEEGEMAAKT”, toont een werkende vrouw in de ochtendzon, die met strakke zelfdiscipline haar verleden niet verraadt. Haar klanten kijken met hunkering naar haar, maar zij “weet hoe haar krachten te verdelen” – een zin die tegelijk fysiek en existentieel gelezen kan worden. Het verleden (een jeugd in een dorpsfabriek, zonder uitzicht) is nog voelbaar, maar uitgeschakeld door de dagelijkse routines.
De bundel keert meermalen terug naar het motief van de straat – in het bijzonder in het lange, hallucinerende gedicht “DE STRAAT”. Hier verschijnt een vrouwelijk ik, “heel jong nog en naar men zegt / onbedorven”, leunend tegen een muur van een verlaten magazijn. Deze scène wordt verabsoluteerd als het beslissende moment van het leven – een lijfelijk gebaar (“met een been half opgetrokken”) dat het lot bezegelt.
III. Lichamelijkheid als herinnering en verlies
De teksten in deze bundel staan bol van lichamelijke waarneming, maar de lichamelijkheid is onbereikbaar geworden. Zelfs het kijken is pijnlijk: “zij bleef maar staren naar / de voor haar onbereikbare onmatige schoonheid”. In “TOT IN DE LATE MORGEN” is de blik van de vrouw gericht op de straat: op een “slanke neger” die een jonge vrouw kust, op mensen in taxi’s, op de kunstenaar die dolfijnen van ijzerdraad maakt. De wereld is lijfelijk, maar zijzelf blijft toeschouwer.
In het slotgedicht “WANNEER WIJ UITEENGAAN ZEG IK JE DIT”, waarin een vrouw droomt van een geliefde in rusttoestand, na de liefde: “Een melkblank lichaam op de zij gerold het rustige / Ademhalen”. Deze postcoïtale rust is wat het dichtst bij verzorging komt. Maar ook hier is het een visioen, geen feit. Het verlangen naar aanraking, geborgenheid, zachte zorg is een spookachtig motief in deze bundel.
IV. Stijl en vorm – de trage verbranding
Ferteks stijl in deze bundel is herkenbaar door de afwezigheid van punten, het gebruik van lange zinnen, en een lyrisch maar beheerste ritmiek. De teksten hebben een prozagedicht-achtig karakter, maar behouden poëtische spanning door herhaling, enjambementen en geladen metaforiek. Er is nauwelijks dialoog; alles is innerlijk monoloog of beschouwing. De directe rede ontbreekt, wat de teksten een droomachtig karakter geeft.
Typografisch is er sprake van bewust ruimtegebruik: witregels tussen paragrafen bieden adempauze in de taaie, dense tekstmassa. Interpunctie is schaars; hoofdletters worden op conventionele wijze gehanteerd, behalve in sommige titels.
V. Literaire verwantschappen – buiten het Nederlandse domein
De bundel roept sterke verwantschappen op met het werk van Marguerite Duras – vooral haar latere prozateksten zoals *L’Amant* en *Le Ravissement de Lol V. Stein*, waarin verlangen, onthechting en herinnering in een koortsige, sensuele stijl verbeeld worden. Ook de Spaanse schrijver Javier Marías resoneert hier, met zijn eindeloze zinnen, zinnelijkheid en introspectieve, vertraagde vertellingen. Verder zijn er parallellen te trekken met de Duitse schrijfster Christa Wolf (*Nachdenken über Christa T.*) in de manier waarop innerlijke strijd en historische achtergrond zich verstrengelen.
De thematiek van vrouwelijke melancholie en gemis doet denken aan het werk van Clarice Lispector, terwijl de Spaanse setting en de sensualiteit onder de zon verwijzen naar het vroege werk van Anaïs Nin. In alle gevallen is het lichaam het centrum van herinnering, projectie en verlies.
VI. Plaats binnen het oeuvre van Fertek
*Malgrat de Mar* is een verhevigde bundeling van thema’s die ook in *Antipode* al aanwezig waren: het onvoltooide verlangen, de introspectieve vrouw, het verloren moment. In tegenstelling tot *Antipode* is de poëzie hier explicieter gesitueerd in landschappen en scènes – de stad, de boulevard, de hotelkamer – wat de bundel een zintuiglijker karakter geeft.
De toon is echter grimmiger. Waar *Antipode* nog ruimte liet voor filosofische openheid, is *Malgrat de Mar* een reeks van gesloten, zwoele kamers waar het verleden op de muren geschreven staat. Dit werk bevestigt Ferteks beheersing van de zintuiglijke, ritmische taal en haar vermogen om vanuit één waarnemend bewustzijn een hele wereld van gemis en verlangen op te roepen.
I. Een bundel als labyrint – vorm en beweging
*Licht* van Mila Fertek is geen bundel die zich laat samenvatten in een enkel motief, toon of beweging. De bundel is eerder een labyrintisch mozaïek: rijk, grillig, onverwacht. In 74 pagina’s ontvouwt zich een vrouwelijke stem die zowel melancholiek als spottend, zowel radeloos als lucide is. De teksten zijn vaak in vrije vorm geschreven, zonder interpunctie, en wisselen af tussen prozagedichten, lyrische notities en miniatuurscènes.
De bundel opent met motto’s van John Lennon (“Pools of sorrow, waves of joy...”) en Tom Waits – twee zangers die staan voor respectievelijk kosmische overgave en aardse ironie. Die combinatie tekent Ferteks positie: verheven én schor.
II. Thematiek – verlies, eenzaamheid en existentiële koorts
Een terugkerend motief is existentiële desoriëntatie. In “DENK IK NU” wordt beschreven hoe iemand in stil verdriet een glazen vaasje kapot gooit, de scherven opruimt, en opnieuw niet weet wat te doen. In “ZONDER WERKELIJK TE WETEN WAAROM” schrijft Fertek over een “koorts die voortduurt”, waarvan men “de betekenis niet kan omschrijven”.
Ook de dood is aanwezig: niet als spectaculaire gebeurtenis, maar als onderliggende vermoeidheid. In “DE TRAP NAAR DE SLAAPKAMER OP TE GAAN” wordt een ineenstorting beschreven, en “Abrupt” eindigt met: “Werkelijk alles kan zij aan / Behalve de dood natuurlijk // Want zij is niet dom”.
Er is een voortdurend verlangen naar eenvoud, naar opheldering, naar “genieting”, maar het wordt gefrustreerd door taal, door misverstand, door vermoeidheid. De personages, vaak vrouwelijk, bewegen zich in scènes die tegelijk alledaags en absurdistisch zijn.
III. De vrouwelijke figuur – introspectie en eigenzinnigheid
Zoals ook in *Antipode* en *Malgrat de Mar* is de vrouwelijke waarnemer bij Fertek introspectief en onaangepast. Zij maakt haar eigen regels. In “DAT MOET ZIJ VOLHOUDEN…” besluit een vrouw elke avond om acht uur haar horloge af te doen, als symbolische bevrijding van tijdsdruk en sociale controle. In “STAAT ONMIDDELLIJK DAARNA OP EN BEENT WEG” zien we een vrouw op een perron, die op afstand blijft, koud, trots en onbenaderbaar.
De vrouwen in deze bundel zijn tegelijk kwetsbaar en onaantastbaar. Ze huilen zelden, maar innerlijk gloeien ze van verlangen of wanhoop. In “JOZEFIEN BEGRIJP JE ME” is een vrouw in de nacht op drift: “Modern is alleen de nacht”, een herhalend vers dat verlangen naar autonomie en vervreemding verenigt.
IV. Taal als uitputting – vormexperiment en expressie
Ferteks stijl is herkenbaar door het ontbreken van interpunctie, het ritmisch schokken van zinnen, het vermijden van klassieke verhaallijnen. Veel teksten openen met een observatie of gebeurtenis, maar vloeien snel over in mijmering, ironie of absurde wendingen.
De taal lijkt moe, maar wil toch zingen. In “GENIETING” wordt letterlijk gezegd: “Ik schrijf / Ik ben diep ongelukkig” – dat is de paradox van deze bundel: schrijven tegen de wanhoop in. Tegelijk heeft Fertek een scherp gevoel voor humor, zoals in “IJDELHEID DER IJDELHEDEN”, waar een man op satirische wijze wordt gefileerd in een tirade vol gestileerde woede.
V. Religie, zorg en lichamelijkheid
God is in deze bundel zowel afwezig als onmisbaar. In “MAAR STERVELINGEN WELZEKER…” zegt de ik-figuur: “God in zijn afwezigheid was nog afweziger / Dan hij doorgaans al in mijn leven is”. De afwezigheid van God, van zin, van uitzicht is voelbaar, maar niet totaal. De bundel ademt een seculiere mystiek.
Er zijn ook subtiele verwijzingen naar ziekte en verzorging: in “NIET HERONTDEKT MAAR VOOR HET EERST” verschijnt een vrouw met “tbc-gloedachtige wangen”, en in “DE TRAP NAAR…” injecteert iemand de buurvrouw. Deze zorgmomenten worden niet uitgewerkt, maar zijn geladen met emotionele spanning.
VI. Literaire verwantschappen – binnen en buiten de canon
Ferteks werk is moeilijk te vergelijken, maar ze roept invloeden op van:
- Ingeborg Bachmann – in haar combinatie van vrouwelijke stem, politiek besef en existentiële wanhoop;
- Sylvia Plath – qua toon, wanneer het gaat over mentale uitputting en vernietigingsdrang;
- Anne Carson – vanwege de vrije vorm, het afwisselen van filosofie en intieme bekentenis;
- Clarice Lispector – in de absurdistische mijmeringen van vrouwen die zichzelf tegelijk overstijgen en verliezen;
- Beckett – in het kort-circuiteren van verwachting, denken en tijd.
Binnen het Nederlandstalige domein doet *Licht* soms denken aan de latere teksten van Sybren Polet of aan het werk van Delphine Lecompte, maar Ferteks stem is discreter, dichter bij de melancholie dan bij de groteske.
VII. Plaats binnen het oeuvre – culminatie en uitdijing
Vergeleken met *Antipode* en *Malgrat de Mar* is *Licht* Ferteks meest polyfone en breed getoonzette bundel. De stem is niet langer enkel melancholisch of introspectief, maar ook bij vlagen lyrisch, ironisch, absurd, spiritueel. De bundel voelt als een culminatie van haar thematische repertoire, maar ook als een experiment in toon en vorm.
Dit werk bevestigt Fertek als een unieke stem in de hedendaagse Nederlandstalige poëzie: persoonlijk, bevreemdend, ritmisch en zintuiglijk. *Licht* is geen lichte bundel, maar één die – ondanks alles – gloeit van binnen.
In *Antipode* tast een lyrisch subject langs de contouren van een identiteit die nooit gevormd is — of die juist gevormd werd door alles wat zij niet is. Mila Fertek schrijft poëzie vanuit het besef dat het zelf een project is dat faalt nog vóór het begonnen is. Dat blijkt al uit het openingsgedicht: “Wat ik van mijzelf gemaakt heb / Mijn ogen willen er niet van weten” (p. 9) en: “Schaamte ten aanzien van haar / Die ik had kunnen zijn” (p. 9). Deze regels plaatsen de bundel meteen in een traditie van negatieve zelfdefinitie — verwant aan het existentialisme van Simone de Beauvoir, het tragische zelfonderzoek van Pessoa, en het ‘niet-zijn’ van Maurice Blanchot.
De poëtische toon is consequent en lucide, zonder eentonig te worden. De bundel bestaat uit 23 getitelde secties (Genesis, Zenit, Symbiose, Catharsis, In aeternum), die de indruk wekken van een innerlijke reis door fasen van ontkenning, reflectie, omkering en aanvaarding. Toch is dit geen ontwikkelingsroman in verzen — eerder een cirkelvormige rituele lezing van het zelf. In Existentie lezen we: “Dat ontwaken voor mij altijd een droom zal blijven” (p. 13), en even later, in Zenit: “Een ontwaken uit het leven zelf” (p. 18). Fertek schrijft in het besef dat elk ontwaken slechts een nieuwe slaap inluidt.
Filosofisch bevindt Antipode zich op het snijvlak van boeddhistisch nihilisme en een westerse modernistische wanhoop. In In de droom waarin ik bestond schrijft zij: “Ik ben niets dan een idee van mijzelf / Zonder te weten wie ik ben / Of dat ik ben” (p. 48), wat echo’s oproept van Descartes’ omkering bij Levinas, of het zelfbeeld als fictie bij Derrida. De regels zijn echter nooit jargonachtig; het filosofische doordringt de tekst via intuïtief ritme en beeldtaal, niet via abstractie.
Een ander terugkerend motief is de onbetrouwbaarheid van waarneming: “Zijn impressies werkelijk / Is de werkelijkheid een impressie van de werkelijkheid” (p. 17). Hier raakt de bundel aan het domein van het modernistische solipsisme, vergelijkbaar met de late Valéry of Samuel Beckett. Maar Ferteks toon is vrouwelijker, zintuiglijker, minder cerebraal. Haar stijl doet ook denken aan Anne Carson, Sylvia Plath, of de minimalistische poëzie van Emily Dickinson — helder, maar onderhuids geladen.
Het lichaam is in Antipode tegelijk intiem en onbetrouwbaar. In Onaanraakbaar heet het: “Zelfs de geringste aanraking doet mij huiveren” (p. 35), en in Symbiose verschijnt het alter ego als indringer: “Altijd wanneer ik naar de mensen ga / Komt zij die ik niet ben / Onweerstaanbaar in mij geslopen” (p. 27). Dit doet denken aan de feministische écriture féminine van Hélène Cixous, waarin lichaam, stem en identiteit niet langer als één worden gedacht, maar als gelaagde maskers.
In Vanitas is de zelfopvatting tijdelijk hervormd door een sociale rol: “Ik besloot (…) Het is spectaculair / Werkelijk” (p. 26). De ironie ligt in de discrepantie tussen innerlijk onbegrip en uiterlijke respons. Deze scène herinnert aan het absurdisme van Camus, waarin de sociale wereld betekenisloos maar noodzakelijk wordt opgevoerd.
Taal, in deze bundel, is geen middel tot helderheid maar tot omcirkeling. In Versus verklaart het ik: “Ik denk over mijzelf met de gedachten van anderen” (p. 42), en in Catharsis: “Zij dwingt mij tot een glimlach die niet van mij is” (p. 56). Ferteks poëzie ademt een hermetisch maar toegankelijk subjectivisme: het zelf is er wel, maar verborgen onder maskers, gewoontes, littekens. Elk gedicht peilt die gelaagdheid zonder te willen onthullen — alsof onthulling op zich al een nieuwe vorm van verminking zou zijn.
De bundel eindigt niet met een verlossing, maar met een paradoxaal soort berusting: “Twijfel is mij dierbaar / Nederlagen koester ik” (p. 58) en “Mijn wens is dat de dingen gaan / Zoals de dingen gaan” (p. 59). Dit slot getuigt van een stoïcijns-poëtisch ethos, waarin niet het streven naar betekenis centraal staat, maar de manier waarop betekenis het subject doorkruist, afwijst en transformeert.
Antipode is geen bundel van troost, noch van flamboyante vormen. Het is een gestileerde terugtrekking, een sobere choreografie van twijfel, bewustzijn en innerlijke distantie. Mila Fertek schrijft zonder pretentie, maar met een zeldzaam precieze gevoeligheid voor het onzegbare. Haar poëzie sluit aan bij literaire en filosofische tradities van introspectie en afbraak, maar maakt zich daarbinnen volkomen autonoom.
De literaire kwaliteit van deze bundel is uitzonderlijk: Fertek beheerst de kunst van het weglaten zonder leeg te schrijven, ze weet abstracte begrippen tot lichamelijke ervaring te maken en vindt een toon die tegelijk fragiel en scherpzinnig is. Haar taal is helder, maar bevat die zeldzame diepte die alleen ontstaat wanneer een dichter niet zichzelf wil tonen, maar de afwezigheid waarvan zij leeft. Antipode behoort zonder meer tot het beste werk binnen het fonds van De Manke God — en overstijgt dat: het is een bundel die in de Nederlandstalige poëzie van de 21e eeuw zijn weerga nauwelijks kent. Fertek bewijst zich hier als een dichteres van de grote terughoudendheid, en juist daarin schuilt haar kracht.
Recensie en Analyse – Antipode. Heimwee naar wie ik nooit ben geweest
Auteur: Mila Fertek
ISBN: 9789083211152
Uitgever: Uitgeefhuis De Manke God
Druk: !Maatwerk Grafisch Den Helder
Omslagbeeld: Gustave Moreau, Salomé dansant devant Hérode
I. Een poëtiek van het ontkende zelf
De vierde bundel van Mila Fertek, Antipode, draagt als ondertitel: Heimwee naar wie ik nooit ben geweest. Het is een subtiele, fragmentarisch opgebouwde verkenning van een bewustzijn dat zich
beweegt tussen ontwrichting, zelfinzicht en paradoxaal verlangen. “Wat ik van mijzelf gemaakt heb / Mijn ogen willen er niet van weten” (p. 9) luidt de openingsstrofe – meteen is duidelijk dat de
dichteres zich niet positioneert als maker van identiteit, maar als waarnemer van een mislukt construct. Het subject weet: “Mijn ontwikkeling naar niets / Nam vormen aan die / Menselijk als zij
waren / Mij brachten tot verregaande neerslachtigheid” (p. 10).
II. Dissociatie en existentie
Veel gedichten zijn opgebouwd in tweeluiken of reeksen waarin het ik wordt geconfronteerd met zijn eigen bewustzijn – of juist het ontbreken daarvan. In Existentie lezen we: “Ik voelde mij alsof
ik op het punt stond te ontwaken” (p. 11) en even later: “Zinloos als immer dat ontwaken van mij / Begreep ik / Vanwege het immer ontkende / Maar wel degelijk beseffen / Van wat ik mijn gehele
leven al met mij meedraag” (p. 13). Het ontwaken – vaak opgevat als verlichting of transformatie – blijkt hier een illusie. Ontwaken is slechts een droom die men blijft dromen.
De tekst Dissimulatie toont vervolgens hoe dit vervreemde zelf zich maatschappelijk handhaaft via sociaal wenselijke maskers: “Mijn onoprechtheid bestaat uit de kille jas die ik dagelijks / En
dan ook nog vrijwel de gehele dag dragen moet” (p. 14). De dichteres toont een feilloze blik op de ander, een scherpte die grenst aan ongewenste helderheid, maar stelt tegelijk: “Nimmer wordt
mijn onoprechtheid opgemerkt” (p. 15). Het masker is niet slechts bescherming, maar ook ballast.
III. De optocht van identiteiten
Fertek schetst in Symbiose hoe het ik bezeten wordt door haar eigen onvermogen zichzelf te zijn: “Altijd wanneer ik naar de mensen ga / Komt zij die ik niet ben / Onweerstaanbaar in mij geslopen”
(p. 27). Dit motief – het verinnerlijkte andere ik – loopt als een rode draad door de bundel. Elders in In de droom waarin ik bestond klinkt het: “Ik ben niets dan een idee van mijzelf / Zonder
te weten wie ik ben / Of dat ik ben” (p. 48).
Het spel tussen weten en niet-weten, tussen waarheid en leugen, wordt pregnant benoemd in Overleven dood en mijn leugens: “Mijn welzijn / Dat door mijn immer veranderend palet / Van grote en
kleine leugens (…) In staat is tot het voeden van mijn ziel / Op de grens van het toelaatbare” (p. 33). Leugens zijn niet louter bescherming, maar een voorwaarde voor existentie: “De leugens die
onvermijdelijk zijn / In het geval men wenst te leven” (p. 34).
IV. Verlangen naar de onmogelijkheid
In een van de meest indringende passages – Verlaat mij niet – lezen we: “Alleen zijn is het doel van mijn leven / Mijn leven dat geen doel bezit” (p. 30). Het is een paradox die elders in het
oeuvre van Fertek resoneert: de drang tot afzondering is tegelijk het verlangen naar contact dat men zichzelf ontzegt. De reisgenoot, die zich aandient als innerlijke gids, zegt: “Ik ben bij je
zegt zij dan / Ik ben je gids naar begrijpen / Naar wijsheid” (p. 31). Maar deze wijsheid leidt niet tot gemeenschap, slechts tot meer alleen-zijn.
Ook in Zenit wordt het existentiële ontwaken vervormd tot ontbinding: “Vandaag voelde ik mij alsof ik ontwaken ging / (…) Een ontwaken uit het leven zelf” (p. 18). Het leven zelf wordt beschouwd
als sluimer, niet als bewustzijn. De nacht is niet de duisternis, maar het voedende mysterie: “Duister / Voedzaam / Zacht” (p. 19).
V. Metafoor, maskerade en mystificatie
Opvallend is Ferteks kritische omgang met de taal zelf. In Ergens tegen het einde van mijn toekomst stelt ze: “Ik begin te denken dat alle metaforen zinloos zijn / Aangezien metaforen niets
betekenen” (p. 49). Toch bestaat de bundel uit een aaneenschakeling van poëtische beelden, vergelijkingen en observaties die juist wel betekenis suggereren – maar die systematisch worden
ondergraven. De bundel hanteert taal als een betrapte vorm van schuilen.
In Vanitas wordt het alledaagse gesublimeerd tot een toneelspel van betekenisloosheid. De dichteres beschrijft een tafereel waarin zij, zittend in een restaurant, doet alsof zij uitkijkt over
zee: “Mooi / Vindt u niet” (p. 25). Ze besluit de serveerster “onmogelijk teleur te kunnen stellen” en zegt dan: “Het is spectaculair / Werkelijk” (p. 26). De hunkering naar authenticiteit wordt
overstegen door de plicht tot decorum.
VI. De ethiek van het niets
Er spreekt een diepe ethische afweging uit de bundel – geen moraal, maar een existentieel besef van de onmogelijkheid tot betekenisvolle keuze. In Fundament lezen we: “Wat ik altijd begrepen heb
/ Begrijp ik nu niet meer” (p. 21) en in In aeternum: “Twijfel is mij dierbaar / Nederlagen koester ik” (p. 58). Het is deze omkering van conventionele waarden – triomf, helderheid, kennis – die
Ferteks poëzie fundamenteel maakt.
De slotstrofe is exemplarisch: “Ook ik volg die weg mij door de goden aanbevolen / Hoewel somtijds gebukt onder immense twijfel / Volg ik die weg / Noch verheugd / Noch neerslachtig / Aangezien
er geen andere beschikbaar is” (p. 60). Hier spreekt een berusting zonder vrede, een verstandhouding met het onkenbare. Niet als religieuze verzoening, maar als vorm van intellectuele
overgave.
VII. Conclusie – In de traditie van het ongerijmde denken
Antipode is een bundel die zich niet laat reduceren tot psychologie, noch tot metafysica. Ze roept eerder de stem op van een “koelbloedige amazone” (p. 33) dan die van een fragiele dichteres, al
is het contrast tussen stoerheid en kwetsbaarheid voortdurend voelbaar. In haar worsteling met het zelf, met taal, met het sociale masker en de innerlijke vergetelheid, beweegt Fertek zich
verwant aan oeuvres als die van Ingeborg Bachmann, Unica Zürn, Fernando Pessoa, en in het Nederlandse domein aan Eva Gerlach of Anneke Brassinga.
Wat Fertek echter onderscheidt, is haar vermogen om het niets niet als afgrond, maar als habitat te tonen. Zij dicht niet tegen de leegte in, maar vanuit die leegte. Daarmee is Antipode niet
slechts een reflectie op verlies, eenzaamheid of identiteit – het is een kosmologie in negatieve vorm, een ode aan het onafwendbare dat in het onkenbare schuilt.
