de zon
Hè, heerlijk, die zonnestralen, denkt mevrouw Bulte. Ze ligt nog op bed, maar de zon staat al hoog aan de hemel.
Wat ben je weer lui, Stientje Bulte. Kijk, de zon eens, die laat geen dag verstek gaan. Stel je eens voor, dat de zon zou besluiten, maar wat aan te
lummelen. Wat zou er dan niet gebeuren?
Maar mevrouw Bulte ligt zo heerlijk. De hele kamer straalt iets paradijselijk uit. En dan, de zon komt gewoon even op bezoek. Als je visite krijgt,
laat je toch ook alles uit je handen vallen, om al je aandacht aan die onverwachte gast te schenken?
De zon omvat mevrouw Bulte haar gezicht met twee warme handen. Mevrouw Bulte gluurt door haar half gesloten oogleden, die rood en hel gedempt licht
doorlaten.
Zo lag ze als klein meisje ook op zolder. Haar geheugen moet indertijd digitaal een foto hebben gemaakt, want ze ziet alles nog zo voor zich. Het
houten kastje, het ijzeren ledikant, de robuuste po van pa onder het bed.
Toen had het leven al iets diep existentieels, bedenkt mevrouw Bulte, want met je ogen knipperen in de zon heeft iets van kiekeboe spelen met het
bestaan zelf. Dat een kind zoiets kan voelen. Ze weet het opeens weer precies. Er kietelde iets in haar, een gevoel van deemoed en grandeur, van vreugde en herkenning. Herkenning aan wat? Het
leven? Bloedjong was ze nog.
Dat ze nu zeventig jaar later weer precies dat gevoel kan krijgen. Alleen die zon en zij, samen op het bed. Voor iets anders is geen ruimte. Geen
herinnering, geen beeldenstroom van alles wat zij gekend heeft in haar leven. Geen kennis en geen vragen. Zoals een vingerafdruk op een vinger past haar gevoel op dat van toen. Zij speelt weer
met de zon. Vader en moeder zijn beneden aan het rommelen.
Tijdloosheid is de glimlach op het gelaat van de tijd, dicht mevrouw Bulte zo maar uit het vuistje.
Maar ach, al dat gefilosofeer trekt haar te veel in de indolentie. Daar zal mevrouw Bulte snel een stokje voor steken. Ze stapt met beide beentjes
uit bed. Ze probeert ze stevig op de grond te zetten als een olifant, die weet wat zij wil.
Zie zo. Eerst maar eens een kopje koffie maken. Ook zoiets is verrukkelijk in het menselijk bestaan. Soms heeft een mens het zo goed, dat er iets
dreigend om heen gaat hangen. Dat moet doorbroken worden met nuchterheid en vlijt. Vandaag zal ze profiteren van het mooie weer en eens de voordeur gaan soppen. Dat zal de wereld weer in de
balans trekken. Bovendien is er niets schoner dan een heldere huisvrouw. Al dat poetsen is een eigenlijk een soort vredesoffer naar de rest van de mensheid toe, bedenkt mevrouw Bulte. U zult aan
mij geen aanstoot nemen. Mevrouw Bulte voelt zich zo licht vandaag, dat ze openlijk wil getuigen van haar verbinding met allen die hun ramen zemen.
Maar ach, daar schuift een wolk voor het zonnetje. Gek, hoe dan ook meteen haar goede voornemens in de schaduw worden getrokken. Een bewolkte hemel
noopt tot binnen blijven en het ontwijken van alle roekeloosheid. Dat is gewoon de natuur. Hagedissen doen dat ook. Die zitten in kieren en gaten roerloos te wachten op de volle zon en dan pas
kunnen zij zich bewegen. Mevrouw Bulte negeert het gevoel, dat ze toch iets zou moeten doen. Ze doet het doelbewust en vol overtuiging. Vandaag is toch alles al scheef gelopen.
Morgen zal ze haar wekkertje zetten. Heel vroeg, zodat ze het ochtendgloren bewust mee kan maken. Dat maakt van de te komen dag, een ervaring als
een wonderschoon geschenk. Langzaam, heel langzaam, pakt de zon de nieuwe dag uit en je weet, dat je met het nieuwe cadeau uren lang verrukt zal spelen.
Nee, dit beeld is te mooi. Met snelle halen schrijft mevrouw Bulte een gedicht. Hier moet hoognodig over gefilosofeerd worden. Mevrouw Bulte laat de
boel de boel, gaat languit op de bank liggen en zakt weg in een koesterende slaap tot de zon ondergaat.
Loutering
‘Ja, ja, meneer, het valt soms allemaal niet mee, hè?’
Mevrouw Bulte gaat in het park naast een meneer zitten, die een beetje boosaardig met zijn armen over zijn borst gekruist zit.
‘Och,’ zegt hij en hij zwijgt.
Hij heeft een piepklein kruisje van goud in zijn revers. Christelijk, noteert mevrouw Bulte meteen. Zijn kleding is eenvoudig, maar van goed doordachte snit. Dit suggereert voor mevrouw Bulte een
vrouwelijk thuisfront. Het feit, dat hij een permanente verbeten trek op het gezicht heeft, maakt dat idee echter weer betwistbaar. Welke vrouw zou zich zijn constante minachting laten wel
gevallen. Of zou de afwijzing alleen mevrouw Bulte betreffen? Het raadsel prikkelt mevrouw Bulte dermate, dat ze de man opnieuw benadert.
‘U bent een beetje ongezeglijk vandaag. Geeft niet, hoor. Niets menselijks is mij vreemd,’ zegt mevrouw Bulte vriendelijk.
Als de man zwijgt, zegt ze: ‘Was dat niet een uitspraak van Christus?’
De man haalt zijn schouders op. ‘Welnee,’ zegt hij nors en blijft met zijn blik een jogger volgen, die voorbij rent.
‘Ja, herneemt mevrouw Bulte tegen beter weten in. ‘Ik weet weinig van de Bijbel, want ik ben na een jaar van de christelijke school gegaan, maar sommige uitspraken herinner ik me nog wel.’
‘Nou, dat is mooi,’ mompelt de man.
‘Al zijn uw zonden zo rood als scharlaken, zij zullen u vergeven worden! Dat vond ik toch zo’n diepe wijsheid!’
‘Mocht u willen.’
‘Heeft me ook wel door het leven geholpen, want wie zondigt er niet? Maar dan zei ik, Stien, al zijn je zonden zo róód als scharlaken…’
‘Ja, ja,’ zucht de man.
Mevrouw Bulte begint de man af te schrijven. Dit is een heel benepen kereltje, denkt ze. O, kijk hem maar eens goed aan.
De man neemt nu een katoenen zakdoek uit zijn zak. Tot op de millimeter gewassen en gestreken. Mevrouw Bulte krijgt visioenen van een echtpaar op de fiets. Een huis, waarin niets ontbreekt. Alles
al veertig jaar op dezelfde plek.
De man wordt steeds roder in zijn gezicht. Hij houdt de tanden stevig op elkaar en gebruikt de zakdoek om zijn voorhoofd af te wissen. Hij rochelt binnensmonds.
‘Bent u wel in orde?’ vraagt mevrouw Bulte.
De man rochelt verder, maar zwaait met zijn zakdoek. Stien begrijpt dat hij iets wil zeggen.
Als de hoestbui voorbij is, komt het er eindelijk uit: ‘Louteringsberg’, zegt hij stikkend.
‘We hebben wel een berg,’ zegt Stien twijfelend. ‘U komt uit Limburg?’
‘Welnee, ik kom van hier vlakbij,’ roept de man geïrriteerd. ‘Ik had het over de louteringsberg, de plek in het vagevuur, waar we allemaal gelouterd zullen worden.’
‘Gelouterd. Ja, meneer, dat heeft u mooi gezegd. Het leven is een loutering.’
‘Nee, niet het leven,’ roept de man nadrukkelijk.
‘Na de dood, mevrouw, dan begint het pas. Dan worden we allemaal gelouterd. In een soort hel, maar dat is nog lang niet de echte hel.’
‘Staat dat allemaal in de Bijbel?’
‘Zo ongeveer.’
Maar dat is afschuwelijk, denkt mevrouw Bulte. De schoonheid van het park krijgt opeens iets beduvelend. Al die heerlijke zuurstof, het zonlicht en de kleuren, het is niets anders, dan een soort
reclamespot voor iets wat in het geheel niet kosher is.
‘Nou, meneer, dan ga ik maar,’ zegt mevrouw Bulte. Ze staat wat wankel op en loopt vervreemd door het park van illusie. Bij de uitgang komt haar de geur van kroketten en patat tegemoet. Daar
kikkert ze wat van op.
Ach, denkt ze. Die man kent de Bijbel helemaal niet. Dat bestaat niet. Zo onmenselijk kan God niet zijn. Jezus nam zelfs de grootste zondaar op. De mensen in het park veranderen zich voor de ogen
van mevrouw Bulte in louter zondaren. Een diepe liefde welt op in haar gemoed.
Ze wil alles en iedereen in een bad van vergiffenis aan haar hart drukken. ‘Al zijn jullie zonden rood als scharlaken, hoor stakkers. Zij zullen jullie vergeven worden!’ roept mevrouw Bulte bijna
hardop.
Galeriebezoek
O, wat is mevrouw Bulte moe. Ze loopt al zo lang. Ze had gedacht, ik ga rechtsaf en dan ben ik zo thuis. Maar het is veel verder, dan ze zich herinnert en er zijn geen tramhaltes.
Geeft niet, denkt mevrouw Bulte. Ik zoek wel vigalantie, zoals die ouwe dat noemde. Ik schiet gewoon ergens naar binnen. Een café of desnoods een Chinees. Ik heb de tijd aan mezelf. En na restauratie ga ik langzaam op huis aan. Achter de brug moet toch ergens de Hortus liggen en dan ben ik er bijna.
Maar ze is in een lange pijpenla terechtgekomen. De Kerkstraat. Koffiehuizen zijn er niet. Wel een vreemd galerietje. Er staan spookachtige potloodtekeningen in de etalage.
Mevrouw Bulte duwt krachtig de deur open. Het is er klein en kerstmisachtig verlicht. Een meisje zit in het duister aan een tafeltje te knutselen. Mevrouw Bulte denkt dat het een breiwerkje is.
‘Goedendag,’ zegt mevrouw Bulte. ‘Wat een schitterende tekeningen heeft u hier. Mijn complimenten!’
Het meisje glimlacht even, maar zegt niets.
‘Mag ik even rondkijken?’
Het meisje maakt een uitnodigend gebaar. ‘Kijkt u maar gerust rond.’
Mevrouw Bultes oog valt op kleine, kleurige beeldjes die in een vitrine staan. Ze bekijkt ze van heel dichtbij, terwijl ze haar leesbril als een loep gebruikt. ‘Buitengewoon, buitengewoon,' mompelt ze.
‘Dat werk is van mij,’ zegt het meisje dat plotseling achter haar staat.
‘Nee, maar!’ Mevrouw Bulte schrikt heftig. ‘Heb jij dat gemaakt? Wat schitterend, schitterend mooi! Oh, oh, oh!’ Mevrouw Bulte werpt haar armen omhoog.
Het meisje gaat angstig een eindje van de beeldjes af staan.
Die beeldjes hebben wel iets viefs, maar van haar gaat iets doods uit, vindt mevrouw Bulte. Ze moet maar steeds het gesprek op gang houden. En ze wil dolgraag zitten.
Dat is altijd de makke met galeries, denkt mevrouw Bulte. Je weet je er nooit zo goed raad. Officieel mag je er rondneuzen, maar je voelt al gauw de uitgehongerde spanning op betalend clientèle. Ook in dit duistere geval heeft niemand iets te zoeken tenzij hij wat koopt. En mevrouw Bulte wil niks kopen.
Niet laten merken, denkt ze. Ga maar even het toneel op.
Ze wordt opeens een deftige dame in goeden doen.
'Ik ben uiterst geïnteresseerd in dit jeugdige werk,’ zegt ze met nadruk.
Het meisje glimlacht gelukkig, maar biedt geen stoel aan.
‘Heeft u misschien een pamflet met een overzicht, zodat ik het allemaal nog eens goed kan bekijken?’
Het meisje reikt welwillend een foldertje aan.
Ottelenooie, waarom laat ze me nou niet zitten. Ik breek bijna, denkt mevrouw Bulte. Zonder dat ze er bewust aan denkt, gaan haar benen richting stoel en zijgt ze zonder toestemming neer. Ze duikt zenuwachtig in de folder. De lettertjes zijn piepklein.
‘Hier is de prijslijst die er bij hoort,’ zegt het meisje terwijl ze een vel aanreikt.
Mevrouw Bulte schrikt. Tweehonderd euro is hier de laagste prijs.
‘Nou, dat zijn uiterst redelijke prijzen,’ mompelt ze.
‘Ja ah,’ stemt het meisje in.
‘Ik ben niet van hier,’ zegt mevrouw Bulte. ‘Ik kom helemaal uit de Zuiderhoek.’
‘O,’ zegt het meisje.
‘Ja, ik ben hier in Amsterdam om mijn oude nicht te bezoeken. Rosalie.‘
‘Zo,’ zegt het meisje.
‘Ja, die lijdt toch zo aan haar gal.’
Het meisje gaat ook zitten en schenkt zichzelf een beker koffie in. Mevrouw Bulte krijgt ook een kopje koffie.
Ziezo, dat was wat je noemt, jezelf redden.
‘En, loopt het een beetje?’ vraagt mevrouw Bulte vriendelijk.
‘We zijn een collectief,’ legt het meisje uit. ‘We zijn allemaal kunstenaars en passen om de beurt op de galerie. Nu, na de opening komen er weinig mensen. Maar je moet er wel zijn.’
‘Ja, kind, het kunstenaarschap draagt lijden in zich. Dat is altijd zo geweest.’
Haar vermoeide heupen beginnen zich langzaam te herstellen.
‘Maar het is wel een interessant bestaan, dat van kunstenaar,’ gaat ze verder als het meisje er niet op ingaat. ‘Ikzelf kan geen streep tekenen. Maar ik heb er wel gevoel voor. Gek, hè?’ zegt mevrouw Bulte.
‘Och,’ zegt het meisje. ‘Je hoeft geen tekenaar te zijn om kunstenaar te zijn’
‘Zou het?’ zegt mevrouw Bulte. 'Want die drang heb ik wel. Dat is weleens lastig. Mijn overleden man, een rijke herenboer uit de Zuiderhoek werd weleens boos. Hou toch op met dat gepriegel, zei hij dan. En ja, zo werd het niet gestimuleerd, hé?’
‘Kunst verzamelen is ook een leuke hobby,’ zegt het meisje.
Ze liegt, denkt mevrouw Bulte een beetje gekwetst. Die heeft die beeldjes niet gekleid. Dat bestaat niet. Daar is ze veel te lijzig voor.
‘Die kleurige beeldjes met die apengezichtjes. Ik vind ze buitengewoon,’ zegt mevrouw Bulte.
Dan schrijf ik mijn naam op en mijn telefoonnummer. Het meisje doet het uiterst precies. Ze heeft een rond, kinderlijk handschrift.
Zo, nu ben ik wel weer hersteld, denkt mevrouw Bulte.
‘Ik moet helaas weer opstappen,’ zegt ze deftig tegen het meisje. ‘Maar vandaag was het een geluksdag dat ik deze galerie zomaar vond. Ik kom hier zeker terug en dan zal ik een flinke donatie doen.’
Mevrouw Bulte staat gedecideerd op en trekt de deur open. De buitenlucht doet haar dadelijk op ademen. Ziezo, dat laatste stuk zal ze ook nog wel redden.
De Schutters
Eindelijk staat mevrouw Bulte in de vestibule van het Rijksmuseum. Wat een pracht. Ze houdt haar tas met museumkaart dicht tegen zich aan. Wat is dat toch een zegen, een museumjaarkaart. Het kost een paar lieve centen, maar dan heb je ook wat. Ze schuifelt langs een oude liefde, het poppenhuis. Zouden de jaren haar enthousiasme soms hebben getemperd? Vroeger waren historische poppenhuizen een groot geluk geweest. Ze weet nog hoe pa haar meenam naar het Frans Halsmuseum waar er een stond. Ze probeerde daarna kop en schoteltjes te maken door krijtjes uit te hollen. Ach, lieve, lieve jeugd, wat ben je snel vervlogen. En toch kan het poppenhuis haar vandaag niet boeien.
Vervreemd loopt mevrouw Bulte door de zalen. Haar benen voelen de grond nauwelijks. Ze is bang om te vallen en ze verbaast zich bij iedere stap dat ze overeind blijft. Het hier zijn geeft een immens vertrouwd gevoel en tegelijkertijd zijn die fluisteringen uit het verleden zo ongrijpbaar. Al die mensenlevens die voorbij gegaan zijn in knellende korsetten en donkere kamers. Ze schuifelt eerbiedig langs de schilderijen. Gretig leest ze bordjes, maar de teksten zijn zo summier dat ze er niet veel wijzer van wordt.
Nu komt ze een nieuwe zaal binnen, waar een kalende man wordt omringd door een groepje museum bezoekers. Het lijkt mevrouw Bulte een man die van nature uiterst zachtaardig is, maar hier boven zichzelf uitstijgt door krachtig en luid te spreken. De bezoekers luisteren dan ook aandachtig naar hem. Nu begint het pas te dagen bij mevrouw Bulte. Het is een rondleiding!
Wat een geluk! Dat is precies wat mevrouw Bulte nodig heeft om hier een beetje te aarden. Ze sluit zich discreet aan. De man vertelt over een beroemd schilderij van een ijsgezicht. Hij wijst met de schaduw van zijn hand allerlei details aan. Niemand weet precies wat de schilder bedoelt heeft, zo zegt hij, maar er zijn aanwijzingen dat alles symbool staat voor de valstrikken van het leven. Zo van denk erom, je loopt hier wel zo heerlijk rond en je schaatst wel zo zwierig en verrukt, maar eigenlijk begeef je je op glad ijs en het kan zomaar afgelopen zijn.
He, waarom moet die meneer dat steeds zeggen, denkt mevrouw Bulte wankelend, maar blijft het groepje op de voet volgen. Ze verliest zich helemaal in de verhalen van de man, die zo boeiend zijn.
'Nog heel eventjes, ik laat jullie dit nog even zien,' zegt hij steeds voor hij naar het volgende schilderij gaat, maar blijft dan altijd lange tijd spreken.
Het is wel vreemd dat het groepje zo bij elkaar blijft hokken, valt mevrouw Bulte op. Je zou toch denken dat er zich meer mensen zouden aansluiten. Nou, zij blijft wel luisteren, hoor, naar die aardige meneer en ze knikt hem vriendelijk toe. Het zal toch niet meevallen aan een stuk door te praten. De anderen staan er maar een beetje harkerig bij, vindt mevrouw Bulte. Vooral een man in een overdreven krijtpak. Het is precies een tekening van Peter van Straaten, denkt mevrouw Bulte verbaasd. Ze dacht dat van Straaten de mensen een beetje karikaturaal aanzette, maar deze man is echt zo. Zo'n een rijzige gestalte met een onverwacht dikke buik met daarover een stropdas met een enorme gouden speld, die zelfs te keurig gekleed aandoet, in deze omgeving. Mevrouw Bulte voelt dat ze zelf ook uit de toon valt. Het hele groepje is met een saus van gewichtigheid overgoten; de dames hier zijn allemaal in ongemakkelijke, zwarte rokjes gestoken. Mevrouw Bulte voelt hoe haar kreukelige jas en uitgelubberde, oude damesbroek haar onbevallig maken.
Laat je niet zenuwachtig maken, Stien, zegt ze tegen zichzelf. Alles is betrekkelijk. We leven in een andere tijd dan de aardappeleters. Nu mogen alle rangen en standen zich over het nationaal kunstbezit buigen.
De meneer die de rondleiding geeft, hamert daar eigenlijk ook op bij ieder schilderij. Heeft de schilder hier niet het vergankelijk van het aardse uit willen beelden, vraagt hij steeds. De mens richt zijn aandacht op goud en goed, maar de mooiste dingen kunnen zomaar veranderen in lompen. Zouden we niet liever wat meer spiritueel in het leven staan? Nou, nou, denkt mevrouw Bulte, zo dom waren die middeleeuwers niet!
Ook hier weer, bij een prachtig schilderij van Claasz, die citroenen op tinnen borden schilderde. Het lijkt wel of mevrouw Bulte in die kamer van destijds, persoonlijk een kijkje neemt, zo precies is het weergegeven. 'Maar die verse citroen zal vergaan en zo ook het dure brood en de wijn,' zegt de man met het Vlaamse accent vriendelijk. Mevrouw Bulte kijkt de rondleider met vochtige ogen aan, zo ontroert het haar.
Enthousiast leidt de verrukkelijke historicus de groep naar een andere zaal, maar als mevrouw Bulte hen weer wil volgen, wordt ze opeens tegengehouden door de man in het overdreven krijtpak.
'Kan ik u misschien even spreken?' vraagt hij.
'Ja, natuurlijk!' zegt mevrouw Bulte verbouwereerd. Wat zou die man nu van haar moeten? Ze zullen in haar toch geen een expert in de schilderkunst zien?
'Ik heb gezien dat u nu al twee zalen met onze groep meeloopt,' begint hij op verwijtende toon. 'En dit is een privé-rondleiding. Ik zou het zeer op prijs stellen als u zichzelf zou willen verwijderen.'
Een schok van ongeloof gaat door mevrouw Bulte. Ze voelt zich opeens als een klein meisje, dat om onverklaarbare redenen niet mee mag doen met knikkeren.
'Meneer,' zegt ze nadrukkelijk, nu de vijandige houding van de man haar in de aanval duwt; 'U lijkt precies op een tekening van Peter van Straaten!'
'Dat is goed,' zegt de man sussend. 'Maar ik zou het zeer op prijs stellen als u ergens anders wilt gaan staan.'
'Ik ben vrij,' lispelt mevrouw Bulte verbolgen. 'Ik mag gaan en staan waar ik wil.'
Maar de man is al met machtige stappen de zaal uitgebeend. Mevrouw Bulte is helemaal in de war. Dat heb je nu, als je een aftandse, oude vrouw bent. Ze trilt helemaal van binnen.
Zo zie je hoe het ijstafereel gelijk had. Als een dief in de nacht komt de storm. Nee, ze mag zich niet zo laten weg drukken! Mevrouw Bulte gaat expres op een afstandje van het groepje staan en doet of ze naar een ander schilderij staart.
Op deze afstand kan ze alles nog goed volgen. Ze gaat heel stout bij het Joodse bruidje staan. Hoewel de groep er wat van af staat, gaat de uitleg precies daar over. Maar door de zenuwen lukt het haar niet meer iets op te nemen. Het tolt mevrouw Bulte teveel. Maar ach, ze mist niks. Dit heeft ze allemaal al eens gelezen. Het gaat om de penseelstreek, die zijn tijd ver vooruit was.
'Laten we allemaal wat dichterbij het schilderij gaan staan,' zegt de rondleider.
Het krijtpak komt meteen met grote passen en een zelfingenomen glimlach haar kant op. Mevrouw Bulte schiet weg. Ze neemt verdekt plaats op de ronde, zachte bank die in het midden van de zaal staat.
'He, hè, even zitten,' fluistert een chique, zwart geklede dame haar in het oor.
'Hoort u ook bij het groepje?' fluistert mevrouw Bulte terug, met een steen in haar hart.
'Ja. We hebben een bedrijfsuitje,' zegt de zwaar opgemaakte vrouw. 'We rennen al de hele dag. Ik zelf werk niet bij het bedrijf, hoor! Mijn man werkt er sinds augustus als buitenmedewerker.' Mevrouw Bulte denkt vaag aan de plantsoenendienst. 'Computers en randapparatuur,' fluistert de vrouw.
'O,' zegt mevrouw Bulte. 'Nu, mij hebben ze zojuist weggestuurd!' Ze snuift.
'Hoe dat zo?' vraagt de dame.
'Nou, die meneer daar, die met dat streepjespak, die zei dat het een privé-aangelegenheid was. Is dat de baas?'
'O nee,' lacht de vrouw. 'Welnee, dat is de baas niet, hoor! Die doet of hij de baas is.' Mevrouw Bultes hart wordt wat rustiger, maar het meisje van Vermeer gaat er bij haar niet meer in. Ze hoort nog iets over het blauw dat indertijd kostbaarder was dan diamanten, maar het fijne ontgaat haar.
De lol is er af, maar ze schuifelt obstinaat mee naar de Nachtwacht. Die mensen van het bedrijfsuitje lijken zelf wel de schutters, denkt mevrouw Bulte verbolgen. Dit zijn gewoon de schutters die naar zichzelf kijken en het niet beseffen! Wat een farce zo een bedrijf, met van die onderlinge machtsstructuren. Gelukkig maar dat ze oud is. Anders zat zij nu misschien op kantoor. Bij die vent. Wat zou hij haar pesten! Hij staat machtig achter een blonde vrouw met zijn bolle buik en masseert haar heel intiem op haar billen. Afschuwelijk, wat zo een vrouw moet doorstaan voor een beschuitje kaviaar.
De groep luistert met gemelijke gezichten naar de uitleg over de schaduw die naar een speer leidt en een fallische betekenis heeft. Niet te geloven, hoe weinig het leven door de eeuwen heen in zijn diepste wezen veranderd is, denkt mevrouw Bulte, Peter van Straaten had dat allang door en heeft de mens net als Rembrandt in zijn zwakte meesterlijk vereeuwigd. En tot wat een inzichten in de dingen is zijzelf eigenlijk niet in staat! Mevrouw Bulte kikkert helemaal weer op van haar eigen gedachten.
Huisvrede breuk
Gerda heeft een huis, waar het stof uit zichzelf wegloopt. Een huis, dat in het menselijk bestaan een utopie is. Maar Gerda bezit er één, hoor. Mevrouw Bulte heeft het zelf mogen aanschouwen.
O, ze kent Gerda al jaren. Ze heeft nog wel op Gerda gepast, toen zij nog maar een meisje van zes was. En nu is het een vrouw, die toch ook al tegen de vijftig loopt.
Maar Gerdina heeft het best getroffen. Nou, nou, wat heeft Gerda het best. Mevrouw Bulte denkt, dat dit komt, doordat Gerda al aan haar vierde huwelijk zit. Ze woont als het ware op Drakensteyn.
Alleen de lakeien ontbreken. Mevrouw Bulte is er beduusd van. En als kind was Gerda een janker, hoor. Altijd in de contramine. Ze moet onzichtbare wapens ingezet hebben. Iets wat zich alleen aan
mannen openbaart. Want voor mevrouw Bulte zit er smaak noch kraak aan Gerda.
Ach ja, de onnozelen kunnen soms hoog vallen. Dat weet mevrouw Bulte uit ervaring, al is het haar zelf helaas niet gebeurd. Zelf is ze toch ook een gebrekkige. Een kind van drie kan beter
huishouden, dan zij. Dat is het noodlot, dat haar al haar hele leven achtervolgt. Een mens hoeft niet rijk te zijn, bedenkt mevrouw Bulte, als hij maar een zekere normaliteit bezit.
Na de bezichtiging van de villa van Gerda is het net of mevrouw Bulte in een kartonnen doosje woont. Twee piepkleine kamertjes en een keukenblok. Ze kijkt rond met de ogen van een vreemde. Nou
ja, het is hier wel bijzonder. Rommelig. Een stilleven van het leven zelf.
Want dat huis van Gerda is wel hyper, maar er zit geen ziel in. En dat heeft mevrouw Bulte wel, hè? Een ziel. O, jawel!
Mevrouw Bulte snuift. Kunst en huishouden gaan nu eenmaal niet samen. Dat is als olie en water. Het is het een of het ander. En zij is het ene. Zie je wel, daar kriebelt het weer. Meteen
schrijven, besluit mevrouw Bulte.
Maar als ze naar de gootsteen loopt, dringen zich belangrijker zaken aan haar op. De koffieprut heeft zich aan het roestvrije aanrecht vastgekleefd en er liggen nog vorken en messen. Ook de tafel
ligt vol allerhande waar.
Die tafel moet leeg, beslist ze. Het gaat altijd om de eerste indruk. Meteen begint ze de deurtjes van de kastjes dicht te klappen. Want hoe het kan, kan het, maar die staan altijd wijd open. Een
van de grootste mysteries in haar leven. Zij weet zeker, dat zij ze niet open laat.
Mevrouw Bulte begint plastic tasjes in de la te proppen en schuift drie laatjes dicht. Er hangt nog een reep theedoek uit, maar die negeert zij. Wat denkt dat rot huis wel, dat zij zich laat
kisten?
In dit huis zit de nieges, meent mevrouw Bulte. Ik schuif altijd als een miertje heen en weer met spullen, zonder op een eindpunt aan te komen.
Ze voelt iets broeien van binnen. Een gedicht, dat wil springen. Een woord komt in haar op; huisvredebreuk. Zij grijpt naar een schriftje, maar als ze een pennetje pakt, begint de bank opeens te
hard te kermen onder allerlei spullen en moeten de foulards recht getrokken.
Pieterjandrie! Hoe is het toch mogelijk. Nu liggen plots al de boeken schots en scheef. En overal liggen foldertjes, die ze altijd meeneemt uit openbare gelegenheden.
Het lijkt wel, of het huis de mazelen heeft, denkt mevrouw Bulte.
Alles, wat niet essentieel is, moet weg. Grote, lege vlakken geven een idee van opgeruimdheid. Ze valt op haar knieën en begint de folders en op de grond gevallen droog bloemetjes bij elkaar te
graaien.
Ze merkt, dat ze het schrift en de pen nog op een onhandige manier in haar hand heeft.
Houd de poëzie vast, denkt ze. Ze voelt, hoe haar hart begint te bonken. Maar de zinnen springen al vanzelf naar buiten; ‘Neerwaarts ten onder gaan.’ Het is een beginnetje. Het gedicht zit er,
maar is al aan het verbleken, beseft mevrouw Bulte. Nu ze alles vanuit een ongewoon laag gezichtspunt bekijken kan, trekken allerlei voorwerpen haar aandacht; gekleurde kunsteieren rollebollend
op de grond, een witte pantoffel, een blikopener (daar lag dat ellendige ding), een nooit opgestuurde brief.
Jeminee, denkt mevrouw Bulte. Wie hier binnen komt, zal denken, dat zij een maand lang ziek gelegen heeft. En niets is minder waar.
Ze denkt aan de witte wachtkamer van Gerry. De zon begint fel door de ramen te schijnen en verlicht duidelijk een laag vuil. Hoe bestaat het? Het is toch pas een week terug, dat ze met spiritus
in de weer was? Het wordt mevrouw Bulte allemaal te veel. Ze laat zich moedeloos op de bank vallen.
Vecht toch niet langer, Stien. Je kan het niet.
Poeh! Gerda heeft geen boek in huis. Die zit de hele dag in de leegte. Daar heb ik nu eenmaal te veel geest voor.
Jawel, maar ze zeggen, dat je huis de spiegel van je ziel is. En hier staat alles schots en scheef.
Het begint mevrouw Bulte te duizelen.
Halt! Even remmen! Laat je niet door dit huis overmeesteren, Stien. Kijk naar het plafond.
Mevrouw Bulte staart omhoog. Zie je wel, het plafond is een groot, fijn, léég oppervlak. Ze vleit haar hoofd in de kussens.
‘In neerwaartse beweging de balans vinden.’ Zie zo, het borrelt weer. Zo achterover hangend op de bank bevalt het haar wel. Ze ziet niets, dat haar afleidt. Alleen de kroonluchter breekt storend
het Nirwana. Hoewel? Dat zij dat nog niet eerder opgemerkt heeft. Drie vlekken. Zijn dat soms spinnen?
Nee, er is geen uitweg. Mevrouw Bulte kan tot geen andere conclusie komen. Ze sluit bedroefd haar ogen.
In neerwaartse beweging
zoek ik de balans
alleen ik kan mijzelf stuiten
wie zegt wat waar is
en niet waar is
in dit huis vol zielenleed
huisvredebreuk pleeg ik zelf
als ik haar verguis
Mevrouw Bulte schrijft het snel op, in grote, zwierige letters.
Als ze dromerig opkijkt van haar schrift, is de rommel geen millimeter geweken. Hoe kan zoiets toch? Had ze zo juist niet alles opgeruimd? Dat is nou de makke van dit huis. De poëzie
overheerst.
De Schutters
Eindelijk staat mevrouw Bulte in de vestibule van het Rijksmuseum. Wat een pracht. Ze houdt haar tas met museumkaart dicht tegen zich aan. Wat is dat toch een zegen, een museumjaarkaart. Het kost een paar lieve centen, maar dan heb je ook wat. Ze schuifelt langs een oude liefde, het poppenhuis. Zouden de jaren haar enthousiasme soms hebben getemperd? Vroeger waren historische poppenhuizen een groot geluk geweest. Ze weet nog hoe pa haar meenam naar het Frans Halsmuseum waar er een stond. Ze probeerde daarna kop en schoteltjes te maken door krijtjes uit te hollen. Ach, lieve, lieve jeugd, wat ben je snel vervlogen. En toch kan het poppenhuis haar vandaag niet boeien.
Vervreemd loopt mevrouw Bulte door de zalen. Haar benen voelen de grond nauwelijks. Ze is bang om te vallen en ze verbaast zich bij iedere stap dat ze overeind blijft. Het hier zijn geeft een immens vertrouwd gevoel en tegelijkertijd zijn die fluisteringen uit het verleden zo ongrijpbaar. Al die mensenlevens die voorbij gegaan zijn in knellende korsetten en donkere kamers. Ze schuifelt eerbiedig langs de schilderijen. Gretig leest ze bordjes, maar de teksten zijn zo summier dat ze er niet veel wijzer van wordt.
Nu komt ze een nieuwe zaal binnen, waar een kalende man wordt omringd door een groepje museum bezoekers. Het lijkt mevrouw Bulte een man die van nature uiterst zachtaardig is, maar hier boven zichzelf uitstijgend krachtig en luid probeert te spreken. De bezoekers luisteren dan ook aandachtig naar hem. Opeens begint het te dagen bij mevrouw Bulte. Het is een rondleiding!
Wat een geluk! Dat is precies wat mevrouw Bulte nodig heeft om hier een beetje te aarden. Ze sluit zich discreet aan. De man vertelt over een beroemd schilderij van een ijsgezicht. Hij wijst met de schaduw van zijn hand allerlei details aan. Niemand weet precies wat de schilder bedoelt heeft, zo zegt hij, maar er zijn aanwijzingen dat alles symbool staat voor de valstrikken van het leven. Zo van denk erom, je loopt hier wel zo heerlijk rond en je schaatst wel zo zwierig en verrukt, maar eigenlijk begeef je je op glad ijs en het kan zomaar afgelopen zijn.
He, waarom moet die meneer dat steeds zeggen, denkt mevrouw Bulte wankelend, maar blijft het groepje op de voet volgen. Ze verliest zich helemaal in de verhalen van de man, die zo boeiend zijn.
'Nog heel eventjes, ik laat jullie dit nog even zien,' zegt hij steeds voor hij naar het volgende schilderij gaat, maar blijft dan altijd lange tijd spreken.
Het is wel vreemd dat het groepje zo bij elkaar blijft hokken, valt mevrouw Bulte op. Je zou toch denken dat er zich meer mensen zouden aansluiten. Nou, zij blijft wel luisteren, hoor, naar die aardige meneer en ze knikt hem vriendelijk toe. Het zal toch niet meevallen aan een stuk door te praten. De anderen staan er maar een beetje harkerig bij, vindt mevrouw Bulte. Vooral een man in een overdreven krijtpak. Het is precies een tekening van Peter van Straaten, denkt mevrouw Bulte verbaasd. Ze dacht dat van Straaten de mensen een beetje karikaturaal aanzette, maar deze man is echt zo. Zo'n een rijzige gestalte met een onverwacht dikke buik met daarover een stropdas met een enorme gouden speld, die zelfs te keurig gekleed aandoet, in deze omgeving. Mevrouw Bulte voelt dat ze zelf ook uit de toon valt. Het hele groepje is met een saus van gewichtigheid overgoten; de dames hier zijn allemaal in ongemakkelijke, zwarte rokjes gestoken. Mevrouw Bulte voelt hoe haar kreukelige jas en uitgelubberde, oude damesbroek haar onbevallig maken.
Laat je niet zenuwachtig maken, Stien, zegt ze tegen zichzelf. Alles is betrekkelijk. We leven in een andere tijd dan de aardappeleters. Nu mogen alle rangen en standen zich over het nationaal kunstbezit buigen.
De meneer die de rondleiding geeft, hamert daar eigenlijk ook op bij ieder schilderij. Heeft de schilder hier niet het vergankelijk van het aardse uit willen beelden, vraagt hij steeds. De mens richt zijn aandacht op goud en goed, maar de mooiste dingen kunnen zomaar veranderen in lompen. Zouden we niet liever wat meer spiritueel in het leven staan? Nou, nou, denkt mevrouw Bulte, zo dom waren die middeleeuwers niet!
Ook hier weer, bij een prachtig schilderij van Claasz, die citroenen op tinnen borden schilderde. Het lijkt wel of mevrouw Bulte in die kamer van destijds, persoonlijk een kijkje neemt, zo precies is het weergegeven. 'Maar die verse citroen zal vergaan en zo ook het dure brood en de wijn,' zegt de man met het Vlaamse accent vriendelijk. Mevrouw Bulte kijkt de rondleider met vochtige ogen aan, zo ontroert het haar.
Enthousiast leidt de verrukkelijke historicus de groep naar een andere zaal, maar als mevrouw Bulte hen weer wil volgen, wordt ze opeens tegengehouden door de man in het overdreven krijtpak.
'Kan ik u misschien even spreken?' vraagt hij.
'Ja, natuurlijk!' zegt mevrouw Bulte verbouwereerd. Wat zou die man nu van haar moeten? Ze zullen in haar toch geen een expert in de schilderkunst zien?
'Ik heb gezien dat u nu al twee zalen met onze groep meeloopt,' begint hij op verwijtende toon. 'En dit is een privé-rondleiding. Ik zou het zeer op prijs stellen als u zichzelf zou willen verwijderen.'
Een schok van ongeloof gaat door mevrouw Bulte. Ze voelt zich opeens als een klein meisje, dat om onverklaarbare redenen niet mee mag doen met knikkeren.
'Meneer,' zegt ze nadrukkelijk, nu de vijandige houding van de man haar in de aanval duwt; 'U lijkt precies op een tekening van Peter van Straaten!'
'Dat is goed,' zegt de man sussend. 'Maar ik zou het zeer op prijs stellen als u ergens anders wilt gaan staan.'
'Ik ben vrij,' lispelt mevrouw Bulte verbolgen. 'Ik mag gaan en staan waar ik wil.'
Maar de man is al met machtige stappen de zaal uitgebeend. Mevrouw Bulte is helemaal in de war. Dat heb je nu, als je een aftandse, oude vrouw bent. Ze trilt helemaal van binnen.
Zo zie je hoe het ijstafereel gelijk had. Als een dief in de nacht komt de storm. Nee, ze mag zich niet zo laten weg drukken! Mevrouw Bulte gaat expres op een afstandje van het groepje staan en doet of ze naar een ander schilderij staart.
Op deze afstand kan ze alles nog goed volgen. Ze gaat heel stout bij het Joodse bruidje staan. Hoewel de groep er wat van af staat, gaat de uitleg precies daar over. Maar door de zenuwen lukt het haar niet meer iets op te nemen. Het tolt mevrouw Bulte teveel. Maar ach, ze mist niks. Dit heeft ze allemaal al eens gelezen. Het gaat om de penseelstreek, die zijn tijd ver vooruit was.
'Laten we allemaal wat dichterbij het schilderij gaan staan,' zegt de rondleider.
Het krijtpak komt meteen met grote passen en een zelfingenomen glimlach haar kant op. Mevrouw Bulte schiet weg. Ze neemt verdekt plaats op de ronde, zachte bank die in het midden van de zaal staat.
'He, hè, even zitten,' fluistert een chique, zwart geklede dame haar in het oor.
'Hoort u ook bij het groepje?' fluistert mevrouw Bulte terug, met een steen in haar hart.
'Ja. We hebben een bedrijfsuitje,' zegt de zwaar opgemaakte vrouw. 'We rennen al de hele dag. Ik zelf werk niet bij het bedrijf, hoor! Mijn man werkt er sinds augustus als buitenmedewerker.' Mevrouw Bulte denkt vaag aan de plantsoenendienst. 'Computers en randapparatuur,' fluistert de vrouw.
'O,' zegt mevrouw Bulte. 'Nu, mij hebben ze zojuist weggestuurd!' Ze snuift.
'Hoe dat zo?' vraagt de dame.
'Nou, die meneer daar, die met dat streepjespak, die zei dat het een privé-aangelegenheid was. Is dat de baas?'
'O nee,' lacht de vrouw. 'Welnee, dat is de baas niet, hoor! Die doet of hij de baas is.' Mevrouw Bultes hart wordt wat rustiger, maar het meisje van Vermeer gaat er bij haar niet meer in. Ze hoort nog iets over het blauw dat indertijd kostbaarder was dan diamanten, maar het fijne ontgaat haar.
De lol is er af, maar ze schuifelt obstinaat mee naar de Nachtwacht. Die mensen van het bedrijfsuitje lijken zelf wel de schutters, denkt mevrouw Bulte verbolgen. Dit zijn gewoon de schutters die naar zichzelf kijken en het niet beseffen! Wat een farce zo een bedrijf, met van die onderlinge machtsstructuren. Gelukkig maar dat ze oud is. Anders zat zij nu misschien op kantoor. Bij die vent. Wat zou hij haar pesten! Hij staat machtig achter een blonde vrouw met zijn bolle buik en masseert haar heel intiem op haar billen. Afschuwelijk, wat zo een vrouw moet doorstaan voor een beschuitje kaviaar.
De groep luistert met gemelijke gezichten naar de uitleg over de schaduw die naar een speer leidt en een fallische betekenis heeft. Niet te geloven, hoe weinig het leven door de eeuwen heen in zijn diepste wezen verandert is, denkt mevrouw Bulte en Peter van Straaten had dat allang door en heeft de mens net als Rembrandt in zijn zwakte meesterlijk vereeuwigt. En tot wat een inzichten in de dingen is zijzelf eigenlijk niet in staat! Mevrouw Bulte kikkert helemaal weer op.
oorlogssoep
Galeriebezoek
O, wat is mevrouw Bulte moe. Ze loopt al zo lang. Ze had gedacht, ik ga bij deze straat rechtsaf en dan ben ik zo thuis. Maar het is veel verder dan ze zich herinnert en er zijn geen tramhaltes.
Geeft niet, denkt mevrouw Bulte. Ik zoek wel vigalantie, zoals die ouwe dat noemde. Ik schiet gewoon ergens naar binnen. Een café of desnoods een Chinees. Ik heb de tijd aan mezelf. En na restauratie ga ik langzaam op huis aan. Achter de brug moet toch ergens de Hortus liggen en dan ben ik er bijna.
Maar ze is in een lange pijpenla terechtgekomen. De Kerkstraat. Koffiehuizen zijn er niet. Wel een vreemd galerietje. Er staan spookachtige potloodtekeningen in de etalage.
Mevrouw Bulte duwt krachtig de deur open. Het is er klein en kerstmisachtig verlicht. Een meisje zit in het duister aan een tafeltje te knutselen. Mevrouw Bulte denkt dat het een breiwerkje is.
‘Goedendag,’ zegt mevrouw Bulte. ‘Wat een schitterende tekeningen heeft u hier. Mijn complimenten!’
Het meisje glimlacht even, maar zegt niets.
‘Mag ik even rondkijken?’
Het meisje maakt een uitnodigend gebaar. ‘Kijkt u maar gerust rond.’
Mevrouw Bultes oog valt op kleine, kleurige beeldjes die in een vitrine staan. Ze bekijkt ze van heel dichtbij, terwijl ze haar leesbril als een loep gebruikt. ‘Buitengewoon, buitengewoon,' mompelt ze.
‘Dat werk is van mij,’ zegt het meisje dat plotseling achter haar staat.
‘Nee, maar!’ Mevrouw Bulte schrikt heftig. ‘Heb jij dat gemaakt? Wat schitterend, schitterend mooi! Oh, oh, oh!’ Mevrouw Bulte werpt haar armen omhoog.
Het meisje gaat angstig een eindje van de beeldjes af staan.
Die beeldjes hebben wel iets viefs, maar van haar gaat iets doods uit, vindt mevrouw Bulte. Ze moet maar steeds het gesprek op gang houden. En ze wil dolgraag zitten.
Dat is altijd de makke met galeries, denkt mevrouw Bulte. Je weet je er nooit zo goed raad. Officieel mag je er rondneuzen, maar je voelt algauw de uitgehongerde spanning op betalend clientèle. Ook in dit duistere geval heeft niemand iets te zoeken tenzij hij wat koopt. En mevrouw Bulte wil niks kopen.
Niet laten merken, denkt ze. Ga maar even het toneel op.
Ze wordt opeens een deftige dame in goeden doen.
'Ik ben uiterst geïnteresseerd in dit jeugdige werk,’ zegt ze met nadruk.
Het meisje glimlacht gelukkig, maar biedt geen stoel aan.
‘Heeft u misschien een pamflet met een overzicht, zodat ik het allemaal nog eens goed kan bekijken?’
Het meisje reikt welwillend een foldertje aan.
Ottelenooie, waarom laat ze me nou niet zitten. Ik breek bijna, denkt mevrouw Bulte. Zonder dat ze er bewust aan denkt, gaan haar benen richting stoel en zijgt ze zonder toestemming neer. Ze duikt zenuwachtig in de folder. De lettertjes zijn piepklein.
‘Hier is de prijslijst die er bij hoort,’ zegt het meisje terwijl ze een vel aanreikt.
Mevrouw Bulte schrikt. Tweehonderd euro is hier de laagste prijs.
‘Nou, dat zijn uiterst redelijke prijzen,’ mompelt ze.
‘Ja ah,’ stemt het meisje in.
‘Ik ben niet van hier,’ zegt mevrouw Bulte. ‘Ik kom helemaal uit de Zuiderhoek.’
‘O,’ zegt het meisje.
‘Ja, ik ben hier in Amsterdam om mijn oude nicht te bezoeken. Rosalie.‘
‘Zo,’ zegt het meisje.
‘Ja, die lijdt toch zo aan haar gal.’
Het meisje gaat ook zitten en schenkt zichzelf een beker koffie in. Mevrouw Bulte krijgt ook een kopje koffie.
Ziezo, dat was wat je noemt, jezelf redden.
‘En, loopt het een beetje?’ vraagt mevrouw Bulte vriendelijk.
‘We zijn een collectief,’ legt het meisje uit. ‘We zijn allemaal kunstenaars en passen om de beurt op de galerie. Nu, na de opening komen er weinig mensen. Maar je moet er wel zijn.’
‘Ja, kind, het kunstenaarschap draagt lijden in zich. Dat is altijd zo geweest.’
Haar vermoeide heupen beginnen zich langzaam te herstellen.
‘Maar het is wel een interessant bestaan, dat van kunstenaar,’ gaat ze verder als het meisje er niet op ingaat. ‘Ikzelf kan geen streep tekenen. Maar ik heb er wel gevoel voor. Gek, hè?’ zegt mevrouw Bulte.
‘Och,’ zegt het meisje. ‘Je hoeft geen tekenaar te zijn om kunstenaar te zijn’
‘Zou het?’ zegt mevrouw Bulte. 'Want die drang heb ik wel. Dat is weleens lastig. Mijn overleden man, een rijke herenboer uit de Zuiderhoek werd weleens boos. Hou toch op met dat gepriegel, zei hij dan. En ja, zo werd het niet gestimuleerd, hé?’
‘Kunst verzamelen is ook een leuke hobby,’ zegt het meisje.
Ze liegt, denkt mevrouw Bulte een beetje gekwetst. Die heeft die beeldjes niet gekleid. Dat bestaat niet. Daar is ze veel te lijzig voor.
‘Die kleurige beeldjes met die apengezichtjes. Ik vind ze buitengewoon,’ zegt mevrouw Bulte.
Dan schrijf ik mijn naam op en mijn telefoonnummer. Het meisje doet het uiterst precies. Ze heeft een rond, kinderlijk handschrift.
Zo, nu ben ik wel weer hersteld, denkt mevrouw Bulte.
‘Ik moet helaas weer opstappen,’ zegt ze deftig tegen het meisje. ‘Maar vandaag is het een geluksdag dat ik deze galerie zomaar vond. Ik kom hier zeker terug en dan zal ik een flinke donatie doen.’
Mevrouw Bulte staat gedecideerd op en trekt de deur open. De buitenlucht doet haar dadelijk op ademen. Ziezo, dat laatste stuk zal ze ook nog wel redden.
Alles ligt weer als een gefileerd scholletje bij me open, denkt mevrouw Bulte. Open en bloot brandt het ondraaglijk van binnen.
Mevrouw Bulte kan nauwelijks ademhalen, zo drukt de pijn op haar gemoed. In potentie ligt dit verraderlijke gevoel altijd naast haar hoofdkussen. Maar mevrouw Bulte probeert het geen kans te geven.
Ze heeft in haar kleine bestaan toch nog verscheidene verplichtingen. Naar de dokter. Naar de verjaardag van Bep, (Beetje zonde van het geld, die dure bloemen. Als een lege gave waren ze geofferd en als een leeg offer werden ze aanvaard). Haar kind ontvangen.
Ze moet zich jofel houden. Tot gisteren. Toen was ze ineens ingeklapt. Na dat telefoontje van Josefien. Dag en nacht denkt ze aan haar. Al gaan er maanden voorbij zonder bericht. Het is je kind. En ze wil haar zo graag helpen. Want Fien die zit tot over haar oren in de schulden.
Mevrouw Bulte tuit haar lippen. Er komt geen geluid uit. Ze kan er zelfs geen mening over hebben. Wie is er niet blind in de liefde? Ze had wel gezien dat haar dierbare kind er met ogen open in liep. Die hele onderneming van haar was als een ontilbare, zware steen die wel naar beneden moest rollen. En maar hopen dat die steen tegen alle zwaartekracht in gaat zweven! Welnee, de diepte in! Ze had het met geen mogelijkheid tegen kunnen houden.
Josefien naar de mond gepraat. Het geluk van het moment laten prevaleren. Want een mens is laf, laf!
Maar er zijn dingen die je zelf moet ervaren. Mevrouw Bulte moet het loslaten. Haar dochter is een volwassen vrouw. En de appel valt nooit ver van de boom. Nou ja, ietsjes verder wel. Josefien heeft gestudeerd. En ze functioneert in de normaliteit van de maatschappij. Iets wat uitzonderlijk is in haar familie. En als je alle relaties bij elkaar optelt van mevrouw Bulte is de som maar een fractie van die van Fientje. Geen domme vrouw, haar Josefien. En aan geld valt nog wel te komen.
Positief denken!, draagt mevrouw Bulte zich op. Dadelijk gaat ze een lot kopen. Ze denkt zich het hele huis vol geld. 'Trek het naar je toe!' mompelt zij. 'Trek het naar je toe!' Ze maakt er graaiende bewegingen bij.
Waarom blijft die verschrikkelijke pijn? Die moet weg. Anders werkt het niet. Muziek opzetten. Dansen moet ze.
'Hier kind. Even respijt. 500.000 euro.'
Ze zet de radio aan. Een pittig deuntje van de pop de la pop. Dat maakt niet uit. Dansen zal ze!
Ze ziet opeens een Frans chalet voor zich. Dat wil Josefien natuurlijk het liefste. En met die gekke vent van haar is dat geld zo op.
'Nee, Josefiena,' verandert ze van gedachten, 'Het is vijf miljoen!'
'Vijf miljoen? Mamma!'
De vreugde! Josefien en zij dansen! Alle problemen opgelost. “Mamma, je bent geweldig! Trouwens met vijf miljoen pakt ze zo een vliegtuig om op bezoek te komen.
Zelf houdt mevrouw Bulte ook wat geld. Er moet tenslotte een heerlijk logeerbed komen. Met schone, nieuwe lakens. En lekkers in overvloed!
O God, laat het gebeuren! Haar liefste gaat ten onder! Zonder centen is het geen leven voor Josefien. En die vent van haar smeert hem natuurlijk. Want leer mevrouw Bulte de kerels kennen! Liever had mevrouw Bulte dit alles zelf meegemaakt, dan haar kind zo te zien lijden.
Mediteren! Kom op! spoort zij zichzelf aan. Het lot is mij gunstig gezind. Geld! geld! geld! Bakken vol die uit het plafond naar beneden rollen. Positief denken! Het gaat gebeuren. Mevrouw Bulte balt haar vuisten.
Ja, kind, denkt ze. Het huwelijk is een weg die een mens moet gaan. Om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat je alleen toch beter af bent! Mevrouw Bulte danst. Ze trippelt met haar oude lijfje.
Quick step. Quick step. Ze hijgt. Maar ze zet door. Dadelijk moet ze het juiste lotje kopen.
De muziek stampt ritmisch als een moeder die haar kind wiegt. Ze begint zich al iets beter te voelen. Die akelige pijn zakt weg. Hoe snel slaat verdriet over in een gevoel van vreugde!
Zo prachtig als die vrouw ook zingt. Ze kan het niet verstaan. Maar je hoort de levensrijpheid in haar stem. Mevrouw Bulte laat zich helemaal gaan. Tranen biggelen over haar wangen terwijl ze de muziek inzuigt. Koude rillingen krijgt ze ervan.
Haar gevoel is bij Josefientje die duizend kilometers ver zit.
Hoe
betrouwbaar zijn je gevoelens dan eigenlijk, vraagt mevrouw Bulte zich af. Vooralsnog is er niets veranderd aan de situatie. En toch al een heel ander gevoelsleven. Mevrouw Bulte ervaart nu een
diepe vreugde.
'Lieve kind, alles gaat gewoon door,' zegt ze hardop. 'Ga naar de kern, Fien! Het zonnetje, een kopje thee met een beschuitje. Alles kun je diep genieten. Het is allemaal maar een illusie,
schat.’
Nooit hebben ze zich zo verbonden gevoeld. Josefien begrijpt het. Samen springen ze over de rotsen. De afgrond bestaat helemaal niet. Noch de bergtop. Er is niets anders dan het lieve bestaan zelf. En niets kan dat verstoren. Hoe rijk en heerlijk is alles toch. Daar heb je verder niets voor nodig, dierbaar, dierbaar kind!
Alles ligt weer als een gefileerd scholletje bij me open, denkt mevrouw Bulte. Open en bloot brandt het ondraaglijk van binnen.
Mevrouw Bulte kan nauwelijks ademhalen, zo drukt de pijn op haar gemoed. In potentie ligt dit verraderlijke gevoel altijd naast haar hoofdkussen. Maar mevrouw Bulte probeert het geen kans te geven.
Ze heeft in haar kleine bestaan toch nog verscheidene verplichtingen. Naar de dokter. Naar de verjaardag van Bep, (Beetje zonde van het geld, die dure bloemen. Als een lege gave waren ze geofferd en als een leeg offer werden ze aanvaard). Haar kind ontvangen.
Ze moet zich jofel houden. Tot gisteren. Toen was ze ineens ingeklapt. Na dat telefoontje van Josefien. Dag en nacht denkt ze aan haar. Al gaan er maanden voorbij zonder bericht. Het is je kind. En ze wil haar zo graag helpen. Want Fien die zit tot over haar oren in de schulden.
Mevrouw Bulte tuit haar lippen. Er komt geen geluid uit. Ze kan er zelfs geen mening over hebben. Wie is er niet blind in de liefde? Ze had wel gezien dat haar dierbare kind er met ogen open in liep. Die hele onderneming van haar was als een ontilbare, zware steen die wel naar beneden moest rollen. En maar hopen dat die steen tegen alle zwaartekracht in gaat zweven! Welnee, de diepte in! Ze had het met geen mogelijkheid tegen kunnen houden.
Josefien naar de mond gepraat. Het geluk van het moment laten prevaleren. Want een mens is laf, laf!
Maar er zijn dingen die je zelf moet ervaren. Mevrouw Bulte moet het loslaten. Haar dochter is een volwassen vrouw. En de appel valt nooit ver van de boom. Nou ja, ietsjes verder wel. Josefien heeft gestudeerd. En ze functioneert in de normaliteit van de maatschappij. Iets wat uitzonderlijk is in haar familie. En als je alle relaties bij elkaar optelt van mevrouw Bulte is de som maar een fractie van die van Fientje. Geen domme vrouw, haar Josefien. En aan geld valt nog wel te komen.
Positief denken!, draagt mevrouw Bulte zich op. Dadelijk gaat ze een lot kopen. Ze denkt zich het hele huis vol geld. 'Trek het naar je toe!' mompelt zij. 'Trek het naar je toe!' Ze maakt er graaiende bewegingen bij.
Waarom blijft die verschrikkelijke pijn? Die moet weg. Anders werkt het niet. Muziek opzetten. Dansen moet ze.
'Hier kind. Even respijt. 500.000 euro.'
Ze zet de radio aan. Een pittig deuntje van de pop de la pop. Dat maakt niet uit. Dansen zal ze!
Ze ziet opeens een Frans chalet voor zich. Dat wil Josefien natuurlijk het liefste. En met die gekke vent van haar is dat geld zo op.
'Nee, Josefiena,' verandert ze van gedachten, 'Het is vijf miljoen!'
'Vijf miljoen? Mamma!'
De vreugde! Josefien en zij dansen! Alle problemen opgelost. “Mamma, je bent geweldig! Trouwens met vijf miljoen pakt ze zo een vliegtuig om op bezoek te komen.
Zelf houdt mevrouw Bulte ook wat geld. Er moet tenslotte een heerlijk logeerbed komen. Met schone, nieuwe lakens. En lekkers in overvloed!
O God, laat het gebeuren! Haar liefste gaat ten onder! Zonder centen is het geen leven voor Josefien. En die vent van haar smeert hem natuurlijk. Want leer mevrouw Bulte de kerels kennen! Liever had mevrouw Bulte dit alles zelf meegemaakt, dan haar kind zo te zien lijden.
Mediteren! Kom op! spoort zij zichzelf aan. Het lot is mij gunstig gezind. Geld! geld! geld! Bakken vol die uit het plafond naar beneden rollen. Positief denken! Het gaat gebeuren. Mevrouw Bulte balt haar vuisten.
Ja, kind, denkt ze. Het huwelijk is een weg die een mens moet gaan. Om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat je alleen toch beter af bent! Mevrouw Bulte danst. Ze trippelt met haar oude lijfje.
Quick step. Quick step. Ze hijgt. Maar ze zet door. Dadelijk moet ze het juiste lotje kopen.
De muziek stampt ritmisch als een moeder die haar kind wiegt. Ze begint zich al iets beter te voelen. Die akelige pijn zakt weg. Hoe snel slaat verdriet over in een gevoel van vreugde!
Zo prachtig als die vrouw ook zingt. Ze kan het niet verstaan. Maar je hoort de levensrijpheid in haar stem. Mevrouw Bulte laat zich helemaal gaan. Tranen biggelen over haar wangen terwijl ze de muziek inzuigt. Koude rillingen krijgt ze ervan.
Haar gevoel is bij Josefientje die duizend kilometers ver zit.
Hoe
betrouwbaar zijn je gevoelens dan eigenlijk, vraagt mevrouw Bulte zich af. Vooralsnog is er niets veranderd aan de situatie. En toch al een heel ander gevoelsleven. Mevrouw Bulte ervaart nu een
diepe vreugde.
'Lieve kind, alles gaat gewoon door,' zegt ze hardop. 'Ga naar de kern, Fien! Het zonnetje, een kopje thee met een beschuitje. Alles kun je diep genieten. Het is allemaal maar een illusie,
schat.’
Nooit hebben ze zich zo verbonden gevoeld. Josefien begrijpt het. Samen springen ze over de rotsen. De afgrond bestaat helemaal niet. Noch de bergtop. Er is niets anders dan het lieve bestaan zelf. En niets kan dat verstoren. Hoe rijk en heerlijk is alles toch. Daar heb je verder niets voor nodig, dierbaar, dierbaar kind!
Het is volbracht, denkt mevrouw Bulte. Daar is haar huisje weer. Ze heeft visite ontvangen bij Gerard.
Nee, ik ben zeer tevree, denkt mevrouw Bulte. Het was een triomf. Oh, oh, oh, wat kun je lekker koken, Stien, complimenteert ze zich zelf. Hup, hup, chili con carne met appelmoes. Het was eigenlijk meer toveren geweest. De kennissen van Gerard stonden paf, denkt mevrouw Bulte. De ene grappige opmerking na de andere had ze gelanceerd. Gegierd hadden ze. Wat heb ik dat toch, hé? Die humor, denkt ze hoofdschuddend.
‘Heerlijk weer thuis’, mompelt mevrouw Bulte voldaan, terwijl ze deur opent. De juiste timing ook. Altijd op het hoogtepunt afscheid nemen.
Wat hangt er toch altijd een muffe geur in het gangetje. Maar kijk aan. Het licht doet het nog. Mevrouw Bulte ploft op de bank. Twee volgestouwde plastic tassen bungelen aan haar polsen.
Wat vreemd, bedenkt mevrouw Bulte opeens, de kamer rondkijkend. Alles is precies nog zo, als op het moment dat zij het huisje verliet. Haar blik gaat over de geopende post op tafel; rekeningen, volkomen vergeten, daarnaast een bordje met wat brood. Te zenuwachtig geweest om te eten. Zeven schoenen op de vloer. Die had ze in een roes te voorschijn gehaald, maar was toch weer op haar oude klompschoentjes vertrokken, uit angst voor pijn en ander leed.
Alsof de tijd gestold is, denkt mevrouw Bulte. Alsof ik dacht, nu maak ik een deurtje in de tijd en treed ik even naar buiten. Achter dat deurtje is het leven opwindend, alles is anders en de tijd is onuitputtelijk. Maar als ik weer terugkom, is er nog geen minuut verstreken.
Mevrouw Bulte laat de tassen van zich afglijden.
Even een krabbeltje, bedenkt mevrouw Bulte. Maar mevrouw Bulte kan in het hele huis geen pennetje vinden. Wel een potlood. Ze krast op de binnenkant van een boek. Ze moet dat krachtig doen, want het potlood is bot en geeft bijna geen grafiet af.
Oh wonderlijke tijd
Was er maar een deur
Die ik af en toe kan openen
Zodat de onverbiddelijke klok
Mij af en toe vrijaf geeft.
Ik zal zingen en dansen
Lieve tijd en zo zal ik je
Liefhebben
Ik heb te lang naar een pen gezocht, vindt mevrouw Bulte. Zo een gedicht moet stante pede gebeuren en nu zit er een rare draai in.
Ze ontdoet haar gezwollen voeten van hun schoenen en masseert haar voetpalmen op het stenen keukenvloertje. Op het aanrecht ligt nog een half zakje oploskoffie. Ze strooit het restje in een beker en houdt die even onder de kraan.
De poeder wordt zo niet goed opgelost, maar dat deert mevrouw Bulte niet. Het gaat ten slotte om een kleine versnapering. Teveel omstandigheid zou nu haar gevoelsleven verstoren. Ze moet glashelder alles wat er vandaag gebeurd is, de revue laten passeren.
Zij en zij alleen had het feest gemaakt. De anderen zaten er maar een beetje bij. Ze leken wel permanent verbaasd te zijn. Alsof ze allemaal vraagtekens in het gelaat getatoeëerd hadden. En ze droegen weinig bij aan de sfeer, hoor. Nou! Ze hadden het over het weer en over onkruid in hun tuin. En de nieuw geplante perenboom. Geen wonder dat de stemming dan zakt. Dat is als met een soufflé, daar mag geen saaie lucht bij. Maar dan mevrouw Bulte. Keer op keer zaten ze te schudden van het lachen.
Natuurlijk, moet je hierbij af en toe jezelf opofferen. Dat kan niet anders. De beste humor is zelfkritiek. Leedvermaak is zo banaal. Die schuld schuift ze in de schoenen van de toehoorders, die smakelijk om haar lachen. En, bedenkt ze wijs, in diepste wezen is de mens een universeel wezen. Iedereen weet wat menselijke zwakte is. En daar dan zo een draai aan te geven, dat je weer boven de anderen uitsteekt. Nee, het was geweldig. Mevrouw Bulte kan tot geen andere conclusie komen. Gerard zat maar steeds cynisch te grijnzen, maar veel te zeggen had hij niet. En oh, oh, oh, wat zit hij daar op te vlassen. Maar ja, snuift mevrouw Bulte, koken, gasten ontvangen, daar draait Stientje Bulte haar hand niet voor om. Dat is een gave, dat kun je niet leren.
Voorziening
Mevrouw Bulte ligt met een kloppend hart in het donker. Ze kan zich nauwelijks bewegen. Hoe het leven op haar oude dag nog zo intens kan worden. Haar kunstgebit drukt zwaar in haar mond, maar ze kan zich er niet toe bewegen hem uit te doen. Waar zou ze dat ding moeten laten? Opstaan is nu gecontraindiceerd. Lijdzaam ondergaat ze de pijn. Al haar kledingstukken knellen, maar dat schurende gevoel valt in het niet bij haar gedachten. Vandaag heeft ze een blonde psycholoog gesproken.
Er zijn maar vijenveertig minuten verstreken in zijn aanwezigheid, maar ze is al het tienvoudige in de ban ervan. In de ban van… Ja, van wat eigenlijk?
Hij leek op Jan, haar broer. Van dat gehaaide gajes. Mevrouw Bulte begreep meteen dat ze met een zeer intelligent man te doen had. Gajes mag het beroepsmatig niet zijn. Dat is tegen de code. Mevrouw Bulte klikt haar gebit even los. Goed gajes dus.
Het zijn met zo’n man heeft altijd iets beschamends. Daar zit je dan als oude vrouw tegenover een jong en energiek iemand die van ieder woord en gebaar het zijne denkt. Dat verbloemen ze handig door heel sympathiek te doen. Maar leer mevrouw Bulte de psychologen kennen. Ze weet dat werkelijk contact met zo’n man een onbereikbaar terrein is. Dat zijn veldslagen des levens die niet te winnen zijn. Het enige wat er nog overblijft is met een enkele kwinkslag je toch enigszins staande houden. Nou en dat heeft mevrouw Bulte gedaan, hoor! Ze begrijpt zelf niet waarom ze zich nu zo intens verdrietig voelt.
Ze moet nog eens na gaan, wat ze allemaal gezegd heeft. Wonderlijk hoe ze ongemerkt toch met allerlei tegenstrijdige verklaringen kwam. Heel veel dingen die ze vanmiddag beweerd heeft, zou ze nu gewoon kunnen ontkennen. Dat zal ze maar niet rechtzetten. Dat geeft een indruk van instabiliteit. En mevrouw Bulte lijdt slechts aan eenzaamheid. Ze is niet gek. Dat heeft ze ook tegen die mijnheer gezegd, die bevestigend knikte. Ze glimlacht in het donker. Ja, hij was het met haar eens. Ze is normaal! Het is nu bevestigd door een beoefenaar der hoogste wetenschappen. Wie had dat ooit gedacht! Eigenlijk is hetgeen waarna zij haar hele leven naar gestreefd heeft in één klap uitgekomen. Ze heeft de normaliteit bereikt. Daar gaat het om. Ze zwaait even met een gebalde vuist in het donker. Verder mag je afwijkend zijn, klein, groot, ziek, gezond, knap, dom. Nou ja dom, dat is weer iets abnormaals, natuurlijk. Mevrouw Bulte zucht. Zou die gozer haar dom vinden? O God, wat is het leven moeilijk! Ze zoekt verwilderd in haar herinnering naar intelligente opmerkingen, maar stuit er op niet één.
Je moet zo weinig mogelijk zeggen, Stien, bedenkt ze. Dat is de truc. Eigenlijk bedient zo’n man zich daar ook van. Zit maar te hummen. Maar wat betekent dat eigenlijk? Is het ja of is het nee of iets anderzijds? Het is een smeermiddel dat als olie de wielen van het gesprek smeert. Daar worden ze helemaal op getraind. Verkooptechnieken zijn het. O, mevrouw Bulte laat zich geen knollen voor citroenen verkopen.
Nog steeds voelt ze zich raar. Ze zweeft een beetje, met die bal van verdriet aan haar vastgeketend. Ze moet dit stante pede relativeren. ‘Die man is jou allang vergeten en nou lig jij nog uren daarna verslagen op bed.’ snauwt ze in gedachten. ‘Mens, doe toch normaal!
Maar wat zei hij nou? Dat ze een beetje verdwaald was. Jammer dat ze niet meteen vroeg, wat hij daarmee bedoelde. Hoe kon hij nou weten, dat het heel wat voeten het in aarde had gehad voor ze op het adres aankwam. Ze was toch keurig op tijd geweest? Soms zijn ze griezelig scherp.
Natuurlijk was ze lelijk opgewarmd door de kou en had ze rode koontjes gehad. Zo is het leven. Maar dan gaat mevrouw Bulte wel eventjes het toneel op. Ze draait zo’n mannetje toch zó om haar vinger.
‘Goedenmorgen!’ Ze had het met flair gezegd. Flinke handdruk gegeven, want dat weet een kind, dat je geen slap handje moet geven. Dat is het ergste uit het bestaan. Val je meteen door de mand.
Maar ja, die eerste indruk, he? Die is het allerbelangrijkst. Het is de enige fractie van een seconde die werkelijk waarheid bevat.
Ze probeert het zich weer voor de geest te halen. Zij; een oude, vervallen vrouw, met van die ongelukkige, grove handschoenen in haar hand. Die Wibra-vibraties ook die ze overal rondstrooit! Pieterdejandosie. Daar moet ze op letten!
En hij; blond, wantrouwig, in de thuiswedstrijd en toch een beetje bang, zoals je dat bent als je zondag verpest wordt door plakkende gasten.
Ze verstijft ervan. Ja, voor zo’n man is het natuurlijk nadrukkelijk lijden steeds maar van die figuren te moeten ontvangen. Hij weet allang dat hij ze niet helpen kan. Maar de schijn moet opgehouden worden om het vak in ere te houden. Daar zijn miljoenen mee gemoeid. O God. Wat zal hij haar in zijn hart weg gewenst hebben.
Mevrouw Bulte wil het liefst door het bed zakken. In het niets oplossen. Waarom is ze in vredesnaam die man lastig gaan vallen? Wie geen eisen stelt leeft in vrede. Dat wist ze toch allang. Hoe ze bij hem terecht gekomen is, kan ze zelf niet begrijpen. Opeens zat ze er gewoon. Toch weer het egoisme van de mens die zijn kop op steekt. Betrapt Stientje Bulte, bedenkt ze verdrietig. Dacht jij dat je meegevoederd kon worden in de trog der welvaart?
Maar de werkelijke fout, bedenkt ze zich, is gelegen in de dwaalgedachte dat je naar een openbare voorziening gaat. En dat is haar schuld niet. Zo wordt het door de buitenwacht voorgesteld. Een voorziening die geestelijke tekortkomingen teniet doet. Hoe zou dat nu mogelijk zijn? Alsof er zoiets als pure liefde zou bestaan op bestelling.. Het is gewoon werk. De een zijn dood, is voor de ander zijn brood en al smaakt dat brood niet altijd even vers, het is wel brood. In een kunstmatig gecreëerde situatie eigenlijk, want er vindt geen natuurlijke selectie plaats. En dan is het maar afwachten voor zo’n man wat voor cliënt hij krijgt en de ongelukkige kreeg mevrouw Bulte. Hij had nog beleefd een vervolgafspraak gemaakt ook. En traan rolt over haar wang.
Geeft niets. Laat maar rollen. Dit is gewoon weer zo’n bitter moment waarop je weet dat je gewoon je mond moet houden en je tijd moet uitbeiden. Nee, ze zou maar de eer aan zich zelf houden en hem verlossen van dat steentje in zijn schoen. Morgen schrijft ze hem een bedankje. Ze stopt haar gebit maar even onder het kussen dat ze liefdevol tegen haar wang vleit. Nu, maar eerst even gaan slapen. Het was toch even heel bijzonder geweest.
Voorziening
Mevrouw Bulte ligt met een kloppend hart in het donker. Ze kan zich nauwelijks bewegen. Hoe het leven op haar oude dag nog zo intens kan worden. Haar kunstgebit drukt zwaar in haar mond, maar ze kan zich er niet toe bewegen hem uit te doen. Waar zou ze dat ding moeten laten? Opstaan is nu gecontraindiceerd. Lijdzaam ondergaat ze de pijn. Al haar kledingstukken knellen, maar dat schurende gevoel valt in het niet bij haar gedachten. Vandaag heeft ze een blonde psycholoog gesproken.
Er zijn maar vijenveertig minuten verstreken in zijn aanwezigheid, maar ze is al het tienvoudige in de ban ervan. In de ban van… Ja, van wat eigenlijk?
Hij leek op Jan, haar broer. Van dat gehaaide gajes. Mevrouw Bulte begreep meteen dat ze met een zeer intelligent man te doen had. Gajes mag het beroepsmatig niet zijn. Dat is tegen de code. Mevrouw Bulte klikt haar gebit even los. Goed gajes dus.
Het zijn met zo’n man heeft altijd iets beschamends. Daar zit je dan als oude vrouw tegenover een jong en energiek iemand die van ieder woord en gebaar het zijne denkt. Dat verbloemen ze handig door heel sympathiek te doen. Maar leer mevrouw Bulte de psychologen kennen. Ze weet dat werkelijk contact met zo’n man een onbereikbaar terrein is. Dat zijn veldslagen des levens die niet te winnen zijn. Het enige wat er nog overblijft is met een enkele kwinkslag je toch enigszins staande houden. Nou en dat heeft mevrouw Bulte gedaan, hoor! Ze begrijpt zelf niet waarom ze zich nu zo intens verdrietig voelt.
Ze moet nog eens na gaan, wat ze allemaal gezegd heeft. Wonderlijk hoe ze ongemerkt toch met allerlei tegenstrijdige verklaringen kwam. Heel veel dingen die ze vanmiddag beweerd heeft, zou ze nu gewoon kunnen ontkennen. Dat zal ze maar niet rechtzetten. Dat geeft een indruk van instabiliteit. En mevrouw Bulte lijdt slechts aan eenzaamheid. Ze is niet gek. Dat heeft ze ook tegen die mijnheer gezegd, die bevestigend knikte. Ze glimlacht in het donker. Ja, hij was het met haar eens. Ze is normaal! Het is nu bevestigd door een beoefenaar der hoogste wetenschappen. Wie had dat ooit gedacht! Eigenlijk is hetgeen waarna zij haar hele leven naar gestreefd heeft in één klap uitgekomen. Ze heeft de normaliteit bereikt. Daar gaat het om. Ze zwaait even met een gebalde vuist in het donker. Verder mag je afwijkend zijn, klein, groot, ziek, gezond, knap, dom. Nou ja dom, dat is weer iets abnormaals, natuurlijk. Mevrouw Bulte zucht. Zou die gozer haar dom vinden? O God, wat is het leven moeilijk! Ze zoekt verwilderd in haar herinnering naar intelligente opmerkingen, maar stuit er op niet één.
Je moet zo weinig mogelijk zeggen, Stien, bedenkt ze. Dat is de truc. Eigenlijk bedient zo’n man zich daar ook van. Zit maar te hummen. Maar wat betekent dat eigenlijk? Is het ja of is het nee of iets anderzijds? Het is een smeermiddel dat als olie de wielen van het gesprek smeert. Daar worden ze helemaal op getraind. Verkooptechnieken zijn het. O, mevrouw Bulte laat zich geen knollen voor citroenen verkopen.
Nog steeds voelt ze zich raar. Ze zweeft een beetje, met die bal van verdriet aan haar vastgeketend. Ze moet dit stante pede relativeren. ‘Die man is jou allang vergeten en nou lig jij nog uren daarna verslagen op bed.’ snauwt ze in gedachten. ‘Mens, doe toch normaal!
Maar wat zei hij nou? Dat ze een beetje verdwaald was. Jammer dat ze niet meteen vroeg, wat hij daarmee bedoelde. Hoe kon hij nou weten, dat het heel wat voeten het in aarde had gehad voor ze op het adres aankwam. Ze was toch keurig op tijd geweest? Soms zijn ze griezelig scherp.
Natuurlijk was ze lelijk opgewarmd door de kou en had ze rode koontjes gehad. Zo is het leven. Maar dan gaat mevrouw Bulte wel eventjes het toneel op. Ze draait zo’n mannetje toch zó om haar vinger.
‘Goedenmorgen!’ Ze had het met flair gezegd. Flinke handdruk gegeven, want dat weet een kind, dat je geen slap handje moet geven. Dat is het ergste uit het bestaan. Val je meteen door de mand.
Maar ja, die eerste indruk, he? Die is het allerbelangrijkst. Het is de enige fractie van een seconde die werkelijk waarheid bevat.
Ze probeert het zich weer voor de geest te halen. Zij; een oude, vervallen vrouw, met van die ongelukkige, grove handschoenen in haar hand. Die Wibra-vibraties ook die ze overal rondstrooit! Pieterdejandosie. Daar moet ze op letten!
En hij; blond, wantrouwig, in de thuiswedstrijd en toch een beetje bang, zoals je dat bent als je zondag verpest wordt door plakkende gasten.
Ze verstijft ervan. Ja, voor zo’n man is het natuurlijk nadrukkelijk lijden steeds maar van die figuren te moeten ontvangen. Hij weet allang dat hij ze niet helpen kan. Maar de schijn moet opgehouden worden om het vak in ere te houden. Daar zijn miljoenen mee gemoeid. O God. Wat zal hij haar in zijn hart weg gewenst hebben.
Mevrouw Bulte wil het liefst door het bed zakken. In het niets oplossen. Waarom is ze in vredesnaam die man lastig gaan vallen? Wie geen eisen stelt leeft in vrede. Dat wist ze toch allang. Hoe ze bij hem terecht gekomen is, kan ze zelf niet begrijpen. Opeens zat ze er gewoon. Toch weer het egoisme van de mens die zijn kop op steekt. Betrapt Stientje Bulte, bedenkt ze verdrietig. Dacht jij dat je meegevoederd kon worden in de trog der welvaart?
Maar de werkelijke fout, bedenkt ze zich, is gelegen in de dwaalgedachte dat je naar een openbare voorziening gaat. En dat is haar schuld niet. Zo wordt het door de buitenwacht voorgesteld. Een voorziening die geestelijke tekortkomingen teniet doet. Hoe zou dat nu mogelijk zijn? Alsof er zoiets als pure liefde zou bestaan op bestelling.. Het is gewoon werk. De een zijn dood, is voor de ander zijn brood en al smaakt dat brood niet altijd even vers, het is wel brood. In een kunstmatig gecreëerde situatie eigenlijk, want er vindt geen natuurlijke selectie plaats. En dan is het maar afwachten voor zo’n man wat voor cliënt hij krijgt en de ongelukkige kreeg mevrouw Bulte. Hij had nog beleefd een vervolgafspraak gemaakt ook. En traan rolt over haar wang.
Geeft niets. Laat maar rollen. Dit is gewoon weer zo’n bitter moment waarop je weet dat je gewoon je mond moet houden en je tijd moet uitbeiden. Nee, ze zou maar de eer aan zich zelf houden en hem verlossen van dat steentje in zijn schoen. Morgen schrijft ze hem een bedankje. Ze stopt haar gebit maar even onder het kussen dat ze liefdevol tegen haar wang vleit. Nu, maar eerst even gaan slapen. Het was toch even heel bijzonder geweest.
Bewust
Hè, wat schreeuwt de televisie. Mevrouw Bulte zoekt de afstandsbediening om het ding zachter te zetten. Ze tast wanhopig onder de kussens van de bank. Het ding is van de aardbodem verdwenen. Waarom duikt hij altijd onder als je hem nodig hebt? Trouwens, ze kunnen toch wel een akoestisch signaal installeren, zodat je hoort waar de afstandsbediening is, zodra je op een knopje van de tv drukt, denkt mevrouw Bulte. Ze maken haar niet wijs, dat ze dat al lang niet bedacht hebben. Maar er zijn natuurlijk belangen in het spel. De maffia van de reclame. Die prijst de hele dag gillend haar waren aan.
Luid leest de nieuwslezer de onderwerpen van het journaal voor. Ze gebruiken een galmende pauk om de sensatie kracht bij te zetten. Mevrouw Bulte houdt het niet meer uit en zet het hele apparaat af.
Tuut, tuut, tuut, wat een rust.
Mevrouw Bulte heeft toch een hekel aan het journaal. In de Middeleeuwen gebeurde er ook van alles, maar de mensen wisten het tenminste niet. De tegenwoordige mens daarentegen moet alles maar weten. Bah. Met een bord op schoot naar overstromingen kijken. Dat is toch onmenselijk. Mevrouw Bulte is nu eenmaal snel ontvankelijk. Dan weent ze even en smaakt haar tafeltje-dek-je anders. De dokter zegt dat dat juist goed is. Maar mevrouw Bulte heeft zo haar bedenkingen. Diepe emoties zijn gevaarlijk, dat weet ze uit ervaring. Een mens moet ten strijde.
Maar dat is juist hetgeen mevrouw Bulte zo moeilijk valt. Het zit niet in haar karakter, hè? Ze heeft iets in zich dat tot lijden aanzet.
Hé, de stilte is erg drukkend vandaag.
Zomaar in de leegte zitten, denkt mevrouw Bulte, is niets voor mij. Dat geeft me een raar gevoel van onrust. Want voor je het weet, heb je je leven alleen maar in- en uitgeademd. Het is maar goed dat een mens niet hoeft na te denken om te kunnen ademen, bepeinst ze. Anders had ze de zeventig niet gehaald. Wat zegt ze, niet eens de dertig! Alles in het leven heeft ze toch als een kip zonder kop gedaan. Of was het ene, een uitvloeisel van het ander? Dat alles heeft ze al duizenden keren overdacht, maar ze weet er geen duidelijk antwoord op.
Laat ik mijn leven opschrijven, denkt ze. Ik schrijf mijn leven op en plaats mijn ziel tegenover de lamp der waarheid. Ik mag me nergens schuldig over voelen. Ik schrijf en ik kijk. Ik heb niets met mijzelf te maken. Laat ik bij het begin beginnen.
Toen ik geboren werd, liepen bij ons de ratten over tafel.
Vader stal een brood en zat drie jaar.
Wij (Jans en ik) gingen naar het katholieke schooltje, waar we blokletters moesten leren schrijven (Daarom schrijf ik deze wilde letters)
Maar daar ging ik na een jaar weg wegens katholieke mistoestanden.
De oorlog. Vader scharrelde altijd iets te eten.
Na de oorlog: Op de kar mee met vader, groenten verkopen, weer of geen weer.
Eerste en enige liefde: Jan Brostra (wat die mij een leed aangedaan heeft, is met geen pen te beschrijven)
27 jaar -In verwachting van Josefien, mijn leven verwoest, maar wat heb ik het lief gehad.
31 jaar- huwelijk met S.J.G. Grom
33 jaar gescheiden
34 tot op heden: ademgehaald
Zo, dat is het stramien, denkt mevrouw Bulte. Het is zijn weinig woorden voor een lang leven.
Ze zal eerst maar eens een boterhammetje eten. Dat moest Piet Paaltjes tenslotte ook. 'Mijn worst, mijn heerlijke worst', zingt het in haar terwijl ze het keukentje in gaat.
En dan mijn margarine, denkt ze. Het leven is een feest.
Want ze heeft een kuipje margarine gekocht bij de supermarkt, waar met grote letters het woord BEWUST op staat. En dat is toch wel prettig, vindt ze. Zo'n kreet waarmee ze je bestaan proberen op te vrolijken. En het is hen nog een beetje gelukt ook, bedenkt mevrouw Bulte.
Het is toch bijzonder tegenwoordig, dat ze dat soort dingen doen. Iedere keer als ze nu een boterhammetje smeert, ziet ze het staan: BEWUST. En dat is nu precies datgene waar mevrouw Bulte zo naar streeft. Een helder bewustzijn. En dat je dat dan zomaar inclusief op je brood smeert. Het is toch wonderlijk. Dat was er allemaal niet in haar tijd.
Het is natuurlijk vernachelerij, dat weet mevrouw Bulte ook wel, maar het brengt je toch op ideeën. Het zijn kleine speldenprikjes die je ego strelen; Ik koop niet zomaar een boter. Ik doe het weloverwogen. Want ik wens een hoger bewustzijn. Daarom koop ik deze boter. Want mevrouw Bulte weet precies hoe een koe een haas vangt. Dat soort trucjes zijn zo oud als de wereld. Maar desalniettemin; het heeft iets opwekkends.
Trouwens, het is een wonder op zich dat ze boter heeft. Dat soort dingen vergeet ze ook wel. Want ergens vindt mevrouw Bulte dat een mens van alles moet kunnen genieten. Droog gaat het ook. Wel ja. Geef maar zo min mogelijk de aandacht aan de primaire dingen van het bestaan. Wat je eet. Hoe je slaapt. In wat voor bed je ligt. Hoe de weersomstandigheden zijn. Het laat mevrouw Bulte koud, hoor. Laat het maar waaien. Mevrouw Bulte is met de essentie bezig. En als de omstandigheden dan mee vallen, is een mens toch dubbel gelukkig?
Zoals vandaag. Het zonnetje schijnt zo heerlijk binnen. Precies goed. Net genoeg om je erover te verbazen.
Mevrouw Bulte eet haar boterhammetjes in volstrekte stilte. Nu mooie muziek opzetten zou afbreuk doen. Schrijven wil ze niet meer.
Laat het verleden maar het verleden, denkt ze. Weg. Opgelost.
Nee, het geluid van verkeer in de verte is haar genoeg. Ze is mooi niet alleen op aard. Mevrouw Bulte constateert het tevreden, al weet ze niet goed, wat dat in praktische zin voor haar inhoudt. Die auto's zijn immers ver weg. Met daarin unieke levens, volledige universa eigenlijk, waarin iedereen zijn eigen hoofdrol speelt. Eigenlijk een misverstand dat welhaast deel moet uitmaken van een der diepste wereldgeheimen. Want sta er maar eens bij stil: miljarden wezens leven alsof zij het middelpunt der aarde zijn. En in werkelijkheid is er niet één het middelpunt. Het is toch ongelofelijk!
Tjonge, die boter blijkt wel te werken. Zulke bewustwordingen overkomen je niet elke dag. Toch moet het wel betrouwbaar zijn. Het spul is veilig de gezondheidszorg door gekomen. Dat wordt allemaal gecontroleerd in zo'n land als Nederland.
Zo en nu nog even een kopje thee en dan is een mens weer helemaal gesteld. Nu mag de televisie ook wel weer aan. Als de reclame niet alles overstemt, zijn die geluiden wel gezellig.
Bewust
Hè, wat schreeuwt de televisie. Mevrouw Bulte zoekt de afstandsbediening om het ding zachter te zetten. Ze tast wanhopig onder de kussens van de bank. Het ding is van de aardbodem verdwenen. Waarom duikt hij altijd onder als je hem nodig hebt? Trouwens, ze kunnen toch wel een akoestisch signaal installeren, zodat je hoort waar de afstandsbediening is, zodra je op een knopje van de tv drukt, denkt mevrouw Bulte. Ze maken haar niet wijs, dat ze dat al lang niet bedacht hebben. Maar er zijn natuurlijk belangen in het spel. De maffia van de reclame. Die prijst de hele dag gillend haar waren aan.
Luid leest de nieuwslezer de onderwerpen van het journaal voor. Ze gebruiken een galmende pauk om de sensatie kracht bij te zetten. Mevrouw Bulte houdt het niet meer uit en zet het hele apparaat af.
Tuut, tuut, tuut, wat een rust.
Mevrouw Bulte heeft toch een hekel aan het journaal. In de Middeleeuwen gebeurde er ook van alles, maar de mensen wisten het tenminste niet. De tegenwoordige mens daarentegen moet alles maar weten. Bah. Met een bord op schoot naar overstromingen kijken. Dat is toch onmenselijk. Mevrouw Bulte is nu eenmaal snel ontvankelijk. Dan weent ze even en smaakt haar tafeltje-dek-je anders. De dokter zegt dat dat juist goed is. Maar mevrouw Bulte heeft zo haar bedenkingen. Diepe emoties zijn gevaarlijk, dat weet ze uit ervaring. Een mens moet ten strijde.
Maar dat is juist hetgeen mevrouw Bulte zo moeilijk valt. Het zit niet in haar karakter, hè? Ze heeft iets in zich dat tot lijden aanzet.
Hé, de stilte is erg drukkend vandaag.
Zomaar in de leegte zitten, denkt mevrouw Bulte, is niets voor mij. Dat geeft me een raar gevoel van onrust. Want voor je het weet, heb je je leven alleen maar in- en uitgeademd. Het is maar goed dat een mens niet hoeft na te denken om te kunnen ademen, bepeinst ze. Anders had ze de zeventig niet gehaald. Wat zegt ze, niet eens de dertig! Alles in het leven heeft ze toch als een kip zonder kop gedaan. Of was het ene, een uitvloeisel van het ander? Dat alles heeft ze al duizenden keren overdacht, maar ze weet er geen duidelijk antwoord op.
Laat ik mijn leven opschrijven, denkt ze. Ik schrijf mijn leven op en plaats mijn ziel tegenover de lamp der waarheid. Ik mag me nergens schuldig over voelen. Ik schrijf en ik kijk. Ik heb niets met mijzelf te maken. Laat ik bij het begin beginnen.
Toen ik geboren werd, liepen bij ons de ratten over tafel.
Vader stal een brood en zat drie jaar.
Wij (Jans en ik) gingen naar het katholieke schooltje, waar we blokletters moesten leren schrijven (Daarom schrijf ik deze wilde letters)
Maar daar ging ik na een jaar weg wegens katholieke mistoestanden.
De oorlog. Vader scharrelde altijd iets te eten.
Na de oorlog: Op de kar mee met vader, groenten verkopen, weer of geen weer.
Eerste en enige liefde: Jan Brostra (wat die mij een leed aangedaan heeft, is met geen pen te beschrijven)
27 jaar -In verwachting van Josefien, mijn leven verwoest, maar wat heb ik het lief gehad.
31 jaar- huwelijk met S.J.G. Grom
33 jaar gescheiden
34 tot op heden: ademgehaald
Zo, dat is het stramien, denkt mevrouw Bulte. Het is zijn weinig woorden voor een lang leven.
Ze zal eerst maar eens een boterhammetje eten. Dat moest Piet Paaltjes tenslotte ook. 'Mijn worst, mijn heerlijke worst', zingt het in haar terwijl ze het keukentje in gaat.
En dan mijn margarine, denkt ze. Het leven is een feest.
Want ze heeft een kuipje margarine gekocht bij de supermarkt, waar met grote letters het woord BEWUST op staat. En dat is toch wel prettig, vindt ze. Zo'n kreet waarmee ze je bestaan proberen op te vrolijken. En het is hen nog een beetje gelukt ook, bedenkt mevrouw Bulte.
Het is toch bijzonder tegenwoordig, dat ze dat soort dingen doen. Iedere keer als ze nu een boterhammetje smeert, ziet ze het staan: BEWUST. En dat is nu precies datgene waar mevrouw Bulte zo naar streeft. Een helder bewustzijn. En dat je dat dan zomaar inclusief op je brood smeert. Het is toch wonderlijk. Dat was er allemaal niet in haar tijd.
Het is natuurlijk vernachelerij, dat weet mevrouw Bulte ook wel, maar het brengt je toch op ideeën. Het zijn kleine speldenprikjes die je ego strelen; Ik koop niet zomaar een boter. Ik doe het weloverwogen. Want ik wens een hoger bewustzijn. Daarom koop ik deze boter. Want mevrouw Bulte weet precies hoe een koe een haas vangt. Dat soort trucjes zijn zo oud als de wereld. Maar desalniettemin; het heeft iets opwekkends.
Trouwens, het is een wonder op zich dat ze boter heeft. Dat soort dingen vergeet ze ook wel. Want ergens vindt mevrouw Bulte dat een mens van alles moet kunnen genieten. Droog gaat het ook. Wel ja. Geef maar zo min mogelijk de aandacht aan de primaire dingen van het bestaan. Wat je eet. Hoe je slaapt. In wat voor bed je ligt. Hoe de weersomstandigheden zijn. Het laat mevrouw Bulte koud, hoor. Laat het maar waaien. Mevrouw Bulte is met de essentie bezig. En als de omstandigheden dan mee vallen, is een mens toch dubbel gelukkig?
Zoals vandaag. Het zonnetje schijnt zo heerlijk binnen. Precies goed. Net genoeg om je erover te verbazen.
Mevrouw Bulte eet haar boterhammetjes in volstrekte stilte. Nu mooie muziek opzetten zou afbreuk doen. Schrijven wil ze niet meer.
Laat het verleden maar het verleden, denkt ze. Weg. Opgelost.
Nee, het geluid van verkeer in de verte is haar genoeg. Ze is mooi niet alleen op aard. Mevrouw Bulte constateert het tevreden, al weet ze niet goed, wat dat in praktische zin voor haar inhoudt. Die auto's zijn immers ver weg. Met daarin unieke levens, volledige universa eigenlijk, waarin iedereen zijn eigen hoofdrol speelt. Eigenlijk een misverstand dat welhaast deel moet uitmaken van een der diepste wereldgeheimen. Want sta er maar eens bij stil: miljarden wezens leven alsof zij het middelpunt der aarde zijn. En in werkelijkheid is er niet één het middelpunt. Het is toch ongelofelijk!
Tjonge, die boter blijkt wel te werken. Zulke bewustwordingen overkomen je niet elke dag. Toch moet het wel betrouwbaar zijn. Het spul is veilig de gezondheidszorg door gekomen. Dat wordt allemaal gecontroleerd in zo'n land als Nederland.
Zo en nu nog even een kopje thee en dan is een mens weer helemaal gesteld. Nu mag de televisie ook wel weer aan. Als de reclame niet alles overstemt, zijn die geluiden wel gezellig.
O, wat is mevrouw Bulte verslagen. Een mens heeft menselijk contact nodig, maar een teveel ervan kan je toch zo de strop om doen. Nu ligt ze hier in het halfduister en voelt hoe haar hart luid kloppen. Wat mevrouw Bulte moet leren is, dat niet elke onschuldige handeling geluk brengt. Nu heeft ze weer haar tanden stukgebeten op een vrouw die haar zo een frisse verschijning had geleken. Johanna Winters. Deze Winters had haar ongelukkiger wijze gespot op de hoek van Reestraat.
‘Kom nou, Stien, we hebben je nodig. We geven een demonstratie in het Vondelpark. En jij moet koekjes en thee rondbrengen.’
Hoewel mevrouw Bulte door levenservaring de betrekkelijkheid van de woorden 'nodig' en 'moeten' volkomen doorziet, is ze te langzaam met het bedenken van met smoesjes. Het begint mevrouw Bulte dan altijd zo te duizelen, dat anderen haar aarzeling voor een gat aanzien, waar ze meteen in springen.
‘Als je niet komt, beschouw ik dat als een persoonlijke belediging,’ klapte Winters de val dicht.
Nou ja, goed, zo een buil zal je je niet vallen, Stien, had ze gedacht. Je laat gewoon je neus even zien. Want dat van die thee en koekjes rondbrengen, voelde ze al meteen dat dat niet waar was. Alsof ze dat háár zouden laten doen. Die wijven vervelen zich toch dood. Ze had er wel minstens zes verwacht. En toen ze aankwam waren ze al met zijn achten.
Ja, ieder mens wil zich graag even ergens opbergen en daar hoeft mevrouw Bulte zich eigenlijk niet voor te schamen. Al dat liefdadigerswerk en Arbeid-Adelt-gedoe heeft uiteindelijk maar één functie; jezelf in de wereld te manifesteren. Het blijft een concurrentiestrijd. Daarom komt er zoveel vijandigheid bij kijken.
Ze had zich bij aankomst van de kraam al opgelaten gevoeld. Maar ja, ze wilde geen aanknopingspunten geven aan die leeghoofden voor een roddeltje op haar kosten. Als ze nu wegliep werd dat meteen geregistreerd. Dus ze was maar een beetje blijven hangen. Naar die breiwerkjes kijkend of de Heilige Graal erin verstopt zat. Van die idiote, malle poppetjes. Een kind zou zich een ongeluk schrikken van die dingen.
Mevrouw Bulte laat de armen slap naast zich hangen. Ze ligt lekker en toch doet alles pijn. Bewegen kan ze zich niet.
Wat haar steekt is dat ze op haar leeftijd nog steeds niet geleerd heeft, zich uit bepaalde situaties te redden.
‘Jongens, Ik ga wel met het trammetje,’ had ze gezegd. Natuurlijk, zo was ze toch ook gekomen. Maar nee, daar kon geen sprake van zijn en Winters ging meteen bij wildvreemde mensen bedelen of Bulte mee kon rijden. Oh, oh, wat doen mensen elkaar toch aan! Een jonge man van in de veertig had uiteindelijk nauwelijks merkbaar ja geknikt. Vaag kende mevrouw Bulte hem. Het was een jongen van het Waterlooplein. De hele situatie stond haar tegen. Ze weet dat mensen mee laten rijden lastig is voor alle betrokkenen.
Maar goed. Mevrouw Bulte liet zich maar stromen. De minste weerstand geeft altijd de minste problemen. Maar nu had diezelfde Harry na een half uur tegen haar gezegd dat hij ineens zes personen te vervoeren had. En mevrouw Bulte (ze weet zelf niet hoe ze zo alert kwam) wist meteen dat er dus één te veel was. Soms werkten haar neuronen blijkbaar nog vliegensvlug. ‘Geeft niet jongen, ik neem de tram,’ had ze sympathiek gezegd. ‘Heb toch een ov-kaartje.’
Alles was in orde geweest als mevrouw Winters zich er niet onmiddellijk mee bemoeid had. Opstandig ging ze bij iedere stand vragen of mevrouw Bulte mee mocht naar het centrum.
Mevrouw Bulte balt haar knuisten bij de herinnering.
‘Laat me toch,‘ had ze steeds gezegd. ‘Ik wacht gewoon even op lijn twee.’
‘Nee,’ zei Winters, ‘Wij krijgen jou in een auto naar huis.’ En zij maar als een dom schapenpakket achter Winters aan, die fervent de leiding genomen had. Iedereen was bezig en overal kreeg Winters nul op het rekest. Mevrouw Bulte werd steeds ongelukkiger.
Dit is mijn leven in een notendop, dacht ze. Wat sta ik hier. Ik ga gewoon. En ze was zomaar weggelopen. Maar die wijven begonnen te roepen. ‘Stien! Stien!’ Het leken wel gongslagen.
Ik doe net of ik het niet hoor, had ze gedacht en ze liep driftig door.
Maar Winters weer achter haar aan, hoor.
‘Stien, we nemen een taxi’!’ riep ze. ‘Ik breng je wel naar huis.’
‘Maar jij woont hier toch vlak achter!’ had mevrouw Bulte vertwijfeld geroepen.
‘Nou, ik heb wel zin in een ritje,’ zei Winters vrolijk. Ze is doodop, dacht mevrouw Bulte boos en ze doet heel gemaakt of ze nog heel elastisch is.
‘Dat is helemaal nergens voor nodig.’ Ze probeerde het zo ferm mogelijk te zeggen. ‘Ik ga met de tram. Daar is een halte. Hij komt over drie minuten!’
Maar Winters liet haar prooi niet los. ‘Ja, maar ik kom bij je op bezoek!’
Mevrouw Bulte raakte stante pede geëlektriseerd. Naar haar huis? Haar grootste, duistere geheim. Dat grauwe gangetje, dat gore behang en die kapotte stoelen. Met dat gemaakte nieser? Hier moet onmiddellijk ingegrepen worden.
‘Waarom nemen we niet gezellig een drankje in dat cafeetje daar en daarna neem ik het volgende trammetje..’ Ze probeerde niet te gaan huilen, maar was eigenlijk al over de rand.
‘Goed dan,’ zei Winters. ‘Ik begrijp alleen niet waarom je zo doet.’
‘Hoe doe ik dan?’ vroeg ze zich verwilderd af. Mevrouw Bulte kon niet meer helder denken
‘Waarom ben je nu precies zo kwaad?’
‘Ik ben helemaal niet kwaad,’ zei mevrouw Bulte.
‘Jawel, je liep boos weg. Je bent helemaal rood.’
‘Ik houd er niet van andere mensen lastig te vallen. Ik wilde gewoon met de tram gaan.’
‘Je moet jezelf niet zo wegcijferen. Je had tegen Harry moeten zeggen, dat hij je die plaats beloofd had. Dan laat je je toch niet wegsturen!’
Ottelenooie, dacht mevrouw Bulte, waar ben ik in terecht gekomen?
‘Iedereen zag je boos weglopen, zoiets geeft aanstoot. Zij konden er toch ook niets aan doen dat er geen plek was.’
Mevrouw Bulte besefte dat dit een van die momenten in het leven is waarin je niets anders kunt doen dan lijdzaam afwachten tot de tornado je weer op aarde terugwerpt.
Laat me van binnen heel blijven, bad ze.
‘Ik was echt niet boos,' zei ze. 'Ik wilde gewoon weleens opstappen. Je bent zo dominant, Johanna. Daar wilde ik me aan onttrekken.’
‘O, dus nu is het mijn schuld! Dat is helemaal mooi!’ Winters blies bijna.
‘Nee, natuurlijk niet. Ik begrijp dat je bezorgd om me was. Dat was heel lief van je,’ krabbelde mevrouw Bulte terug. Pieterdejandrie. Geen openlijke vijandschappen!
‘En je hebt gelijk,’ praatte ze snel door. ‘Ik had flinker moeten zijn met Harry. Hij zei alleen maar dat er zes personen waren. Waarom moet ik dan onmiddellijk denken dat ìk er één teveel ben. Waarom kan dat niet iemand anders zijn?’
‘Ja, precies!’ zei Winters met dikke instemming. Haar ogen die wat rood waren, kregen een vreemde twinkeling. ‘Dat bedoel ik nou, je moet assertiever zijn. Waarom zou iemand je nou niet even naar huis kunnen brengen? Met de tram moet je toch nog een aardig stuk lopen.’
Mevrouw Bulte was niet gewend om zo te denken. Het stond zo ver van haar manier van zijn, dat ze van de weeromstuit nog enige episodes uit haar leven aanhaalde die demonstreerden dat het haar aan het geringste zelfbewustzijn ontbrak. Ze ging door de knieën en Winters voedde zich vol minachting met haar verhalen.
Eindelijk kwam de tram, de verlossing. Mevrouw Bulte liet zich bewegingloos vervoeren, terwijl zich in haar hoofd een tumultueus epos afspeelde. De reflectie van haar gezicht in het raam verraadde niets van de strijd van binnen. Tersluiks keek ze rond, maar er was niemand die op haar lette.
Ik ben weer geruisloos in het niets geworpen, wist mevrouw Bulte.
Thuisgekomen wierp ze zich meteen op bed en werd wonderlijk genoeg snel soezerig. Alsof de wetenschap dat ze weer alleen was, haar omhulde als een barmhartige deken.
Maar nu weet mevrouw Bulte wat haar te doen staat. Zij zal zich schuil houden voorlopig. Want één ding staat vast; zodra je je in de menigte begeeft, kun je door elkaar geschud worden door het lieve leven. Het is afgelopen; geen bingo met Gerard, geen ontmoetingen in Flesseman, zelfs geen supermarkt. En vooral geen gesprekken met Jans over de telefoon.
Dat doen dieren ook, denkt mevrouw Bulte terwijl ze diep adem haalt. Volg de natuur en je neemt altijd de verstandigste maatregel. Kruip dus je hol maar in en lik je wonden! De tijd is de je pleister en je schild.
Hunkeren
Mevrouw Bulte weet zelf niet waarom ze zo gehecht is aan het leven. Eigenlijk is haar bestaan tot op het minimum gereduceerd. Geen gezinsleven, geen overdadige portemonnee. Haar huisje is klein en rommelig. Het staat weliswaar in een overweldigende stad, maar ook al maakt mevrouw Bulte die plek dagelijks het hof, Amsterdam laat haar nooit echt toe. Niet in die zin dat zij er deel van wordt en het geluksgevoel dat de stad uitstraalt, ook het hare wordt.
Welnee, ze mag slechts meerijden in de tram, de lift van overvolle warenhuizen betreden en op het tonen van het toegangsbewijs ook nog enige culturele gebouwen: het museum, de schouwburg en het concertgebouw. Nu ja, niet dat ze daar altijd het geld voor heeft. Mevrouw Bulte kent de culturele wereld voornamelijk van de buitenkant. Maar dat is op zich al een genoegen. Ze loopt kwiek langs de gevels van de gerenommeerde huizen. Maar echt naar een voorstelling gaan, nee. Dat is haar ook eigenlijk allemaal te machtig. Het is en blijft een recht van de gegoede burgerij, bedenkt ze gelaten.
Want als je echt alles mee kon maken wat er in zo een stad gebeurt, zou je er door overweldigd raken. Zelfs 's nachts gebeurt er van alles. Mevrouw Bulte hoort het gezinder als de avond valt wel, hoor! En oude dame zoals zij, houdt zich daar natuurlijk verre van. De brabbelende kant van het leven met zijn naweeën zou toch onverdraaglijk zijn.
Maar wat haar verbaast is dat zelfs een openbare plek als het stadspark op klaarlichte dag haar ook niet zo vriendelijk gestemd is. Hoe hoog ook de boomkruinen boven haar hoofd wuiven, hoe statig de stammen ook torenen in een beeldschone lucht, hoe zeker ze ook weet dat haar voeten over de kiezels schuifelen, toch beleeft ze het als een geleende ervaring. Een soort gratis uitje waarvan het einde het beleefde overschaduwt en niets vanzelfsprekend wordt.
De mensen om haar heen schijnen daar wel aanspraak op te mogen maken. Van hen ja, zijn die huizen, de stoepranden, de blinkende auto’s en de treinen die voorbij zoeven in de verte. De brug is er voor hen, zij zijn er niet voor de brug.
Dat gevoel heeft mevrouw Bulte al haar hele leven niet gekend. Ze zal nooit ongegeneerd in het leven zakken. Dat deed ze ook niet toen ze jong was en een mens nog niet zo over de eindigheid der dingen nadenkt. Mevrouw Bulte buigt voor het decor waar ze in leeft. Ze is daadwerkelijk dankbaar. Ik mag toch maar lekker over dit aangelegde steigertje lopen, denkt ze dan. Dat niemand het haar verbiedt, dát is haar rijkdom.
Maar in zijn diepste wezen, bedenkt mevrouw Bulte, leeft ze als een banneling. Soms lijkt het of ze altijd maar rondjes draait. Weer naar die markt, weer naar de Zeeman. Of ze in een bekoorlijke dauwdruppel leeft waar geen kern in zit. Er ontbreekt iets. Maar wat? Ja, bepeinst ze, zij mist de rust om niet te hunkeren. Zij hunkert naar een gebaar dat voorgoed alle twijfel rondom haar bestaansrecht wegneemt. Een omhelzing van het leven die het vagevuur in haar binnenste dooft.
Houd nou toch op, Stientje, berispt zij zich. Wat zijn dat toch voor duistere gedachten. Sla er ieder willekeurig boek maar op open. Elk weldenkend mens weet dat hij in zijn diepste wezen alleen is, al heeft hij duizend familieleden. Je wordt alleen geboren en je gaat alleen weer dood. Niemand die met je mee kan, hoor! Het decor met zijn toneelspelers verschilt van mens tot mens, maar het blijft in wezen een spel, waarvan het doek weer vallen zal.
Natuurlijk, de eerste levensjaren zijn belangrijk. Daar moet je van je voortbrengers de zekerheid krijgen dat het goed is, dat je bestaat. En ook enig talent om je door het leven te slaan is onontbeerlijk. Mevrouw Bulte snuift zachtjes. Eigenlijk ben ik genetisch een van de armsten op aarde en toch probeer ik in de balans te blijven, denkt mevrouw Bulte. Is dat geen pluim waard?
Mevrouw van Bulte begrijpt zelf niet goed waarom ze vandaag zo zwaar op de hand is. Ze gelooft dat het komt doordat ze teveel denkt. Wie denkt, zal lijden. Is dat niet een spreekwoord? Minder denken, Stientje Bulte. Wat niet weet, wat niet deert.
Ze kijkt uit het raam waar de meeuwen hongerig om het gebouw cirkelen. Ja, met de meeuwen kan ze zich wel identificeren. Die zijn ook zomaar het leven in geslingerd. Alleen hun onschuld voorkomt dat ze geen vragen stellen. Daar kun jij nog wat van leren, Stientje! Ze zal die stakkers wat lekkers geven. Ze moet het snel doen, want de buren zijn bang voor hun ramen. Daar krijg je gauw gedonder mee. Maar het is zo verrukkelijk ze te zien schrokken. Ze gooit een paar korsten uit het raam. Zo hoog mogelijk. In hun vlucht pakken ze het brood. Ze happen naar elkaars bekken en fladderen heel dicht tegen de gevel aan. O, het zijn nog flinke beesten.
Die gaan toch ook niet twijfelen of dit een zinsbegoocheling is of niet. Er wordt iets gegooid en ze happen ernaar! Dat kun jij toch ook gewoon doen? Smikkel en smakkel straks maar lekker een taartje. Je moet je nergens schuldig om voelen. Gewoon als een vrije vogel ergens in happen.
Mevrouw Bulte legt haar dikke enkels hoog in de kussens op de bank. Ze voelt zich opeens zo zalig, dat ze te lui is om naar de krant te reiken, die op het tafeltje voor haar ligt. ‘Ooooh,' kreunt ze zachtjes, ‘wat is het leven verrukkelijk. 'Oh, oooh, wat lig ik heerlijk!’ Ze hoeft niets. Daarom blijft ze onbeweeglijk liggen. Geluksgevoelens borrelen in haar op. Zo sterk dat ze lichtelijk pijn gaan doen. Oeps, niet voelen. Niet denken! Anders slaat het door naar de andere kant. Ze kent haar gevoelens. Die glijden als kralen heen en weer naar de uiteinden van een touwtje. Niet bewegen. Gewoon de boel in het midden laten hangen. Al dat gehunker is nergens goed voor. Mevrouw Bulte zet haar voeten ferm op de grond en voelt hoe de aarde even stopt met draaien onder haar gewicht. Alles wat ze nodig heeft, kan toch eigenlijk een bundeltje dat een vagebond met zich meedraagt.
Wensen
De pen glijdt over het papier. Een nieuw schrijfblok. Daar heeft mevrouw Bulte zichzelf op getrakteerd. Jawel! Ze is niet bang er iets in op te schrijven. Je scheurt die vellen er zo weer uit. De eerste de beste zin die in haar op komt schrijft ze op.
Wat wil je?
Mevrouw Bulte fronst het voorhoofd. Ze heeft geen idee. Alles is er toch, wat knaagt er dan nog?
Ik zou willen vliegen
Vliegen, dansen, draaien
gewichtloos zijn
Lachen als een gekieteld kind
Ja, maar wat wil je nu?
O.K. Ze wil iets. Ze wil dringend iets. Het is als een drang die ze dringend voelt. Naar wat? Ze is te doezelig om er de vinger op te leggen.
Kijk, hier is ze toch op iets gestoten wat zeer belangrijk is. Komen hier al haar ongelukkige gevoelens vandaan?
Ik wil jouw stem en liefde
Ik wil jouw liefde voor mij
Ik wil niet dat dit verleden tijd is
Maar nu en voor altijd
Dit is wat ze wil. Maar over wie heeft ze het nu eigenlijk? Mevrouw Bulte heeft er geen antwoord op. Het lijkt wel of ze als ze dit zou weten, achter alle dingen zou komen. Achter alle grote geheimen van haar bestaan.
Ze denkt aan haar moeder die altijd zenuwachtig liep te redderen. Dat ligt ver in het verleden. Dat is weg en dat heb je als zeventigjarige maar te accepteren. Zij kan het dus niet zijn.
Kom op Stientje! Raak de kern aller dingen.
Ga toch diep! beveelt mevrouw Bulte zichzelf. Zij wil iets beschrijven, wat zij niet beschrijven kan. Het gevangen zijn. Gevangen in het leven. Zo moederziel alleen in dit universum.
Ik wil een thuis
Ja, nu komen we ergens
Maar wat is een thuis?
Thuis zijn is zijn
Op een plek waar je hoort.
Waar er met vreugde wordt gereageerd
Op jouw aanwezigheid.
Of in ieder geval met
Vanzelfsprekendheid
En wie is er nu blij met haar bestaan? Het maakt voor niemand iets uit. En iemand die leeft zonder bestaansrecht moet heel voorzichtig leven. Ja, je bent eigenlijk een zwerver met een dak boven je hoofd. Mevrouw Bulte buigt het hoofd. Een grote borst opzetten is er niet bij.
Toch voelen anderen die alleen staan zich niet ontheemd. Waarom zij dan wel?
Denk aan alle goede jaren die je nog wachten, denkt ze stijfjes. Het is toch niet slecht hier. Er is toch geen oorlog. Er komen toch geen gewapende mannen die je doodschieten. En ook al zouden ze komen? Op de een of andere manier zal je het wel redden. Zelfs in de dood.
Hè, wat een vreemde gedachten heeft ze toch!
Kijk Stien, spreekt ze zichzelf in gedachten toe. Het menselijke vermogen is uiterst flexibel. Je bent nog steeds niet gek geworden. Dat is jouw prestatie. Wie zou er niet gek worden? Het hele bestaan is toch te gek voor woorden. Maar je bent kalm gebleven. Je kunt nog steeds functioneren. Nu ja, laten we zeggen, men heeft nog steeds niets aan je gemerkt. Je doet geen gekke dingen. Je hebt een koel, analytisch vermogen. Kijk maar. Het is zondag, 21 september. Dat weet je, want dat staat hier in de krant. Mevrouw Bulte buigt over de krant met haar leesbril in de hand om te zien of ze het wel goed gelezen heeft.
‘Ja.’
‘Dan is alles toch goed’, besluit ze zwakjes.
Mevrouw Bulte zou het liefst in beweging komen en voor zichzelf een lekker kopje koffie zetten. Maar er komt geen beweging in haar lijf. Geen millimeter verschuift haar voet. De koffie van vanochtend brandt nog in haar slokdarm. Eigenlijk zou ze nu muziek moeten opzetten. Waarom beweegt ze niet? Zo gaat het leven wel erg traag. Een zonnestraal verlicht de kamer. Toeval of God die weet dat ze hier zit te sippen?
Mevrouw Bulte stelt zich voor hoe de zon haar lichaam verlicht met wilskracht. Ze fantaseert hoe de levenskracht terugkomt in haar benen en armen. Dan zet ze zich met al die goddelijke energie in beweging. Moeiteloos verheft ze zich van haar stoel.
Het is weer gelukt, denkt mevrouw Bulte tevreden. Zie je. Weer een teken dat alles in zijn diepste wezen goed is.
Toch is dat tegelijkertijd het probleem, bedenkt ze. Dat gewichtloze gevoel maakt dat ze niet echt bestaat, maar meer in een film rondzweeft. Daar wordt ze een beetje eng van.
Ik moet concrete dingen gaan doen, grijpt ze in. Kom op Stientje, er is genoeg te doen. Er ligt veel rommel op de tafel. In plaats van dat gesuf over wat je wilt, kun je in ieder geval zorgen, dat de boel aan kant is. Daarna mag je weer mijmeren.
Ze grijpt naar een kartonnen doosje. ‘Dit zijn de suikerklontjes, en suikerklontjes horen in de keuken,’ zegt ze hardop en legt het doosje op het aanrecht. Ze gaat gauw terug naar haar warme kamer. Daar neemt ze een haarborstel in de hand. ' Dit is een haarborstel,' zegt ze met besliste stem ‘en een haarborstel hoort in de badkamer.'
'Ze schuifelt naar de badkamer en legt het ding op een plank. Er zitten veel grijze haren in. Je eigen grijze haar in je eigen huis. Thuiser kan het niet.
Al mijn erfelijke belasting zit er erin, denkt mevrouw Bulte, terwijl ze naar de huiskamer schuifelt. Dat idee heeft iets magisch. Reken maar dat de wetenschap daar haar onschuld mee kan bewijzen.
Het is allemaal gegaan, zoals het moest gaan. Ze zou eigenlijk nog een haar van pa moeten hebben en deze naast die van haar moeten leggen. En dan daarnaast weer een haar van diens vader. Wat zouden historische onderzoekers daar wel niet in kunnen vinden? De rode draad van onvermogen.
Want de mens plant zich maar voort. Nu, voor God maakt het niet uit. Voor hem is het een nieuwe aflevering van een soap. Een smakelijke roman. Dat mag je God niet kwalijk nemen. Zo heeft Hij ook nog een beetje lol van zijn schepping. Maar voor de mens is het minder. Die arme rolt maar van rol tot rol. Shakespeare zei het al. De wereld is een toneel en alle vrouwen en mannen niet meer dan toneelspelers in hun eigen theater.
Maar dat ouders eerder dood gaan dan hun kinderen, dat is niet goed geregeld, schudt mevrouw Bulte haar hoofd. Dat moet anders. Je vader en moeder zouden levenslang bij je moeten zijn. Al zijn ze maar ergens in een schuilbunkertje, maar dat plotsklaps voorgoed weg is toch onmenselijk.
Straks is Josefien ook alleen over. Mevrouw Bulte zou alles er voor over hebben om haar het leed te besparen. Maar dat is een onmogelijke zaak. Gelukkig beseft Josefien nauwelijks wat haar boven het hoofd hangt. Immers, je kunt niet weten hoe het is om alleen over de wereldbol te sjokken tot het zover is dat je er volkomen alleen over sjokken moet. Zo is het toch? Het enige wat ze kan doen is haar aan te sporen moedig haar levenspad voort te zetten. En dat zal ze ook wel doen. Josefien is een verstandige vrouw.
Eigenlijk ben ik op mijn best als ik haar verwennen kan. Zo een genot als het is om haar te zien genieten. Mergpijpjes, daar is Josefien gek op. Eigenlijk heeft ze een heel arsenaal snoep en gebak waar ze gek op is. En daar heeft mevrouw Bulte toch maar mooi voor gezorgd. Toen Fientje klein was, kreeg ze alles wat mevrouw Bulte haar maar geven kon. Zodat Josefien zichzelf later goed zou kunnen troosten. Want daar gaat het uiteindelijk in het lieve leven om. Troost. Dat soort wijze levenslessen heeft ze haar dan toch maar meegegeven.
Zondag over twee weken komt ze. Mevrouw Bulte heeft het eigenlijk heel druk. Ze moet haar lieve kind ontvangen. Ze zal zorgen dat het er hier heel gezellig uit zal zien. En schoon, want Josefien is precies, hoor! Die wil elke dag schone kopjes. Het is maar het beste als ze niet teveel in de keuken komt. Dan kan mevrouw Bulte haar helemaal verzorgen. Ze zal de heerlijkste spijzen in huis halen. Dan mag Josefien helemaal zichzelf zijn. ‘Ga maar liggen, kind.’ zal ze zeggen. ‘Wat zijn jouw wensen? Je zegt het maar. Je kunt alles van me krijgen. Wat zou je willen?’
Mevrouw Bulte heeft een provocatieve meneer op televisie gezien. 'Buitengewoon,' mompelt ze. Ze heeft hem al een paar keer gezien. Jeffi Wijnberg heet hij. Een donkere man met glinsterende ogen en een snor. Ja, dat laten ze tegenwoordig allemaal op televisie zien, hoor. Hele sessies. Het meest
onder de indruk is mevrouw Bulte bij de uitzending van een Hell Angel die steeds zo verschrikkelijk moest huilen. Nu dat is voor haar ook op toepassing. Mevrouw Bulte is zo verschrikkelijk
sentimenteel.
Hoe zou hij haar aangepakt hebben, vraagt mevrouw Bulte zich af. In gedachten kijkt de man haar doordringend aan.
'Dus u heeft nooit liefde gekregen, zal die ook nooit krijgen en toch blijft u maar willen er van u gehouden wordt.'
Mevrouw Bulte schrikt. Nooit enige liefde. Dat is wel een erg bitter lotje uit de loterij.
'Tja,' antwoordt ze daarom.
'Maar dat kan toch helemaal niet', laat ze de meneer tegenover zich zeggen.” “U bent moeders mooiste niet, u bent niet bijster intelligent en u bent buitengewoon hysterisch.'
Ze knikt bedroefd van ja.
'En tóch wilt u dat ze u liefhebben?'
Mevrouw Bulte weet even niet wat ze moet zeggen.
Ze buigt het hoofd en fluistert zachtjes. 'In potentie ben ik wel een leuk mens.'
'In potentie? Potentie telt niet, dat zien de mensen niet, die zien je onderkin. Dat is wat ze zien.'
Bovendien ben je al hoe oud? Tachtig?'
'Nee, drieenzeventig,' lispelt ze.
'En dan heb je het nog over potentie? Ja, tegenwoordig is zeventig niet oud, maar bij jou wel. Bij jou is bij drieenzeventig allang de winter ingetreden!'
Ja, maar ik ben toch lief. Lief en zorgzaam? Ik ben toch een levend wezen? Er zijn mensen die nog geen miertje zullen doodslaan, maar mij wel hoor, mij wel!'
'Ja, dat komt omdat je zelf je hoofd op een steen legt en heel hard roept; hier ben ik sla er hem maar af!'
'Doe ik dat?'
'Ja, natuurlijk doe je dat. Je geeft iedereen de ruimte om dat te doen en als ze het niet doen, dan ben je per ongeluk voor even weer gered. Of is het niet zo, dat je anderen gunstig probeert te stemmen door jezelf weg te cijferen?
'Tja, soms wel. Maar dat is ook een vorm van overleven. Jezelf minitiseren.'
'Ja, ik begrijp het wel. Je bent een vorm van leven die niets toe voegt aan de wereld. Integendeel, je bent oud, lelijk en dom. Dan kan een mens ook geen praatjes hebben.'
'Er zijn zoveel mensen die oud, lelijk en dom zijn en toch praatjes hebben.'
'Ja, maar
die zijn nog dommer dan jij. Die zien zelf niet wat voor een aanblik ze geven. Jij wel, jij laat toch maar even zien, dat je inzicht in de dingen hebt. Dat is het enige waar je nog trots op kunt
zijn.'
'Ho, ho, ik ben toch ook maar in het leven geslingerd. En als baby was ik een normale baby. Niet uitzonderlijk mooi of intelligent, nee. Maar een gemiddeld mens moest er toch wel uit kunnen
komen. Maar dat is me ook afgepakt. Want het was een gekke tijd met gekke ouders. Moet ik daar nu mijn hele leven het gelag voor betalen? Letterlijk en figuurlijk. Ik betaal minstens een derde
van mijn inkomen aan eigen bijdragen.'
'Ja, maar
dat is altijd zo. Dat noemen ze maatschappelijke kosten. Wie moet dat anders betalen? Uw ouders zijn allang dood. Daar kunnen we het niet op verhalen. En ouders die dat niet zijn, nemen meestal
een advocaat in de arm, want zij zijn op hun beurt ook mishandeld.'
'Nou, ik ben er wel klaar mee.'
'Anders ik wel, ik krijg maar steeds van die figuren op bezoek, die dingen willen die helemaal niet in hun levensscript staan.'
'Dat zijn de mensen die als onvruchtbaar zaad op de keien terecht komen,' knikt mevrouw Bulte ,'maar wat kunnen deze mensen dan nog doen?'
'Blij zijn dat ze niet ter plekke afgemaakt worden.'
'Ja, in zijn diepste wezen ben ik iedere keer weer opgelucht als ze me zien en me niet afschieten.'
'Precies.'
'Maar dan zit er me toch nog iets dwars', zegt mevrouw Bulte.
'Wie bepaalt dan wie de gevallenen zijn en wie de winnaars? Gaat dat via onzichtbare regels in het sociale verkeer, of nee, ja, u heeft al een soort systematische indeling, dat weet ik. De DSM of
zo.'
'Allebei een beetje, denk ik. 'Knappe koppen hebben uit het sociale verkeer de regels gefilterd en in dat boek gezet. Wie ze niet aanvoelt heeft een deukje aan zijn voelsprieten opgelopen.'
'Ja, ja,' zegt mevrouw Bulte. 'Hoop begint te gloren in haar binnenste.'
'Zou men dan niet zo goed willen zijn, deze regels openbaar te maken. Zo kan iedereen ze gewoon naleven, imiteren, naspelen van mijn part en dan vervallen al die verschrikkelijke categorieen van
sociaal onvermogen.'
'Ja, nee, dat gaat zo makkelijk niet, mevrouw Bulte. Nee, dat geven de winnaars niet prijs. U moet het zelf uit zien te vogelen.'
'Het is toch wat, ik loop er voor naar het einde van de wereld en een ander krijgt het zomaar in zijn schoot geworpen.'
' Begint u zich eerst maar eens met het zich overgeven aan de gedachte dat alles verloren is. Er komt geen vriendin, geen vrijer, geen ziel die u ten diepste begrijpt.'
'Oh,' zegt mevrouw Bulte. 'Oh, zit dat zo. Nou, dan ga ik me daar ook niet meer druk om maken,' zegt mevrouw Bulte schamper. Dan trek ik me nergens meer wat van aan ook. Ik ga verder met het kleine dat me gegeven is, wat als je het goed beschouwt nog steeds onmetelijk rijk is.'
'Ga door,
hoe stelt u zich dit dan voor, u die als een verkreukeld insekt wat hulpeloos natrappelt ?'
Mevrouw Bulte snuift. 'Nee, en toch blijf ik me mens voelen. Ik heb een lichaam dat toch het meest bij het menselijk ras in te delen is. En ik heb een aowtje. Ik ben vrij. Ik zit niet in de
gevangenis. Ik mag naar de winkel en daar zomaar dingen kiezen! Ik mag reizen. Ik mag zien, horen, voelen en proeven. En al houdt men niet van mij, ik mag mijn liefde wel voelen, voor anderen en
voor het leven.'
'Is dat niet hetzelfde als liefde voelen voor je zelf?'
Mevrouw Bulte blijft verbluft zitten. Tjonge, jonge, die Wijnberg werkt wel door, zeg! Maar eerst gaat ze hier in volle overgave op mediteren. Mevrouw Bulte beseft dat iedere seconde die haar nog gegeven is van háár is. Een duizelingwekkende gedachte.
Waar de mensen komen
Soms zijn de dingen niks, denkt mevrouw Bulte. De dingen kunnen zelfs tot diep lijden aan zetten. Je kunt je nog zo verheugen, stiekem naar de kapper gaan, een nieuwe blouse uit een berg tweedehands goed trekken en je heel mooi opdiggelen, maar uiteindelijk is het altijd maar afwachten of de dingen brengen wat je hoopt.
Hoe vaak heeft mevrouw Bulte haar hoofd niet gestoten. Daarom begrijpt ze mevrouw Leenschat-Bodegrave zo goed. Dat is zo een dame. Het kriebelt in mevrouw Bultes maag als ze haar ziet. En echte dame die al verscheidene malen zonder blikken en blozen naast mevrouw Bulte heeft plaats genomen in het restaurant. Ze is een dichteres. Misschien wel de enige, echte van Nederland. En die zit nu ook weer naast háár. Ze heeft haar haar zo mooi opgestoken. En aan iedere beweging zie je dat het upper, upperclass is. En daar houdt mevrouw Bulte zo van.
Maar ja, zoals ze al zei. Soms zijn de dingen niks. Dan is het of alles tegen je samenspant. En vandaag is de beurt aan mevrouw Leenschat-Van Bodegraven om zich de dingen aan te trekken.
Het diner was aantrekkelijk aangekondigd als de Grote Avond van het Snelle Buffet. En er is met enthousiasme op gereageerd want de eetzaal zit vol in de bejaardensoos. Maar dat snel hadden ze beter weg kunnen laten. Het wachten duurt veel te lang. Ze zitten hier nu al anderhalf uur te wachten op een glaasje water en laten we wel zijn, bepeinst mevrouw Bulte, bediend worden heeft altijd iets beschamends. Dat moet met de hoogste discretie snel afgewikkeld worden.
Mevrouw Leenschat-Bodegrave vindt het ook gênant en kijkt voortdurend om zich heen. Het liefst zou mevrouw Bulte haar willen wiegen.
‘Er is duidelijk tegen mij gezegd, uiterlijk half zes,’ zegt mevrouw Leenschat-Bodegrave schor.
‘Ach, mevrouw, dat zijn zo de mysteries van het leven. Het valt nu sociologisch niet meer te achterhalen waarom mensen verkeerde informatie geven. Maar het gebeurt zo dikwijls, he?’ geeft mevrouw Bulte respons.
Mevrouw Leenschat Bodegrave knikt bleekjes maar geeft geen antwoord. Haar handen omklemmen stevig haar tasje op schoot.
‘Het zijn nog maar kinderen,’ zegt mevrouw Bulte vergoelijkend. Ze kijkt naar de mooie, slanke meisjes in hun overdreven lange schorten.
‘Flesseman is nu eenmaal geen gewoon restaurant, gaat ze door. Hij is in het leven geroepen voor de bejaarde mens. Zodat hij ook eens een uitspatting kan maken.’
‘Ja, dat weet ik wel,’ zegt mevrouw Leenschat-Bodegrave. ‘Dat vind ik ook helemaal niet erg. Maar ik moet op mensen kunnen rekenen. Waarom word ik hier in de luren gelegd? Waarom zegt men niet gewoon kwart over zes. Zelf kwamen ze pas om zes uur.’
‘Ja, dat is zo. De tafel moet tenslotte worden gereserveerd.’
Maar mevrouw Bulte wordt nu volkomen overstemd. Een hoempa pa-orkest heeft in de zaal plaats genomen en speelt haar repertoire. Mevrouw Bulte hoort wel dat ze het goed doen. Maar het geluid is zo hard dat het haar sleutelbeenderen bereikt en trillingen veroorzaakt in heel het lichaam. Ze ziet dat mevrouw Leenschat-Bodegrave het liefst op zou veren, om weg te lopen.
‘Het is dat ik vreselijke trek heb. Ik heb de hele dag niets gegeten om hier op tijd te kunnen zijn, anders liep ik nu weg.’
‘Laat het over je heen gaan,’ zegt mevrouw Bulte. 'Alles over je heen laten gaan. Niets kan je werkelijk schaden.’
Maar mevrouw Leenschat-Bodegrave antwoordt niet meer. Ze laat haar prachtige coiffure hangen.
‘Nou, daar zal strakjes wel een gedicht uit voortkomen’, schreeuwt mevrouw Bulte in haar oor.
Mevrouw Leenschat-Bodegrave knikt, maar mevrouw Bulte voelt dat het meer een soort afschudden is. Ottelenooie, straks wil ze haar vriendin niet meer zijn.
Daarom zegt mevrouw Bulte niets meer en strijkt over de mooie linnen servetten voor haar.
Eindelijk, eindelijk stopt de muziek.
Iedereen is inmiddels van een drankje voorzien, behalve de tafel van mevrouw Bulte en mevrouw Leenschat van Bodegrave. Weer zo’n vreemd verschijnsel waarvan je naar de oorzaak in het duister mag tasten.
Mevrouw Leenschat van Bodegrave snakt naar wijn. Maar de hele zaal is vervuld van zichzelf en bestelt en lacht en drinkt. Waar is de leerling-bediener die bij hun tafel hoort?
Mevrouw Bulte maakt oogcontact met een jongeman, die het ranke lichaam van een kind heeft, maar waarvan ze het hoofd toch al in de twintig schat. Hij ziet haar en wil op haar toelopen, als hij meteen daarop door een bulderende tafel, aangehouden wordt. Meteen keert hij rechtsomkeer om onmiddellijk hun wensen te vervullen. Een jongen van goede wil, dat wel. Een diep medeleven welt in mevrouw Bulte op. Het lijkt haar een jongen met een ongelukkig IQ.
Eindelijk worden ze bediend door een collega. Mevrouw Bulte neemt kleine nipjes van haar drankje. Wie weet wanneer ze weer wat krijgen.
Mevrouw Leenschat-Bodegrave zit nog steeds afwezig te kijken. Ze heeft zich heel kranig gehouden, maar kan de diepe onrust die haar overvallen is niet van zich afschudden.
‘Dames en heren,’ roept een leidinggevende. ‘Vanavond hebben wij een buffet, zoals u hoogstwaarschijnlijk al weet. Er is Waldorfsalade, tonijnsalade, zalmsalade, asperges, vlees en allerlei. Om een pandemonium te voorkomen, stel ik voor dat wij om de beurt naar het buffet lopen om op te scheppen. ‘We beginnen bij deze tafel’ en hij wijst op een tafel in de verte, ‘waarna wij al slingerend tafel na tafel aan de beurt komen, uitkomend bij deze tafel hier.’ Hij raakt even het servet van mevrouw Bulte aan.
'Nou, dat is toch fijn, hè. Iemand van de leiding weet dat wij bestaan,’ fluistert mevrouw Bulte. Maar ze zijn wel weer de laatsten, beseft ze.
Verschrikt kijkt mevrouw Bulte naar het gezicht van mevrouw Leenschat van Bodegrave. Is zij nog wel in staat deze stoelendans te doorstaan?
‘Iedere keer weer is het zo. Het is niet te geloven, het zijn altijd dezelfde mensen die misverstanden creëren. Ik kan niet op ze aan. Half zes hadden ze gezegd. Half zes,’ zegt mevrouw Leenschat-Bodegrave in trans.
‘Zal ik dan een bordje voor je opscheppen?' vraagt mevrouw Bulte. ‘Dan blijf jij lekker zitten.’
Mevrouw Leenschat van Bodegrave schudt nauwelijks merkbaar van nee. ‘Nee, het gaat wel weer.’
Dat zelfs de grootste dichteressen wel eens last hebben van overmacht, denkt mevrouw Bulte. Daar heeft ze nog niet bij stilgestaan. Nu, ja, morgen slingert er een dijk van een poëzie uit. Dat geeft troost.
Maar mevrouw Leenschat van Bodegrave zal voorgoed in alle toonaarden over de gedenkwaardige avond zwijgen. Alleen een goede collega, Kees Engelhart die over het voorval iets te horen krijgt, zal een opbeurend gedichtje schrijven voor zijn lieve vriendin, mevrouw Leenschat-Bodegraven:
WAAR DE MENSEN KOMEN
De man die nooit verschenen is
Zit thuis kalm aan tafel
Te drinken en ook te mijmeren
Over waar hij niet aanwezig was
Wat het betekent voor de man
Die nooit verschenen is onder
De mensen te zijn wanneer
De afspraken niet juist blijken
Onrust betekent het
Een plaats geschikt om
Niet aanwezig te zijn
Plantjes halen
Mevrouw Bulte gaat vandaag naar de markt. Elke vrijdag komt er een vlak bij haar huisje. Ze wil plantjes halen.
Laten we het geluk binnenhalen, snuift ze. Ze voelt dat er een duistere gevoelslaag op de loer ligt, die haar wil inpakken zoals een spin een sprinkhaantje rolt. Ze balt haar vuisten en maakt boksbewegingen. ‘Weg jij! Weg jij!’ Dat zegt ze tegen het gevoel dat zich in haar borstkas wil zetelen en ze slaat wild om zich heen. Ha, ha, het leven is verrukkelijk! Kijk eens hoe blauw de lucht is! 'Energie, energie,' mompelt ze en ze begint in verhoogd tempo de kopjes naar de gootsteen te brengen. 'Hup, hup, zegt ze tegen zichzelf. Vort paardje! vort!'
Ze legt de kussens op hun plaats en de tijdschriften op een stapeltje. Pieterjandrie! Mevrouw Bulte tuimelt een beetje. Daar ligt haar bril. Onder de krant. Zie je wel, denkt ze, God helpt de onnozelen.
Ik ga heerlijk door de stad dwalen, denkt ze. En ik koop twee schattige plantjes die me fortuin gaan brengen. De daad bij het woord voegend staat ze wondersnel buiten. Nee, maar wat een heerlijke lucht!
Mevrouw Bulte stapt stevig door. Ze hoort van verre een koopman schreeuwen. Het heeft iets eeuwigs dat geluid. Zo was het vroeger ook en was er toen niet precies van datzelfde lenteweer? Het is alsof je almaar in rondjes loopt, denkt mevrouw Bulte. Daarom kunnen de kleine dingen des levens je niet meer bevredigen. Er is geen climax en terwijl je daar op wacht, gaat de nachtkaars uit.
Pieterdejandosie, wat zijn dit voor gedachten! Ik moet remmen met een ijzeren remblok!
Denk je eens in, Stien, spreekt mevrouw Bulte zichzelf toe, dat je nu dood zou zijn. Dood als een pierlala. En je ruikt niets en je hoort niets en je ziet niets en je voelt de wind niet die langs je wangen strijken, zou je dan niet tandenknarsen? Kijk, die mensen daar, die lopen toch maar fijn over de markt. En ik... Mocht ik toch maar èèn minuutje…mocht ik nog maar èènmaal een heel klein minuutje…mevrouw Bulte wordt er akelig van.
Maar ik kan wel, beseft mevrouw Bulte. Ik ben er nog. Ik mag!
Mevrouw Bulte wordt helemaal licht van binnen. Ze danst een beetje. De kramen stralen opeens iets vrolijks uit.
Er liggen mandjes voor een euro. Mevrouw Bulte zwelt op. Die gaat ze met plantjes versieren.
‘Doe er maar twee, koopman,’ zegt mevrouw Bulte deftig en vist uit haar tas een handvol muntjes. Er zit precies een twee-eurostuk bij.
Ze loopt snel met haar buit door tot het midden van de markt.
Verse haring, zò uit de Noordzee staat er op een bord. Jawel, denkt mevrouw Bulte, een harinkje. Zoiets kan eentje die hemelt niet meer nuttigen.
Mevrouw Bulte voelt zich ongelooflijk rijk. Ze gaat zich te buiten aan twee zoute haringen.
Dat is even een opknappertje, denkt ze. Het is alleen jammer, dat ik dit niet meer met die ouwe kan delen. Kom op, vader, zou ze gezegd hebben. Het is zo goed voor de hersenen.
Nu ben ik net zou oud als hij toen hij doodging. De gedachte komt met een zeker tumult bij haar op. Hoe vreemd. In haar jonge jaren had ze zichzelf niet als een bejaard iemand voor kunnen stellen. Je ziet jezelf altijd als sterk en krachtig. Dat is een regel van de natuur, weet mevrouw Bulte stellig. Als een mens zou beseffen, wat hem te wachten staat, als hij ouder wordt, had hij natuurlijk geen moment rust meer. Dat zou de energie weghalen.
Maar daar zit ik weer te filosoferen, denkt mevrouw Bulte. Ik heb vandaag, geloof ik, het jojo-effect. Ik ga maar als een stuiterballetje op en neer.
Ze kijkt tersluiks naar een kind in een kinderwagen. Wat een gaaf jong bloed. De nieuwe generatie.
Het meisje kijkt haar recht in haar ziel aan.
Hoe bestaat het toch? Zo klein kind en toch al zo compleet. Nee, snuift mevrouw Bulte terwijl ze haar mandjes stevig omklemt. Het leven is hoe dan ook een wonder.
Plantjes halen
Mevrouw Bulte gaat vandaag naar de markt. Elke vrijdag komt er een vlak bij haar huisje. Ze wil plantjes halen.
Laten we het geluk binnenhalen, snuift ze. Ze voelt dat er een duistere gevoelslaag op de loer ligt, die haar wil inpakken zoals een spin een sprinkhaantje rolt. Ze balt haar vuisten en maakt boksbewegingen. ‘Weg jij! Weg jij!’ Dat zegt ze tegen het gevoel dat zich in haar borstkas wil zetelen en ze slaat wild om zich heen. Ha, ha, het leven is verrukkelijk! Kijk eens hoe blauw de lucht is! 'Energie, energie,' mompelt ze en ze begint in verhoogd tempo de kopjes naar de gootsteen te brengen. 'Hup, hup, zegt ze tegen zichzelf. Vort paardje! vort!'
Ze legt de kussens op hun plaats en de tijdschriften op een stapeltje. Pieterjandrie! Mevrouw Bulte tuimelt een beetje. Daar ligt haar bril. Onder de krant. Zie je wel, denkt ze, God helpt de onnozelen.
Ik ga heerlijk door de stad dwalen, denkt ze. En ik koop twee schattige plantjes die me fortuin gaan brengen. De daad bij het woord voegend staat ze wondersnel buiten. Nee, maar wat een heerlijke lucht!
Mevrouw Bulte stapt stevig door. Ze hoort van verre een koopman schreeuwen. Het heeft iets eeuwigs dat geluid. Zo was het vroeger ook en was er toen niet precies van datzelfde lenteweer? Het is alsof je almaar in rondjes loopt, denkt mevrouw Bulte. Daarom kunnen de kleine dingen des levens je niet meer bevredigen. Er is geen climax en terwijl je daar op wacht, gaat de nachtkaars uit.
Pieterdejandosie, wat zijn dit voor gedachten! Ik moet remmen met een ijzeren remblok!
Denk je eens in, Stien, spreekt mevrouw Bulte zichzelf toe, dat je nu dood zou zijn. Dood als een pierlala. En je ruikt niets en je hoort niets en je ziet niets en je voelt de wind niet die langs je wangen strijken, zou je dan niet tandenknarsen? Kijk, die mensen daar, die lopen toch maar fijn over de markt. En ik... Mocht ik toch maar èèn minuutje…mocht ik nog maar èènmaal een heel klein minuutje…mevrouw Bulte wordt er akelig van.
Maar ik kan wel, beseft mevrouw Bulte. Ik ben er nog. Ik mag!
Mevrouw Bulte wordt helemaal licht van binnen. Ze danst een beetje. De kramen stralen opeens iets vrolijks uit.
Er liggen mandjes voor een euro. Mevrouw Bulte zwelt op. Die gaat ze met plantjes versieren.
‘Doe er maar twee, koopman,’ zegt mevrouw Bulte deftig en vist uit haar tas een handvol muntjes. Er zit precies een twee-eurostuk bij.
Ze loopt snel met haar buit door tot het midden van de markt.
Verse haring, zò uit de Noordzee staat er op een bord. Jawel, denkt mevrouw Bulte, een harinkje. Zoiets kan eentje die hemelt niet meer nuttigen.
Mevrouw Bulte voelt zich ongelooflijk rijk. Ze gaat zich te buiten aan twee zoute haringen.
Dat is even een opknappertje, denkt ze. Het is alleen jammer, dat ik dit niet meer met die ouwe kan delen. Kom op, vader, zou ze gezegd hebben. Het is zo goed voor de hersenen.
Nu ben ik net zou oud als hij toen hij doodging. De gedachte komt met een zeker tumult bij haar op. Hoe vreemd. In haar jonge jaren had ze zichzelf niet als een bejaard iemand voor kunnen stellen. Je ziet jezelf altijd als sterk en krachtig. Dat is een regel van de natuur, weet mevrouw Bulte stellig. Als een mens zou beseffen, wat hem te wachten staat, als hij ouder wordt, had hij natuurlijk geen moment rust meer. Dat zou de energie weghalen.
Maar daar zit ik weer te filosoferen, denkt mevrouw Bulte. Ik heb vandaag, geloof ik, het jojo-effect. Ik ga maar als een stuiterballetje op en neer.
Ze kijkt tersluiks naar een kind in een kinderwagen. Wat een gaaf jong bloed. De nieuwe generatie.
Het meisje kijkt haar recht in haar ziel aan.
Hoe bestaat het toch? Zo klein kind en toch al zo compleet. Nee, snuift mevrouw Bulte terwijl ze haar mandjes stevig omklemt. Het leven is hoe dan ook een wonder.
De rondleiding
Eindelijk staat mevrouw Bulte in de vestibule van het Rijksmuseum. Wat een pracht. Ze houdt haar tas met museumkaart dicht tegen zich aan. Wat is dat toch een zegen, een museumjaarkaart. Het kost een paar lieve centen, maar dan heb je ook wat. Ze schuifelt langs een oude liefde; het poppenhuis. Zouden de jaren haar enthousiasme hebben getemperd? Vroeger waren historische poppenhuizen bijna een obsessie geweest. Pa nam haar toen ze nog een kind was naar het Frans Halsmuseum. Ze probeerde daarna vaasjes te maken door krijtjes uit te hollen. Ach, lieve, lieve jeugd, wat ben je snel vervlogen. En toch kan het poppenhuis haar vandaag niet boeien.
Vervreemd loopt mevrouw Bulte door de zalen. Haar benen voelen de grond nauwelijks. Ze is bang om te vallen en ze verbaast zich bij iedere stap dat ze overeind blijft. Het hier zijn geeft een immens vertrouwd gevoel en tegelijkertijd zijn die fluisteringen uit het verleden zo ongrijpbaar. Al die mensenlevens die voorbij gegaan zijn in knellende korsetten en donkere kamers. Ze schuifelt met eerbied langs de schilderijen. Gretig leest ze bordjes, maar de teksten zijn zo summier dat ze haar niet wijzer maken.
Nu betreedt ze een nieuwe zaal, waar een kalende man wordt omringd door een groepje museum bezoekers. Het lijkt mevrouw Bulte een man die van nature uiterst zachtaardig, hier boven zichzelf uitstijgend krachtig en luid probeert te spreken. De bezoekers luisteren dan ook aandachtig naar hem. Er begint iets te dagen bij mevrouw Bulte. Het is een rondleiding!
Wat een geluk! Dat is precies wat mevrouw Bulte nodig heeft om hier een beetje te aarden. Ze sluit zich discreet aan. De man vertelt over een beroemd schilderij van een ijsgezicht. Hij wijst met de schaduw van zijn hand allerlei details aan. Niemand weet precies wat de schilder bedoelt heeft, zo zegt hij, maar er zijn aanwijzingen dat alles symbool staat voor de valstrikken van het leven. Zo van; denk erom, je loopt hier wel zo heerlijk rond en je schaatst wel zo zwierig en verrukt, maar eigenlijk begeef je je op glad ijs en het zomaar afgelopen kan zijn.
He, waarom moet die meneer dat steeds zeggen, denkt mevrouw Bulte wankelend, maar blijft het groepje op de voet volgen. Ze verliest zich helemaal in de verhalen van de man, die zo boeiend zijn.
'Nog heel eventjes, ik laat jullie dit nog even zien,' zegt hij steeds voor hij naar het volgende schilderij gaat en daar spreekt hij dan ook weer geruime tijd.
Het is wel vreemd dat het groepje zo bij elkaar blijft hokken, valt mevrouw Bulte op. En je zou toch denken dat er zich meer mensen zouden aansluiten. Nou, zij blijft wel luisteren, hoor, naar die aardige meneer en ze knikt hem vriendelijk toe. Het zal toch niet meevallen aan een stuk door te praten. De anderen staan er maar een beetje harkerig bij, vindt mevrouw Bulte. Vooral een man in een overdreven krijtjespak. Het is precies een tekening van Peter van Straaten, denkt mevrouw Bulte verbaasd. Ze dacht dat van Straaten de mensen een beetje karikaturaal aanzette, maar deze man is echt zo. Zo'n een rijzige gestalte met een onverwacht dikke buik met daarover een stropdas met een enorme gouden speld, die zelfs te keurig gekleed aandoet, in deze omgeving. Mevrouw Bulte voelt dat ze zelf ook uit de toon valt. Het hele groepje is met een saus van gewichtigheid overgoten; de dames hier zijn allemaal in ongemakkelijke, zwarte rokjes gestoken. Mevrouw Bulte voelt hoe haar kreukelige jas en uitgelubberde oude damesbroek haar onbevallig maken.
Laat je niet zenuwachtig maken, Stien, zegt ze tegen zichzelf. Alles is betrekkelijk. We leven in andere tijden dan de aardappeleters. Nu mogen alle rangen en standen zich over het nationaal kunstbezit buigen.
De meneer die de rondleiding geeft, hamert daar eigenlijk ook op bij ieder schilderij. Heeft de schilder hier niet het vergankelijk van het aardse uit willen beelden, vraagt hij steeds. De mens richt zijn aandacht richt op goud en goed, maar de mooiste dingen kunnen zomaar veranderen in lompen. Zouden we niet liever wat meer spiritueel in het leven staan?
Ook hier weer, bij een prachtig schilderij van Claasz, die citroenen op tinnen borden schilderde. Het lijkt wel of mevrouw Bulte in die kamer van destijds een kijkje neemt, zo precies is het weergegeven. 'Maar die verse citroen zal vergaan en zo ook het dure brood en de wijn,' zegt de man met het Vlaamse accent vriendelijk. Mevrouw Bulte kijkt de rondleider met vochtige ogen aan, zo ontroert het haar
Enthousiast leidt de verrukkelijke historicus de groep naar een andere zaal, maar als mevrouw Bulte hen wil volgen, wordt ze opeens tegengehouden door de man in het overdreven krijtpak.
'Kan ik u misschien even spreken?' vraagt hij.
'Ja, natuurlijk!' zegt mevrouw Bulte verbouwereerd. Wat zou die man nu van haar moeten? Ze zullen in haar toch niet een expert in de schilderkunst zien?
'Ik heb gezien dat u nu al twee zalen met onze groep meeloopt,' zegt hij op verwijtende toon. 'En dit is een privé-rondleiding. Ik zou het zeer op prijs stellen als u zichzelf zou willen verwijderen.'
Een schok van ongeloof gaat door mevrouw Bulte. Ze voelt zich opeens als een klein meisje, dat om onverklaarbare redenen niet mee mag doen met knikkeren.
'Meneer,' zegt ze nadrukkelijk, nu de vijandige houding van de man haar in de aanval duwt; 'U lijkt precies op een tekening van Peter van Straaten!'
'Dat is goed,' zegt de man sussend, maar niet luisterend.. 'Maar ik zou het zeer op prijs stellen als u ergens anders wilt gaan staan.'
'Ik ben vrij,' lispelt mevrouw Bulte verbolgen. 'Ik mag gaan en staan waar ik wil.'
Maar de man is al machtige stappen de zaal uitgebeend. Mevrouw Bulte is helemaal in de war. Dat heb je nu, als je een aftandse, oude vrouw bent. Ze trilt helemaal van binnen.
Zo zie je hoe het ijstafereel gelijk had. Als een dief in de nacht komt de storm. Nee, ze mag zich niet zo laten weg drukken! Mevrouw Bulte gaat expres op een afstandje van het groepje staan en doet of ze naar een ander schilderij staart.
Op deze afstand kan ze alles nog goed volgen. Ze gaat heel stout bij het Joodse bruidje staan. Hoewel de groep er wat van af staat, gaat de uitleg precies daar over. Maar door de zenuwen lukt het haar niet meer iets op te nemen. Het tolt mevrouw Bulte teveel. Maar ach, ze mist niks. Dit heeft ze allemaal al eens gelezen, het gaat om de penseelstreek, die zijn tijd ver vooruit was.
'Laten we allemaal wat dichterbij het schilderij gaan staan,' zegt de rondleider.
Het krijtjespak komt meteen met grote passen en een zelfingenomen glimlach haar kant op. Mevrouw Bulte schiet weg. Ze neemt verdekt plaats op de ronde zachte bank die in het midden van de zaal staat.
'He, hè, even zitten,' fluistert een chique, zwart geklede dame haar in het oor.
'Hoort u ook bij het groepje?' fluistert mevrouw Bulte terug met een steen in haar hart.
'Ja. Het is een bedrijfsuitje,' zegt de zwaar opgemaakte vrouw. 'We rennen al de hele dag. Ik zelf hoor niet bij het bedrijf, hoor! Mijn man werkt er sinds augustus als buitenmedewerker.' Mevrouw Bulte denkt vaag aan de plantsoenendienst. 'Computers en randapparatuur,' fluistert de vrouw.
'O,' zegt mevrouw Bulte. 'Nu, mij hebben ze zojuist weggestuurd!' Ze snuift.
'Hoe dat zo?' vraagt de dame.
'Nou, die meneer daar, die met dat streepjespak, die zei dat het een privé-aangelegenheid was. Is dat de baas?'
'O,' lacht de vrouw. 'Welnee, dat is de baas niet, hoor! Die doet of hij de baas is.' Mevrouw Bultes hart wordt wat rustiger, maar het meisje van Vermeer gaat er bij haar niet meer in. Ze hoort nog iets over het blauw dat indertijd kostbaarder was dan diamanten, maar het fijne ontgaat haar.
De lol is er af maar ze schuifelt verloren mee naar de Nachtwacht. Die mensen van het bedrijfsuitje lijken zelf wel de schutters, denkt mevrouw Bulte verbolgen. Dit zijn gewoon de schutters die naar zichzelf kijken en het niet begrijpen! Wat een farce zo een bedrijf, met van die onderlinge machtsstructuren. Gelukkig maar dat ze oud is, denkt mevrouw Bulte. Anders zat zij nu misschien op kantoor. Bij die vent. Wat zou hij haar pesten! Hij staat machtig achter een blonde vrouw met zijn bolle buik en masseert haar heel intiem op haar billen. Afschuwelijk, wat zo een vrouw moet doorstaan voor een beschuitje kaviaar. De groep luistert met gemelijke gezichten naar de uitleg over de schaduw die naar een speer leidt en een fallische betekenis heeft. Niet te geloven, hoe weinig het leven door de eeuwen heen in zijn diepste wezen verandert is, denkt mevrouw Bulte en ze kikkert wat op van haar eigen diepe inzichten.
Plantjes halen
Mevrouw Bulte gaat vandaag naar de markt. Elke vrijdag komt er een vlak bij haar huisje. Ze wil plantjes halen.
Laten we het geluk binnenhalen, snuift ze. Ze voelt dat er een duistere gevoelslaag op de loer ligt, die haar wil inpakken zoals een spin een sprinkhaantje rolt. Ze balt haar vuisten en maakt boksbewegingen. ‘Weg jij! Weg jij!’ Dat zegt ze tegen het gevoel dat zich in haar borstkas wil zetelen en ze slaat wild om zich heen. Ha, ha, het leven is verrukkelijk! Kijk eens hoe blauw de lucht is! 'Energie, energie,' mompelt ze en ze begint in verhoogd tempo de kopjes naar de gootsteen te brengen. 'Hup, hup, zegt ze tegen zichzelf. Vort paardje! vort!'
Ze legt de kussens op hun plaats en de tijdschriften op een stapeltje. Pieterjandrie! Mevrouw Bulte tuimelt een beetje. Daar ligt haar bril. Onder de krant. Zie je wel, denkt ze, God helpt de onnozelen.
Ik ga heerlijk door de stad dwalen, denkt ze. En ik koop twee schattige plantjes die me fortuin gaan brengen. De daad bij het woord voegend staat ze wondersnel buiten. Nee, maar wat een heerlijke lucht!
Mevrouw Bulte stapt stevig door. Ze hoort van verre een koopman schreeuwen. Het heeft iets eeuwigs dat geluid. Zo was het vroeger ook en was er toen niet precies van datzelfde lenteweer? Het is alsof je almaar in rondjes loopt, denkt mevrouw Bulte. Daarom kunnen de kleine dingen des levens je niet meer bevredigen. Er is geen climax en terwijl je daar op wacht, gaat de nachtkaars uit.
Pieterdejandosie, wat zijn dit voor gedachten! Ik moet remmen met een ijzeren remblok!
Denk je eens in, Stien, spreekt mevrouw Bulte zichzelf toe, dat je nu dood zou zijn. Dood als een pierlala. En je ruikt niets en je hoort niets en je ziet niets en je voelt de wind niet die langs je wangen strijken, zou je dan niet tandenknarsen? Kijk, die mensen daar, die lopen toch maar fijn over de markt. En ik... Mocht ik toch maar èèn minuutje…mocht ik nog maar èènmaal een heel klein minuutje…mevrouw Bulte wordt er akelig van.
Maar ik kan wel, beseft mevrouw Bulte. Ik ben er nog. Ik mag!
Mevrouw Bulte wordt helemaal licht van binnen. Ze danst een beetje. De kramen stralen opeens iets vrolijks uit.
Er liggen mandjes voor een euro. Mevrouw Bulte zwelt op. Die gaat ze met plantjes versieren.
‘Doe er maar twee, koopman,’ zegt mevrouw Bulte deftig en vist uit haar tas een handvol muntjes. Er zit precies een twee-eurostuk bij.
Ze loopt snel met haar buit door tot het midden van de markt.
Verse haring, zò uit de Noordzee staat er op een bord. Jawel, denkt mevrouw Bulte, een harinkje. Zoiets kan eentje die hemelt niet meer nuttigen.
Mevrouw Bulte voelt zich ongelooflijk rijk. Ze gaat zich te buiten aan twee zoute haringen.
Dat is even een opknappertje, denkt ze. Het is alleen jammer, dat ik dit niet meer met die ouwe kan delen. Kom op, vader, zou ze gezegd hebben. Het is zo goed voor de hersenen.
Nu ben ik net zou oud als hij toen hij doodging. De gedachte komt met een zeker tumult bij haar op. Hoe vreemd. In haar jonge jaren had ze zichzelf niet als een bejaard iemand voor kunnen stellen. Je ziet jezelf altijd als sterk en krachtig. Dat is een regel van de natuur, weet mevrouw Bulte stellig. Als een mens zou beseffen, wat hem te wachten staat, als hij ouder wordt, had hij natuurlijk geen moment rust meer. Dat zou de energie weghalen.
Maar daar zit ik weer te filosoferen, denkt mevrouw Bulte. Ik heb vandaag, geloof ik, het jojo-effect. Ik ga maar als een stuiterballetje op en neer.
Ze kijkt tersluiks naar een kind in een kinderwagen. Wat een gaaf jong bloed. De nieuwe generatie.
Het meisje kijkt haar recht in haar ziel aan.
Hoe bestaat het toch? Zo klein kind en toch al zo compleet. Nee, snuift mevrouw Bulte terwijl ze haar mandjes stevig omklemt. Het leven is hoe dan ook een wonder.
Laatste eer
Mevrouw Schraaling-Bulte probeert het leuk te houden. Natuurlijk. Dat hoort ook zo. Kijk, dat Stien dat niet doet moet zij weten. Die loopt stuurs door. Het is ook een flinke wandeling zomaar door winderig Amsterdam. Maar om nu zonder op of om te kijken van A naar B te lopen. Dat hoort toch niet. Hé, nee, dat móet je niet doen.
Mevrouw Schraaling maakt halt. Het is geen uitzonderlijk mooi gebouw waar ze langs loopt, maar er zitten toch opvallende gootsteenrichels op. Nog van steen, denkt mevrouw Schraaling. Kijk, nu zit Stien met de gebakken peren. Die is alweer een halve kilometer verder. Maar dat mag een mens niet beïnvloeden. Nee, hoor Jans, denkt mevrouw Schraaling bij zichzelf, gewoon voet bij stuk houden. Want anders is een mens altijd maar aan een ander overgeleverd. Ze gaat de zaak eens goed bekijken. Wat een bakstenen. Wat een uitgeholde traptreden. Nou, dat wil wat zeggen, hoor. Het staat ook op de gevel. 1880. Ja, ja.
Hé, wat staat dat mens te zwaaien. Wat een poeha maakt haar zuster toch. Maar mevrouw Schraaling laat zich niet opjagen! Wacht maar even, Stien Bulte. Het is tenslotte een begrafenis waar ze naar toe gaan. Daar is mevrouw Schraaling heel nuchter in. Dood is dood. Natuurlijk, het gaat om Jan. Jan kennen ze al hun hele leven. Jan is hun broer. Maar de laatste maanden lag hij toch in het ziekenhuis, toen heeft ze hem nauwelijks meer gezien. Ach, daar kon ze toch niks meer voor hem betekenen, maar naar zijn begrafenis gaat ze wel. Natuurlijk, dat hoort ook zo.
Maar Stien, hé. Die is dan zo overdreven. Die gaat daar dan de gastvrouw uithangen. Die gaat demonstratief koffie en cake uitdelen, want mevrouw Schraaling kent haar zuster door en door. Die denkt alleen maar aan Jantje, Wil en Claartje. O, ze vindt het allemaal zo erg, roept ze maar steeds. Nou, dat vindt mevrouw Schraaling ook. Maar wat kun je eraan doen? Wat zal hem die koffie nog kunnen schelen?
O, kijk eens aan, hier zijn de huizen nog historisch. O, o wat een pracht. Daar wil ze toch nog wel even langer naar kijken. Ze kent deze buurt niet goed. Het zijn buitenwijken en een mens heeft hier gewoonlijk niets te zoeken. Ze wist niet dat Amsterdam zo mooi was. Hoe die malle Stien daar toch terecht is gekomen. Soms kan een koe nog wel eens een haas vangen. Hoewel het paarlen voor de zwijnen zijn, want kijk toch eens hoe ze staat te stampen. Ze moet en ze zal op die bus naar Buitenveldert.
Goed, goed. Zij zal maar weer de wijste zijn en Stien inhalen. Mevrouw Schraaling zet er nu stevig de pas in. Haar mondhoeken staan zo sterk naar beneden, dat ze iets van een stripfiguur weg heeft, aan wie de tekenaar een overdreven minachtende gelaatsuitdrukking heeft geven.
‘Wat stond je daar nu naar die gevel te turen?’ vraagt Stien Bulte gepikeerd, als ze eindelijk dichterbij komt. ‘Daalt er soms goud van neder?’
Mevrouw Schraaling trekt haar mondhoeken zo mogelijk nog verder naar beneden en mompelt binnensmonds: ‘Nee, hoor! Geen enkele interesse heeft ze’.
‘Wat geen enkele interesse?’ zegt mevrouw Bulte die nog een zeer goed gehoor heeft. ‘Dit is toch het moment niet om sightseeing te plegen. We gaan Jan cremeren! Bovendien gaat er van dat gebouw geen enkele charme uit. Dat is een opslagloods uit 1880!’
Mevrouw Schraaling schrikt. Dat weet die doezelaar goed.
‘Nou zeg,’ blaast ze. ‘Alsof ze in 1880 geen architectuur hadden. Juist wel. Juist in die tijd. Dan zie je dat ze zelfs een pakhuis versierden.’
‘Kom nou maar. Hier steken we schuin over en dan stappen we op de bus,' neemt Stien resoluut de leiding.
‘Is dat daar de halte?’ vraagt mevrouw Schraaling twijfelend. Er staat maar een heel klein bordje en 200 meter verderop is een echte stopplaats met overkapping. Zou Stien nou wel echt weten hoe ze moeten gaan?
‘Ja, ja. Kijk maar. Buitenveldert, Boelelaan.’
Ja, nu ziet Jans het ook. Maar er staan maar twee tussenstops op.
Ze denkt aan haar kaart met een alsmaar slinkend saldo, zodat ze straks misschien wel zo’n duur kaartje moet kopen. Ze wil iets zeggen waarvan ze weet dat ze er veel weerstand op zal krijgen. Daarom wordt haar stem wat zachter, weifelend alsof ze daarmee de ontploffing die hoogstwaarschijnlijk zal volgen, alvast wat kan afzwakken.
‘Eh…we zouden natuurlijk ook kunnen gaan lopen….’
Mevrouw Bulte kijkt haar verwilderd aan.
‘Mens!’ barst ze los. ‘We hadden van mijn huis met de taxi kunnen gaan. Maar om je tegemoet te komen zijn we gaan krauten. Nu zijn we èindelijk bij de bushalte wil je weer lopen. Je kunt je zuinigheid ook te ver drijven.’
‘Ja, dat is waar,’ zegt Jans Schraaling-Bulte onverwacht. ‘Je kunt het ook te ver doordrijven,’
‘Kijk,’ gaat mevrouw Bulte door ‘Ik zou die taxi wel betaald hebben. Maar jij wou lopen.’
‘Ik vind het altijd zo kinderachtig om voor ieder kippeneindje een taxi te bestellen. Dat staat zo lui. Dan ben ik ook moe. Maar daar verzet ik me tegen. Ik vind, dat een mens zich daar tegen moet verzetten. Dat je jezelf een beetje aan moet zetten tot lopen.’
Want dat is toch ook zo, denkt ze verbeten. Stien laat zich al haar hele leven rijden. Dat getuigt van zwakheid en dat wil ze haar toch nog even laten voelen.
'Maar…het zijn maar twee haltes…,’ merkt ze nog even op met een zekere triomf in haar stem.
‘Welnee!’ zegt Stien. 'Het is een loei-eind weg. De tussenstops staan er niet op. Het is wel zo’n dertig kilometer.'
'O, oh, dat verandert de zaak,’ zegt mevrouw Schraaling binnensmonds.
O hé, de bus! Daar komt hij het hoekje om. Buitenveldert. Het staat er met grote koeienletters op. ‘We zijn gered!’ roept mevrouw Bulte en begint te zwaaien als een schipbreukeling.
Oh. oh, wat doet ze weer idioot. Mevrouw Schraaling schaamt zich gewoon. Op het toneel was het nog te overdreven geweest.
Maar in de bus is Stien toch wel lief. Ze koopt een kaartje voor hen allebei. Niet dat Jansje geen geld genoeg heeft, hoor. O nee, bij haar vergeleken is Stien een armoedzaaier. Maar zo’n duur kaartje in de bus, dat vindt ze gewoon zonde van de oplichterij. Dat hoort de Staat toch te betalen.
‘Wat ging je daarnet weer overdreven tekeer,’ zegt ze wel nog even. ‘We leken wel drenkelingen. Hoe je daar stond te zwaaien en te gillen. Zo’n buschauffeur ziet ons zo ook wel, hoor.’
Maar mevrouw Bulte is alweer in een andere stemming gekomen. Het is nu Jan dood is of de stad in een droomlandschap is omgetoverd. Een soort leven na de dood. Daar wil ze over mijmeren. Maar dat lukt niet goed, want Jans naast haar is te onrustig. Ze grabbelt maar steeds in haar tas. Eindelijk heeft ze gevonden wat ze zoekt, want ze heeft nu een pakje tussen haar met kunstnagels beplakte vingers. Mevrouw Bulte huivert iedere keer als ze ze ziet.
‘Kijk eens, wat een schatje.’
Ze haalt een verzilverd fotolijstje uit het papier.
‘Mooi hè, voor vijf Euro. Ik vond het zo mooi. Ik dacht, nou, dat doen ik.’
Mevrouw Bulte staart verwezen naar het eenvoudige fotolijstje.
‘Voor een foto van Jan?’ vraagt ze.
‘Je kunt er in doen wat je wilt. Kijk, er passen zelfs twee foto’s in.’
Mevrouw Schraaling is er buitengewoon blij mee. Soms kom je zulke buitenkansjes tegen. Ze heeft er twee gekocht. Eén voor haar en één voor Stien.
Want wie spaart heeft wat. Zij kan zich af en toe een extraatje permitteren. Voor Stien ligt dat anders. Die verbrast haar geld. En dit zijn buitengewone fijne lijstjes. Je begrijpt eigenlijk niet hoe ze het er voor kunnen maken.
Straks zal ze in de ontvangstruimte waar Jan ligt het lijstje nog even rond laten gaan bij alle aanwezigen. Wat je probeert er toch maar iets van te maken, van zo’n ceremonieel. Dat hoort ook zo. Dat is je plicht. Je geeft tenslotte de laatste eer
Rare voeten
Arme mevrouw Bulte. Ze heeft zo’n oud silhouet. Toch dribbelt ze een beetje. En ze lacht.
Dat moet raar zijn, als je al zo oud bent. Als je de jaren die je nog resten op èèn hand kunt tellen.
Morien helpt de zware bak met water naar de kamer te zeulen. Zo kan de oude buurvrouw
daar lekker haar voetjes in weken.
‘Zo,’ zegt mevrouw Bulte en ze stapt met haar voeten in het water. Wat heeft ze een rare tenen met bulten en rondgegroeide nagels.
‘Doe het zout er maar bij, Morien,’ zegt ze ferm.
Morien strooit een half pak zout in het water.
‘Aaaaaaah,’ roept mevrouw Bulte genietend. Vreemd vindt Morien. Zo snel kan het zout toch nog niet werken?
‘Ja, kind, een voetenbad houdt me op de been.’
Morien kijkt naar het water en de witte kronkelvoeten.
‘Soms,’ zegt mevrouw Bulte, ‘begin ik er bijna aan te wennen.’
‘Aan je gekke voeten?’ vraagt Morien.
‘Nee, aan het feit dat ik ben.’
‘Maar u bent er toch al honderd jaar?’
‘Welnee, drie en zeventig. Maar dat is net zo ongelooflijk. En nog altijd kan ik niet in mijn stoel zitten met het gewicht van iemand die weet, dat hij er is.’
‘Maar ik weet nu al dat ik er ben,’ zegt Morien ‘en ik ben pas acht.’
‘Dat is benijdenswaardig’ zegt mevrouw Bulte. ‘Ik vind het nog steeds vreemd’
Morien denkt na. ‘Nu ja, soms als ik alleen op het schoolplein ben en ik over de heg kijk, dan zie ik de winkels. Dan denk ik, waarom ben ik toevallig hier en niet toevallig in die winkel daar?’
‘Precies,’ zegt mevrouw Bulte, ‘waarom ben ik nou deze mens? Waarom ben ik geen beroemde actrice? Of een lid van het kabinet? Dat is toch eigenlijk heel vreemd.’
Morien vindt daar niets vreemds aan.
‘U bent gewoon mevrouw Bulte.’
‘Maar ik ben eigenlijk mevrouw Bulte helemaal niet. Ik bedoel dat ik voor mijn gevoel een heel ander mens ben. Een bijzondere vrouw.’
Morien probeert het bijzondere uit mevrouw Bulte te voorschijn te kijken, maar het lukt haar niet.
Opeens balt mevrouw Bulte haar vuisten. ‘Ik ben het eigenlijk spuugzat om mevrouw Bulte te zijn. 'Bah!‘ Mevrouw Bulte stampt zo hard dat het water uit de bak golft.
‘Ho, ho!’ roept Morien.
Ze droogt gauw het tapijt met een handdoek.
Mevrouw Bulte zegt heel lang niets meer. Ze denkt na over haar diepe gevoelsleven.
‘Weet jij al wat je later wilt worden?’ vraagt mevrouw Bulte opeens. Ze zit helemaal voorovergebogen met haar handen in het water en krabt aan een uitsteeksel op haar voet.
Morien haalt haar schouders op.
‘Misschien iets met dieren. Of stewardess. Dan krijgen ze allemaal een bordje eten.’
‘Ja, kind,’ zegt mevrouw Bulte met een zucht. ‘Jij bent er gewoon en dat is te benijden.’
Rare voeten
Arme mevrouw Bulte. Ze heeft zo’n oud silhouet. Toch dribbelt ze een beetje. En ze lacht.
Dat moet raar zijn, als je al zo oud bent. Als je de jaren die je nog resten op èèn hand kunt tellen.
Morien helpt de zware bak met water naar de kamer te zeulen. Zo kan de oude buurvrouw
daar lekker haar voetjes in weken.
‘Zo,’ zegt mevrouw Bulte en ze stapt met haar voeten in het water. Wat heeft ze een rare tenen met bulten en rondgegroeide nagels.
‘Doe het zout er maar bij, Morien,’ zegt ze ferm.
Morien strooit een half pak zout in het water.
‘Aaaaaaah,’ roept mevrouw Bulte genietend. Vreemd vindt Morien. Zo snel kan het zout toch nog niet werken?
‘Ja, kind, een voetenbad houdt me op de been.’
Morien kijkt naar het water en de witte kronkelvoeten.
‘Soms,’ zegt mevrouw Bulte, ‘begin ik er bijna aan te wennen.’
‘Aan je gekke voeten?’ vraagt Morien.
‘Nee, aan het feit dat ik ben.’
‘Maar u bent er toch al honderd jaar?’
‘Welnee, drie en zeventig. Maar dat is net zo ongelooflijk. En nog altijd kan ik niet in mijn stoel zitten met het gewicht van iemand die weet, dat hij er is.’
‘Maar ik weet nu al dat ik er ben,’ zegt Morien ‘en ik ben pas acht.’
‘Dat is benijdenswaardig’ zegt mevrouw Bulte. ‘Ik vind het nog steeds vreemd’
Morien denkt na. ‘Nu ja, soms als ik alleen op het schoolplein ben en ik over de heg kijk, dan zie ik de winkels. Dan denk ik, waarom ben ik toevallig hier en niet toevallig in die winkel daar?’
‘Precies,’ zegt mevrouw Bulte, ‘waarom ben ik nou deze mens? Waarom ben ik geen beroemde actrice? Of een lid van het kabinet? Dat is toch eigenlijk heel vreemd.’
Morien vindt daar niets vreemds aan.
‘U bent gewoon mevrouw Bulte.’
‘Maar ik ben eigenlijk mevrouw Bulte helemaal niet. Ik bedoel dat ik voor mijn gevoel een heel ander mens ben. Een bijzondere vrouw.’
Morien probeert het bijzondere uit mevrouw Bulte te voorschijn te kijken, maar het lukt haar niet.
Opeens balt mevrouw Bulte haar vuisten. ‘Ik ben het eigenlijk spuugzat om mevrouw Bulte te zijn. 'Bah!‘ Mevrouw Bulte stampt zo hard dat het water uit de bak golft.
‘Ho, ho!’ roept Morien.
Ze droogt gauw het tapijt met een handdoek.
Mevrouw Bulte zegt heel lang niets meer. Ze denkt na over haar diepe gevoelsleven.
‘Weet jij al wat je later wilt worden?’ vraagt mevrouw Bulte opeens. Ze zit helemaal voorovergebogen met haar handen in het water en krabt aan een uitsteeksel op haar voet.
Morien haalt haar schouders op.
‘Misschien iets met dieren. Of stewardess. Dan krijgen ze allemaal een bordje eten.’
‘Ja, kind,’ zegt mevrouw Bulte met een zucht. ‘Jij bent er gewoon en dat is te benijden.’
De thuiskomst
Het is volbracht, denkt mevrouw Bulte. Daar is haar huisje weer. Ze heeft visite ontvangen bij Gerard.
Nee, ik ben zeer tevree, denkt mevrouw Bulte. Het was een triomf. Oh, oh, oh, wat kun je lekker koken, Stien, complimenteert ze zich zelf. Hup, hup, chili con carne met appelmoes. Het was eigenlijk meer toveren geweest. De kennissen van Gerard stonden paf, denkt mevrouw Bulte. De ene grappige opmerking na de andere had ze gelanceerd. Gegierd hadden ze. Wat heb ik dat toch, hé? Die humor, denkt ze hoofdschuddend.
‘Heerlijk weer thuis’, mompelt mevrouw Bulte voldaan, terwijl ze deur opent. De juiste timing ook. Altijd op het hoogtepunt afscheid nemen.
Wat hangt er toch altijd een muffe geur in het gangetje. Maar kijk aan. Het licht doet het nog. Mevrouw Bulte ploft op de bank. Twee volgestouwde plastic tassen bungelen aan haar polsen.
Wat vreemd, bedenkt mevrouw Bulte opeens, de kamer rondkijkend. Alles is precies nog zo, als op het moment dat zij het huisje verliet. Haar blik gaat over de geopende post op tafel; rekeningen, volkomen vergeten, daarnaast een bordje met wat brood. Te zenuwachtig geweest om te eten. Zeven schoenen op de vloer. Die had ze in een roes te voorschijn gehaald, maar was toch weer op haar oude klompschoentjes vertrokken, uit angst voor pijn en ander leed.
Alsof de tijd gestold is, denkt mevrouw Bulte. Alsof ik dacht, nu maak ik een deurtje in de tijd en treed ik even naar buiten. Achter dat deurtje is het leven opwindend, alles is anders en de tijd is onuitputtelijk. Maar als ik weer terugkom is er nog geen minuut verstreken.
Mevrouw Bulte laat de tassen van zich afglijden.
Even een krabbeltje, bedenkt mevrouw Bulte. Maar mevrouw Bulte kan in het hele huis geen pennetje vinden. Wel een potlood. Mevrouw Bulte krast op de binnenkant van een boek. Ze moet dat krachtig doen, want het potlood is bot en geeft bijna geen grafiet af.
Oh wonderlijke tijd
Was er maar een deur
Die ik af en toe kan openen
Zodat de onverbiddelijke klok
Mij af en toe vrijaf geeft.
Ik zal zingen en dansen
Lieve tijd en zo zal ik je
Liefhebben
Ik heb te lang naar een pen gezocht, vindt mevrouw Bulte. Zo een gedicht moet stante pede gebeuren en nu zit er een rare draai in.
Ze ontdoet haar gezwollen voeten van hun schoenen en masseert haar voetpalmen op het stenen keukenvloertje. Op het aanrecht ligt nog een half zakje oploskoffie. Ze strooit het restje in een beker en houdt die even onder de kraan.
De poeder wordt zo niet goed opgelost, maar dat deert mevrouw Bulte niet. Het gaat ten slotte om een kleine versnapering. Teveel omstandigheid zou nu haar gevoelsleven verstoren. Ze moet glashelder alles wat er vandaag gebeurd is, de revue laten passeren.
Zij en zij alleen had het feest gemaakt. De anderen zaten er maar een beetje bij. Ze leken wel permanent verbaasd te zijn. Alsof ze allemaal vraagtekens in het gelaat getatoeëerd hadden. En ze droegen weinig bij aan de sfeer, hoor. Ze hadden het over het weer en over onkruid in hun tuin. En de nieuw geplante perenboom. Geen wonder dat de stemming dan zakt. Dat is als met een soufflé, daar mag geen saaie lucht bij. Maar dan mevrouw Bulte. Keer op keer zaten ze te schudden van het lachen.
Natuurlijk moet je hierbij af en toe jezelf opofferen. Dat kan niet anders. De beste humor is zelfkritiek. Leedvermaak is zo banaal. Die schuld schuift ze in de schoenen van de toehoorders, die smakelijk om haar lachen. En, bedenkt ze wijs, in diepste wezen is de mens een universeel wezen. Iedereen weet wat menselijke zwakte is. En daar dan zo een draai aan te geven, dat je weer boven de anderen uitsteekt. Nee, het was geweldig. Mevrouw Bulte kan tot geen andere conclusie komen. Gerard zat maar steeds cynisch te grijnzen, maar veel te zeggen had hij niet. En oh, oh, oh, wat zit hij daar op te vlassen. Maar ja, snuift mevrouw Bulte, koken, gasten ontvangen, daar draait Stientje Bulte haar hand niet voor om. Dat is een gave, dat kun je niet leren.
De uitnodiging
Mevrouw Bulte heeft een brief gekregen van de dokter. Ze weet zelf niet waarom, maar ze is er nogal verguld mee. ‘Geachte mevrouw’ staat erop. ‘Hierbij nodigen wij u uit om een uitstrijkje te laten maken in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker. Wij verzoeken u een afspraak te maken bij de assistente.’
Kijk, zoiets moet je nu hebben. Dat ze je zelf uitnodigen om naar de assistente te gaan. Geen getelefoneer, je moet er persoonlijk naar toe! En dat wil mevrouw Bulte al heel lang.
Gewoon eens praten over de dingen. Ze is geen pieper, maar een mens komt toch op leeftijd, hè. Maar de praktijk bezoeken gaat zomaar niet. Dan moet je van goede huize komen met een goed doortimmerde reden. Die dokters sturen je het liefst met een kluitje in het riet.
Daarom is zo’n brief een uiterst beschaafde manier om tot elkaar te komen. En kanker is onzichtbaar, hoor. Daar voel je in het begin niets van. Ja, zij weet ook wel dat een uitstrijkje niet zo leuk is als het klinkt. Maar men denkt toch maar aan haar. Men is bezorgd over haar. Dat moet een mens waarderen.
Ze bergt de brief goed op, want er zit een blauw formulier bij. Als hij kreukelt is dat niet zo erg, maar laten er nu eens een keer geen koffievlekken op komen. Dat staat weer zo wild.
Het duurt nog wel een anderhalve week voor mevrouw Bulte de stoute schoenen aantrekt. Die wind van Nederland, hè. Die beneemt je de zinnen. Maar vandaag trotseert ze hem. Ze loopt met het hoofd gebogen tegen de draaiende kolkwind in.
Na de Rapenburgerstraat steekt ze het Waterlooplein over. Hier moet die dokter toch ergens zitten. Al is mevrouw Bulte ergens maar één keer geweest. Ze kan het zo blindelings terugvinden. En hier is ze verscheidene malen geweest. Maar toch kent ze het exacte adres niet zo goed. Ze heeft zich pas anderhalf jaar geleden bij deze praktijk aangemeld.
Maar tegenwoordig zijn er allerlei systemen om zo de dokter op te sporen. Laatst vonden ze hem zelfs, toen ze zijn naam vergeten was. Ze liet even haar ponskaartje zien in het ziekenhuis. U heeft dokter Evertsen, zeiden ze. Gewoon door haar postcode.
Helaas is ze niet zo blij met de nieuwe dokter. Er is geen klik. Al twee keer heeft ze hem gesproken en al twee keer deed ze heel vrolijk en onbezorgd. Op de een of andere manier kan ze haar ware gedaante niet aan hem openbaren. Maar ach, ze gunt hem de centen die hij voor haar krijgt. Dat is toch heerlijk voor zo’n dokter. Zo een patiëntje willen ze allemaal wel.
Maar vaak denkt ze aan hem. Dat ze toch eens met hem moet praten over haar wringende gevoelsleven. Niet dat ze een pilletje wil. Ze weet zelf niet wat ze wil. Ze voelt gewoon dat ze meer hulp voor zichzelf zou willen vragen, maar kan het niet zonder grondige reden doen.
Mevrouw Bulte kijkt als een havik in het rond. Hier zou het toch moeten zijn. Ze wandelt een gebouw in waarvan ze gezworen zou hebben dat daar de dokterspraktijk was. Identiek.
Maar nu hangt er een groot bord met betrekking tot schuldsanering of zoiets. Ze zou het liefste daarbinnen willen vragen waar de dokter woont, maar als ze drie verbitterde hoofden ontwaart, ziet ze er meteen weer van af. Teveel levenservaring, he? Ze weet in een oogopslag dat het geen zin heeft. Je krijgt èn meewarige blikken èn nul op het rekest. Want niemand weet iets, al wonen ze er náást. Een van de grootste raadselen van deze moderne maatschappij.
Toch blijkt de dokterspraktijk werkelijk het volgende huis te zijn. Dat had ze nooit gedacht. Het ziet er heel anders uit dan de vorige keer. Alleen in de wachtkamer weet ze het weer. Hier is ze ooit eerder geweest. Er is een vreemd doorgeefluik waarachter assistentes schuil gaan. Heel grappig. Een soort Jan Klaassen--poppenkast lijkt het wel. Maar op dit moment laten de hoofdrolspelers verstek gaan. Het is er uitgestorven.
Ze rommelt en kucht in de wachtkamer, loopt er rond, maakt veel lawaai, maar er is niemand te bekennen.
Als je nu een zwerver zou zijn, zou je hier ongemerkt heerlijk je dagen kunnen doorbrengen, denkt ze. Het is er lekker warm en er liggen mooie bladen.
Maar het wachten duurt wel lang, vindt mevrouw Bulte. Zo'n gesprek met de assistente is toch iets waar een mens zich emotioneel voor moet opladen. En dit gedribbel trekt je uit je concentratie.
Gelukkig komt er nog iemand binnen. Mevrouw Bulte is niet langer alleen. De man groet vriendelijk en drukt op een klein, onzichtbaar belletje. Meteen staat er een assistente in het loket. Als je me nou! denkt mevrouw Bulte, Katrijntje! Ze ziet er ook precies zo uit.
Mevrouw Bulte laat de meneer natuurlijk stilzwijgend voor gaan. Hij is het tenslotte degene die de assistente tevoorschijn getoverd heeft. Maar zodra zijn zaken geledigd zijn, stapt zij naar voren. Nu is het haar beurt.
De assistente reageert zowaar op de lijfelijke aanwezigheid van mevrouw Bulte, een aanwezigheid waar mevrouw Bulte zelf zo langzamerhand aan begint te twijfelen. Ze kijkt Mevrouw Bulte vragend aan, hetgeen mevrouw Bulte ziet als een uitnodiging tot contact en ze stapt flink naar voren. Hoewel flink, het kan ook moeilijk anders. Het is zinloos om stiekem te verdwijnen onder het vragende oog van de assistente. Mevrouw Bulte probeert zich de air aan te meten van een intieme cliënt. Ze is nu immers ook ingewijd in het geheim van het onzichtbare belletje.
Verheugd over de bewijskracht van de brief in haar knuistje, glimlacht mevrouw Bulte zelfverzekerd.
‘Ik ben door u uitgenodigd,’ begint ze. ‘Hier staat het, ziet u wel. Het gaat om een uitstrijkje.’
Op zoveel geschut heeft de assistente niet gerekend. Haar mondhoeken gaan zichtbaar naar beneden. Toch komt de te verwachten bevestiging maar langzaam op gang. Ze aarzelt maar steeds en straalt zoiets verbaasd uit dat mevrouw Bulte begrijpt dat het niet zo makkelijk gaat worden als ze heeft gedacht.
‘Deze brief komt van een heel andere praktijk, mevrouw,’ zegt ze toonloos. Haar ogen kijken blauw-grijs door haar Katrijnebril.
O, nu ziet mevrouw Bulte het ook! Dokter Beijen staat erboven. Dokter Beijen!
Vaag staat haar iets bij van een dokter Beijen.
‘Ik geloof dat dat mijn vroegere arts is geweest. Maar ik sta hier al anderhalf jaar ingeschreven, hoor.’
‘Dit is fout mevrouw. U moet zich laten uitschrijven bij dokter Beijen.’
‘Maar ik dacht dat de assistente zoiets te allen tijde doet, ten tijde van inschrijving. Er is mij in elk geval verzekerd dat ik niets hoefde te doen.’ zegt mevrouw Bulte.
‘Ja, maar daar gaat het op dit moment niet om,’ zegt de assistente prompt.
‘Maar ik kan toch ook wel een uitstrijkje krijgen via uw bureau?’
‘Jawel, maar dan moet u zich eerst laten uitschrijven bij dokter Beijen.’
‘Maar is dat dan niet het werk van de assistente?’ vraagt mevrouw Bulte hardop af.
Ze begrijpt niet waarom Katrijn haar niet even hierbij kan helpen. Even de zaken recht zetten, zeg maar, die ze zelf veroorzaakt heeft. En dan tegelijkertijd even het uitstrijkje in de eigen gelederen laten plaats vinden.
Maar de assistente is onvermurwbaar.
‘Dus ik krijg geen uitstrijkje?’ zegt mevrouw Bulte teleurgesteld.
‘Nee, er is iets misgegaan. Nu kan er verwarring ontstaan bij de declaraties en zo.’
‘Oké,’ zegt mevrouw Bulte die ook de minste niet wil zijn. ‘Ik ben bereid dokter Beijen persoonlijk van mijn uitschrijving te informeren. Vanavond nog. Maar kunt u mij dan niet verder helpen met dit baarmoederlijk onderzoek?’ en ze zwaait met het kostbare, blauwe formulier.
De assistente knikte nauwelijks merkbaar van nee.
Een diep verdriet welt op in mevrouw Bulte. Woede ook. Die vrouw loopt toch zelf ook tegen de vijftig. Wat u niet wilt, dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet!
‘Dus ik kan hoog en laag springen, ik krijg geen uitstrijkje…’
Het antwoord is een stilte die niet logenstraft.
‘Weet u wat ik doe, mevrouw?’ zegt mevrouw Bulte. ‘Ik zoek gewoon een andere dokter! Hier is het niet in de haak!’ Zij doet zich flinker voor dan ze zich voelt.
Juist komt de dokter uit zijn schuilkamer. Ze herkent hem meteen. Hij heeft een lang gebogen postuur. Maar het heeft geen enkele zin hem in deze discussie te mengen. Welnee. Leer mevrouw Bulte de dokters kennen. In elk geval zal hij Katrijntje de hand boven het hoofd houden. Dat win je gewoon niet. En als je het wint, heb je even goed geen leven meer. Ze wandelt verwoed weg. Laat maar, denkt mevrouw Bulte. Ik zoek werkelijk een ander. No problem! Ze stapt verwoed in de waaiende wind. Je maintiendrai!
Zijn zij nu gek of is zij het? Dáár zijn assistentes toch voor. Om je te helpen. Zij kan toch wel even een belletje plegen? Is dat nu zoveel moeite? Nu moet mevrouw Bulte weer helemaal op stap. En het baarmoederlijk onderzoek gaat aan haar neus voorbij. Dat weet ze nu al. Want bij de ene wordt ze uitgeschreven en bij de andere doen ze niet aan uitstrijkjes. Terwijl zo’n onderzoek landelijk is. Dat heeft mevrouw Bulte allang door. Katrijn stuurt geen brieven naar patiënten. Zo zit het en niet anders!
Hoe nu weer een nieuwe dokter te vinden. Dat is dan de derde. Straks is ze bij drie artsen ingeschreven. Want die assistentes vertikken het, hoor. Nu ja, als het maar een beetje aardige dokter is. Eentje die je uit zichzelf vraagt hoe het met je gaat. Dat zou toch een zegen wezen. Eentje die ook eens tussen de regels dóór kan lezen. Dan is mevrouw Bulte wel bereid die handpoppen van de receptie te doorstaan.
Gods Liefde voor mevrouw Bulte
Wat ben ik toch een stakker, denkt mevrouw Bulte. Ze drukt nu al minutenlang op de knoppen van haar elektrisch wekkertje. Hoewel ze hem al weer wat jaartjes heeft, weet ze opeens niet meer hoe ze hem in moet stellen.
Hoe is het mogelijk, dat een mens met zo weinig kunde en geest behept kan zijn? vraagt mevrouw Bulte zich af. Dat zal in onze maatschappij maar weinig voorkomen. In ieder ander tijdperk zou ze allang van de aardbodem weggevaagd zijn. Maar ja, die Drees, hè? Die houdt de bejaarde mens in stand.
Toch is het ook niet mis, wat ik doe, vindt ze. Náást het leven staan in plaats van het te leven. En dat terwijl ze uitsluitend genieën om zich heen ziet. En ze kwekken maar en ze kwaken maar, zonder honger en verdriet. En mevrouw Bulte is de eeuwige, stille getuige.
Als ik in alleen maar een paar mooie trekken in het gelaat had gehad. Alleen maar dat. Verstand had niet eens gehoeven. Maar nee, hoor. Geen grammetje aantrekkingskracht. Ze is al drieënzeventig jaar, mevrouw Bulte. Al drieënzeventig jaar net zo mooi als haar naam.
Mevrouw Bulte gaat met een tragisch gezicht voor de spiegel staan.
'Ik ben als een steen die nog veel afslijting behoeft,' zegt ze opeens hardop. 'Water, water, maak mij glad.'
Maar daar doet het water tergend lang over. Want voor God speelt tijd geen rol. Die legt mevrouw Bulte rustig levenslang in een ijskoude rivier. Een bult min of minder zal Hem niet deren.
Maar is hier geen vergissing gemaakt?
Want dit steentje hier heeft gevoel, snuift mevrouw Bulte. En normaal gesproken denkt een steentje niet. Maar mevrouw Bulte doet dat wel. Met dat kleine beetje hersens dat ze heeft, maalt ze de hele dag. En dàt is uiteindelijk de grote makke, bedenkt ze.
De televisie staat op een kanaal dat alle oude televisieprogramma's van vroeger herhaalt. Het is wonderbaarlijk. De doden bewegen zich springlevend op het scherm. Ze lachen wat af en zitten daar net zo mooi als vroeger te wezen. Het maakt ze zelfs interessanter dan toen. Ze doen alles met een beetje weemoed, alsof ze wisten dat mevrouw Bulte er op een dag sprakeloos naar kijken zou.
Dat staat haar dus ook te wachten. Dat weg floepen in het niets. Ze zeggen dat de dood de enige zekerheid in het leven is.
Nou, dat zal dan wel. Mevrouw Bulte weet het nog zo net niet. Het schijnt haar toe dat ze voor eeuwig op aarde ronddolen moet.
Hoogbejaard is ze al en nog steeds mankeert ze niets levensbedreigends. Tja, dat is dan toch weer een zegen, bedenkt ze. Maar ze merkt ook, dat ze het niet van harte denkt. Ze wordt een beetje kregelig van zichzelf. Wat is ze weer lijzig. Er zijn er die zonder armen en benen door roeien en ruiten gaan, Stientje Bulte! bijt ze zichzelf in gedachten toe. Het is je karakter. Dat is zo lauw. Oh, oh, wat is het lauw! Al heb je zó een aardappelhoofd. Daar zit het hem niet in. Dante had toch ook geen toegang tot de hemel met die neus. Maar hij ging!
Mevrouw Bulte moppert op zichzelf. Een levenslange muurbloem. Wat zegt ze? Een krabbeltje mos. Straks zit ze met een honderdjarig jubileum!
Ze zucht ervan. Wat overdrijf je weer, gaat ze in het verweer. Waarom deel jij jezelf in bij de lagere soorten? Zo dom ben jij niet Stientje Bulte! Jij voelt! Jij hebt voelsprieten. Je weet zoveel zonder te weten!
Mevrouw Bulte zijgt neer in haar stoel. Ze heeft zichzelf al zo vaak de les gelezen. Het heeft nooit iets geholpen.
Bovendien zou ieder ander, met dezelfde onoverkomelijke hobbels als zij in haar leven heeft gehad, toch allang van de brug gesprongen zijn.
Dat weet God ook. Daarom vergeeft Hij! En een vis die het koud krijgt, springt ook niet meteen op het droge. Die evolutie gaat niet zo snel. En dat is wel, wat ze van zichzelf verwacht.
Mevrouw Bulte laat haar blik verstoord over de rommel glijden. Niets om over in paniek te raken, houdt ze zich zelf voor. Dit kan een normaal mens in uurtje bezijdigen. Maar mevrouw Bulte heeft de kracht niet, ook maar één stofje op te rapen. Ze sluit haar ogen en blijft stokstijf in haar fauteuil zitten.
Ik ga hier net als Boeddha op antwoorden wachten, besluit ze.
Ze heeft een vieze smaak in de mond, merkt ze. Ze voelt hoe haar kunstgebit haar gehemelte irriteert. Haar gedachten gaan af en aan. Maar mevrouw Bulte houdt vol. Ze schenkt er steeds minder aandacht aan en het wordt steeds stiller van binnen. Af en toe gaat een zwart-wit mannetje door haar hoofd, maar dat negeert ze.
Het is vreemd, maar zij voelt al haar dunne haartjes op haar hoofd. Het lijkt wel of ze met menthol-talk bepoederd zijn; het is helemaal koel geworden rondom haar hoofd. De koelte lijkt haar grijze haren naar boven te duwen tegen alle zwaartekracht in.
Dan voelt ze haar stijve spieren in haar schouders en nek en probeert zich zo week als een naaktslak te maken. Zachtjes zakt ze in elkaar. Maar ze merkt dat als ze zo te lang blijft zitten, wegdommelt.
Ze recht haar rug en begint te bidden: 'Lieve God, laat mij niet langer wachten. Lieve, lieve, lieve God. Ik weet dat je er bent.'
Er bekruipt haar vrijwel onmiddellijk een bevrijdend gevoel. Het is of een dekseltje van haar borst wordt gelicht. Ze ademt op.
'Lieve God,' gaat ze door. Maar nu klinkt het teveel als theater en daarom moet ze opnieuw beginnen. Wel even bij de les blijven! denkt ze verwoed. Het moet diep doorvoeld zijn.
'Lieve God, geef me een teken, een teken dat Jij me hoort.'
Haar maagje begint te knorren. Maar ze blijft geconcentreerd. Het gaat hier om een kwestie van leven of dood.
Plotseling dringt een zuivere bloemengeur haar neusholtes binnen. Rozen. Zo sterk. Het is onmogelijk dat ze zich vergist. Mevrouw Bulte kijkt in het rond. Zij heeft geen rozen in huis. Geen enkele bloem. En de laatste druppel parfum is al maanden geleden verdampt. Toch is de geur ongelooflijk sterk.
Nog een paar maal snuift zij diep in en dan is het weg.
Trillend staat mevrouw Bulte op. 'Buitengewoon, buitengewoon,' mompelt ze.
Ze weet opeens met stellige zekerheid dat Zíj het middelpunt van het universum is. Toch kan ze er niet trots op zijn. Het is gewoon zoals het is. Ze is opeens zo veelomvattend als de schepping zelf. Haar lichaampje dat altijd maar wat met haar mee schommelt maakt plaats voor een dijk van een gebouw. Ze is mooi. Ze is precies goed.
Ze schiet er van in de lach. Als me nou, ze is mooi! Mevrouw Bulte! Mooi! In Gods ogen is ze mooi!
Ze maakt een dansje in de keuken.
Met een bonkend hart gaat ze voor het raam staan. Het uitzicht is niet veranderd. Was het niet allemaal maar verbeelding geweest? Waarom zou God haar antwoord geven als Hij zelfs de grootste overstromingen niet tegenhoudt? Is ze niet langzaam dement aan het worden? Ze kan tenslotte haar eigen wekker niet meer zetten.
De wolken buiten trekken onverstoord voorbij. Zo vertrouwd en toch zo onbenaderbaar.
Ze probeert de rozengeur weer te ruiken maar het is weg. De wekker begint uit zich zelf hoog te piepen.
Als ze hem met een paar slagen uitdoet, weet ze opeens weer, hoe ze je hem op het juiste uur kan zetten. Nee, God bestaat echt. Ze weet het zeker. Ze voelt zich zo licht als een veertje.
'Dank U, God, voor de rozen,' fluistert ze, dank U God, voor het bestaan.’
De vlucht
Het is opmerkelijk hoe het lot je van achteren besluipt als je fier en zelfverzekerd op pad gaat. Daarom is het zaak altijd enigszins een reserve van werkelijkheidszin te behouden, weet mevrouw Bulte.
Maar juist vandaag lijkt het of de dag niet stuk kan. De hele entourage van deze lentedag is er ook debet aan; die heerlijke lucht met het parfum van inheemse zaden er in. Het zonnetje dat je nog eens over je wangetjes strijkt, geen vuiltje aan de lucht. Mevrouw Bulte is dan ook nietsvermoedend in de val gelopen. Zo goed gemutst is ze, dat ze het gevaar dat ze gewoonlijk van verre signaleert, nu te kordaat tegemoet gaat.
‘Hallo,’ begroet ze een dame, die ze nog van de bejaardensoos kent. Het is een weerbarstige vrouw, die ondanks haar hoge leeftijd haar lange haar koppig pikzwart verft, maar daar vanwege haar buitenlandse achtergrond geen hinder van ondervindt. Mevrouw Bulte kent haar vaag en heeft haar al tijden niet gesproken. Ze vermoedt dat het wel bij een olijke groet zal blijven, want de dame spreekt door haar kleine woordenschat bijna nooit in volzinnen, maar kijkt slechts wat spottend en wantrouwig rond.
Mevrouw Bulte weet dat ze veel medicijnen slikt tegen haar ongunstig levenslot. Toch kan mevrouw Bulte zich niet aan de indruk onttrekken dat de medicatie weinig helpt, zo nors en bozig kijkt ze. Het is alsof het haar gelaatsgroeven permanent in een wantrouwige uitdrukking geplooid zitten.
Ach, gewoon blijven groeten, denkt mevrouw Bulte. Dan smelt zelfs de bikkelste ijspilaar. Maar de vrouw laat het niet bij een groet en vraagt of mevrouw Bulte een mobiele telefoon bij zich heeft.
Normaal gesproken houdt mevrouw Bulte zich verre van elektronische valkuilen, maar vandaag heeft ze zo'n ding bij zich. Eigenlijk is het de eerste dag dat zij hem bij zich draagt. Gerard heeft allemaal voor haar geregeld en nu brandt hij in haar tasje.
En nu wordt die telefoon opeens een begeerlijk object waarmee zij een ander kan helpen. 'Jawel,' zegt mevrouw Bulte dan ook verheugd en zoekt naar het apparaat op de bodem van haar tas. 'Hier,' zegt ze ruimhartig. Nu zal de vrouw (mevrouw Bulte kent haar naam niet) de eerste zijn die er gebruik van zal maken. Het geeft mevrouw Bulte een fijn gevoel. Natuurlijk. Zo’n telefonade naar telefonade kost niet veel en zo is een mens weer gesteld. Het is ook niets als je in diepe onwetendheid moet staan wachten op je vrijer.
Want dat weet mevrouw Bulte wel. Ze heeft de dame wel vaker zien staan wachten voor de Hema, uren en urenlang, tot ze met een lange man vertrekt. Mevrouw Bulte begrijpt niet waarom ze nooit binnen wacht met een kopje koffie. De grote ramen geven toch goed zicht op de menigte, maar mevrouw Bulte onthoudt zich discreet van vragen stellen.
De dame belt en belt. Ze spreekt boos door de telefoon. Het lijkt uren te duren. Mevrouw Bulte wiebelt op haar korte beentjes. Dit is nu gewoon de consequentie van ondoordacht gedrag, geeft zij zichzelf een standje, De dame kent duidelijk de grenzen van een geleende telefoon niet en zolang zij de telefoon heeft, staat mevrouw Bulte als het ware aangelijnd als een hondje er naast. Dat gaat mevrouw Bulte te ver en ze gebaart dat ze even een broodje gaat kopen. Dat gaat ze dadelijk lekker oppeuzelen in de bibliotheek.
Maar zelfs na het lange wachten bij de kassa is de dame nog niet klaar met het gesprek. Mevrouw Bulte gebaart haar een einde aan het gesprek te maken maar de vrouw negeert haar opzettelijk en loopt al pratend de Hema in. Zij begint steeds harder te schreeuwen in het mobieltje. Het gesprek wordt met een Nederlandse tegenstander gevoerd, want de vrouw roept af en toe in vlekkeloos Nederlands: 'Jullie zijn bedriegers! Waarom liegen jullie?'
Het wordt een hele tirade. Harder, steeds harder spuwt de vrouw ze de meest gruwelijke bedreigingen in de nieuwe telefoon, daarmee mevrouw Bulte tot ongewilde partner in crime makend. Mevrouw Bulte krijgt een visioen van Gerard, die de telefoonkosten nauwlettend in de gaten houdt. Al meer dan twintig minuten houdt de vrouw de telefoon bezet.
Vertwijfeld begint mevrouw Bulte aan de mouw van de vrouw te trekken. Maar de vrouw rukt zich los en gaat door met haar repeterende conversatie. Gerard verrijst steeds groter en groter voor het geestesoog van mevrouw Bulte en hij zwaait woedend. 'Je hele beltegoed gaat op, idioot en hoe moet je dat nu weer aanvullen?' Mevrouw Bulte beseft verschrikt dat zij niet weet hoe ze deze misstap kan rechttrekken. Ze zou niet weten hoe! Ze trekt nogmaals aan de jas van de vrouw en roept: ‘Stoppen nou, stoppen!’ Maar de vrouw schreeuwt nu vreemde woorden door de telefoon.
O hemel, het hele mooie van haar nieuwe telefoon is voorgoed geschonden. Mevrouw Bulte begint te stampvoeten als een klein kind. 'Nu wil ik hem terug!' roept ze maar steeds. Ze jammert zachtjes.
Eindelijk begrijpt de vrouw dat ze moet stoppen en nog in de ban van het gesprek geeft ze mevrouw Bulte haar mobieltje terug. Mevrouw Bulte grist hem uit haar handen en zet hem op een lopen.
'Hé, wacht even.. ' schrikt de vrouw opeens wakker uit haar trance. 'Ik moet nog wachten op antwoord.'
'Nee, het is genoeg zo,' zegt mevrouw Bulte en ze loopt zo hard ze kan de zaak uit.
Maar de zwartharige vrouw komt woest hinkend achter haar en schreeuwt dat ze nog moet bellen.
Mevrouw Bulte raakt in paniek. De vrouw heeft zoiets kwaadaardigs. Nu voelt ze in alle hevigheid de latente angst die de dame steeds in haar had opgewekt. Dat ze dat vandaag zomaar genegeerd heeft! Ze vliegt een lange overdekte winkelpassage in. Ottelenooie, ze ziet nergens een plek waar ze zich schuil kan houden. Angstig kijkt ze achterom, terwijl ze voortvlucht. Ja hoor, de oranje jas van de zwartharige dame doemt achter haar schouder op. O God. Waarom blijft ze haar achtervolgen?
Mevrouw Bulte schiet zomaar een zijpad in. Niet te geloven, ze is opnieuw in de Hema terechtgekomen. Alles draait voor haar ogen. Ze heeft een Olympisch rondje gelopen. O hemeltjelief, laat de vrouw me niet gezien hebben, bidt ze. Ze kan haar na deze rare vlucht niet meer onder ogen komen. Ze zwalkt nu volkomen buiten adem naar buiten waar geen spoor van haar achtervolgster te zien is. Gelukkig. Snel neemt mevrouw Bulte een sluiproute naar de bibliotheek. Nog steeds probeert zij er vaart in te zetten.
'Wat ren je toch, mens!' roept een man haar achterna.
Ik ben volledig gek geworden, denkt mevrouw Bulte. Maar ze blijft zo hard mogelijk doorlopen. Af en toe leunt ze tegen een pilaar om op adem te komen. In de bibliotheek bedaart ze emotioneel aanzienlijk. Het broodje vindt ze volkomen vervormd terug in haar vuistje.
Hè, hè, blaast ze uit. Nu maar een lekker kopje koffie. Wat een wilde achtervolging op haar oude dag.
Als Gerard er niet was geweest had ze haar het mobieltje laten houden. Mevrouw Bulte voelt zich dan ook geen overwinnaar dat ze haar belaagster van zich afgeschud heeft. Het ergste moet immers nog komen. Ze zal de dame in de oranje jas ongetwijfeld weer tegenkomen, maar daar verzint mevrouw Bulte dan wel een smoesje voor. Ook niet erg, probeert mevrouw Bulte haar heerlijke lentedag terug te pakken, smoesjes verzinnen, dat kan mevrouw Bulte als de beste.
Extra zuurstof
Bij mij woelt de Apocalyps van binnen, denkt mevrouw Bulte een beetje weemoedig en traag. De manieren om een mens te vernietigen zijn legio, maar de meest vileine is wel het langzaam van binnen uitgehold worden, beseft ze. Ze kijkt peinzend uit het raam. De bomen aan de overkant wuiven troostend, dat ziet mevrouw Bulte wel. Hoe die haar proberen te bereiken. Maar het heeft geen zin. Vandaag schijnt het haar gebladerte van schuurpapier toe.
Toch is de staat waarin ik nu verkeer het ultieme bewijs, dat ik in overeenstemming leeft met de kosmos. Want is niet de gehele mensheid aan het bloeden? Sla de kranten er maar op na.
Ze voelt hoe ze zich wil overgeven aan haar treurigheid. Zo moet een drenkeling zich voelen die moe is van het spartelen. Ik moet me er tegen verzetten, hoort ze zich vaag denken. De groene bomen veranderen ritselend van kleurschakering. Zo vriendelijk als katjes die haar kopjes willen geven. Ja, jongens, denkt ze, Jullie kennen mijn diepste gevoelens. Jullie zijn meer gebalanceerd dan ik. Want jullie willen je ook weleens ontwortelen en flink rondhoppen, misschien hier en daar zelfs vrij rond vliegen. In plaats daarvan staan jullie geduldig in weer en wind een oud mens zuurstof te geven. Hoe oneindig goed moet God wel niet zijn.
Mevrouw Bulte zucht. Ze kijkt haar kamertje rond en weet dat ze in haar handjes mag knijpen. Ze woont hier toch maar mooi in hartje Amsterdam. Hoeveel mensen benijden haar hier niet om? Er zijn heel veel omzwervenden, die liever in Amsterdam dakloos zijn, dan dat ze in een warm huis wonen in welke stad dan.
En ze zijn haar zo dierbaar, die ontheemden. Eigenlijk zijn dat haar soort mensen. Mensen die zich niet in huisje laten stoppen. Ze slapen waar ze willen, want de aarde is hun bed en de hemel is hun beschutting.
In het diepste van haar ziel is mevrouw Bulte toch ook een avonturier. Heerlijk onder zo een dekentje in de sterrennacht. Mevrouw Bulte snuift. Maar mevrouw Bulte is laf. Mevrouw Bulte is bang voor de zon en de regen en de kou. En natuurlijk voor de mensen. Want reken maar dat je als vrouw alleen aangevallen wordt. Dan maar liever verplicht binnenblijven.
Maar mevrouw Bulte bedenkt er iets op, want mevrouw Bulte is niet voor een gat gevangen. Weet je wat, ze gaat vannacht slapen in de tuin! Dat is toch eigenlijk het einddoel van zo een tuin. Ze hoeft alleen maar de oude bank om te draaien, zodat men haar niet ziet. Beddengoed hoeft niet, dat zou haar maar verraden. Haar ogen blijven rusten op het vloerkleed. Ze zou er een tunneltje van kunnen maken en er dan in kunnen gaan liggen. Het zijn warme nachten dus dat zou best gaan.
He, ze voelt zich er toch een beetje raar onder. Ze bedenkt wat moet zeggen, als ze haar betrappen. Dat ze aan hitte lijdt en snakt naar een camping. Dat ze zin had om te kruipen en nu, dat is niet gelogen. Mevrouw Bulte heeft zin om te kruipen. Op haar knietjes door het huis. Ze klapt bijna voorover door die ongelukkige gevoelens.
Het is maar goed dat de mens nog niet zo ver geëvolueerd is dat ze bij alle mensen camera’s in huis ophangen. Dan kon men nog eens wat zien! Allemaal kruipende schepsels die wel rechtop ter kerke gaan. Hoewel? De mensen zijn sterk. Het verbaast mevrouw Bulte altijd, als ze televisie kijkt, dat mensen in live uitzendingen onverwacht bezoek krijgen en dat die dan stante pede naar binnen mogen. En keurig dat het dan is! Toonkamers zijn het. Het prijskaartje hangt er nog aan. Camera’s in dat soort huizen! Dat zou nog een interessant zijn. Dan kon mevrouw Bulte eens zien hoe die mensen leven, want dat is haar ten enenmale een raadsel. Ze werken nooit. Je ziet ze altijd zitten. Een kast zie je hen niet ontruimen, maar alles staat erbij of het hogere logica is.
Maar komen zulke mensen op het idee om in hun eigen tuin het dakloze-gevoel te creëren? Welnee! Driewerf nee! En dat kan mevrouw Bulte wel, he? Haar mondhoeken krullen nu toch even lichtjes.
Het wordt pas laat donker, het is dan ook augustus. Bijna wil mevrouw Bulte het hele project afblazen. Maar dan treedt toch met rasse schrede de duisternis in. Ik moet me er wel op kleden, bedenkt ze. Ze weet dat je daarvoor oude kranten in je kleding moet proppen. Maar daar begint ze niet aan. Niet in deze milde nacht. Het is nu al bijzonder. Alles ruikt al meteen heel anders buiten.
Je krijgt natuurlijk zo wel een extra schot zuurstof, bedenkt mevrouw Bulte. Daar krijgen de hersenen een opkikker van. Maar de buitengeluiden, daar moet je wel aan wennen. Overal is lawaai.
Mevrouw Bulte is niet over een nacht ijs gegaan. Ze heeft over haar eigen schutting gekeken hoe de vlag erbij hangt. Nu je ziet niets, hoor. Gewoon een bank in de duisternis. En zal ook niemand de tuin inkomen. Het is een soort binnentuin. Alleen de mensen die boven wonen kunnen haar zien. Maar daar heeft mevrouw Bulte het Perzische
kleed voor. Ze zal als een astronaut onder het tapijt schuilgaan. Jammer, dat ze hem nog niet eerst even heeft uitgeklopt. Af en toe dwarrelt er iets op haar gezicht. Vallende sterren, die geluk brengen, haalt ze haar schouders op.
De bank is hard en ze kan zich niet omdraaien, maar dat geeft juist enige bevrijding aan haar gemoed, dat ook niet misselijk is. Dat is de troost die uitgaat van het spartaanse, denkt mevrouw Bulte. Het is of ze los komt van de aarde, van haar eigen bestaan. Even is mevrouw Bulte iemand anders. En het is heerlijk.
Tegen de morgen valt mevrouw Bulte eindelijk in slaap. Door haar oneigenlijke lichaamshouding ademt ze met open mond en ze laat een diep snurkend geluid horen. Doordat de tuin omringd wordt door huizen, is het rondom te horen. Maar mevrouw Bulte zal het zelf nooit weten. Niemand die weet waar het geluid vandaan komt hetgeen klagen onmogelijk maakt.
Mevrouw Bulte wordt s’ morgens gewoon uit zich zelf wakker. Ze voelt zich zowel gebroken als verkwikt. Want, zo bedenkt mevrouw Bulte wijs, alles heeft twee kanten en nu mag ze vanavond toch maar mooi in haar eigen bedje gaan liggen. Heerlijk met een boek. In een schone, gesteven nachtjapon! Zo leer je het gewone weer waarderen. Ach, weet je wat. Ze gaat maar meteen ter bedde ook. Dat mag. Dat heeft ze wel verdiend. Heeft ze niet zojuist zelfstandig een innerlijke tsunami getemd?
Ritje door de stad
Mevrouw Bulte is per ongeluk in de verkeerde tram gestapt. Soms overkomt haar dat ineens, dat ze verstrooid met lijn negen door de stad rijdt en niet merkt dat ze de verkeerde kant op gaan. Ze zit dan door het raampje naar die geweldige stad te kijken en krijgt dan altijd iets gelatens over zich. Zo van, de tram brengt me wel thuis. Maar nu merkt ze opeens dat ze juist heel ver van huis is. Ze gaan helemaal naar Watergraafsmeer. Nog een paar stappen en ze zijn in Haarlem. Ze wordt er helemaal warm van. Ottelenooie. Ze heeft niet gepiept met haar ov-kaart, juist omdat er niet genoeg saldo op staat.
O, wat een spanningen allemaal. Autoriteit, jawel. Mevrouw Bulte weet het wel. Daar heeft ze zo een panische angst voor. Komt nog van pa, die afwisselend huilde of met zijn vuist op tafel sloeg.
‘Stientje, nooit, nooit met de politie in aanraking komen. Nooit, hoor je me. Gajes is het, ze hebben zelf een sterk criminele inslag.’
‘Nee, pa,’ zei ze dan altijd gedwee, ‘dat zal nooit gebeuren.’
Ach vader, denkt ze. Ze gaven je drie jaar voor het stelen van een brood. Het heeft je eigenlijk gebroken. Maar het was ook zo’n malle tijd, de jaren dertig. Dat komt nu allemaal niet meer voor.
Kom op! wekt mevrouw Bulte zichzelf op. Wat zit je nou te bibberen als een lam voor een hongerige leeuw. Ze schieten je niet dood. Het komt allemaal goed. En ach, stelt ze zichzelf gerust, die trammen gaan altijd in een kringetje. Komt ze vanzelf weer thuis. Maar eerst moeten ze naar het eindpunt. Uitstappen is funest. Dan moet ze meteen bij het weer opstappen een kaartje laten zien. Daarom blijft mevrouw Bulte maar zitten waar ze zit en tuurt naar buiten. Eindeloos duurt de rit. Wat een mensen, wat een huizen. Eindelijk arriveren ze bij de laatste halte. Ja, ja. De tijd kan ook een genade betekenen.
Maar mevrouw Bulte heeft pech. De tram gaat niet meteen verder. Ze moet uitstappen van de chauffeurs. Ze klimt met tegenzin uit lijn negen. Gelukkig letten ze niet op of ze uitcheckt. De deuren gaan onverbiddelijk dicht.
Gewichtig gaan ze buiten een sigaret roken. Ze schaamt zich een beetje voor die jonge kerels. Ze begrijpt ineens wat vrouwen zo aantrekkelijk vinden aan mannen, iets wat ze toen ze er de leeftijd voor had, niet zag.
Een oude vrouw is ze en één zonder klaarblijkelijk doel. Ze voelt zich zo ontheemd, dat ze als een klein kind tegen hen begint te praten. Een beetje bibberig vertelt ze dat ze de verkeerde kant opgegaan is.
Nu komt er een menselijke trek op het gezicht van de chauffeur. Hij zegt geruststellend dat de tram over tien minuutjes weer terug gaat.
Ja, dat had mevrouw Bulte uit zichzelf ook wel begrepen. Maar moest ze nu opnieuw piepen? Dat was de kwintessens!
Ze heeft precies zeven eurocent in haar zak. Wat een spanningen allemaal. Het leven met zijn spektakels. Nee. Gelukkig is ze niet. De hemel kleurt roze boven de gebouwen, maar zelfs die goddelijke ingreep, maakt het niet prettig hier, met die sombere gebouwen, die al een verbitterde uitstraling moeten hebben gehad toen ze gebouwd werden.
Alles is prima, houdt mevrouw Bulte zichzelf voor. Er is hier zuurstof in genoeg in voorraad. Het komt allemaal wel op zijn pootjes terecht. Het is toch zeker niet strafbaar hier op een bankje te zitten? Nou, dan. Nee, het delict komt strakjes pas. Als de heren weer terug komen.
En ja, hoor, (hoe vreemd is het fenomeen tijd toch) daar zijn ze! Een van hem heeft een venijnige trek op zijn gezicht. Of hij iedereen wil laten terugbetalen voor het feit dat hij hier dwangarbeid verricht. Want daar komt het uiteindelijk op neer, denkt mevrouw Bulte, terwijl haar hart krimpt. Als hij haar aan een haak kan nagelen, zal hij het niet laten.
Mevrouw Bulte stapt moeizaam weer in. Ze doet er heel lang over. Ze kijkt niet eens in de richting van het controleurshokje. Logisch, ze kan zo weer terug op haar elektronische kaart. Die heeft zij bij het opstappen al gepiept.
Ze probeert er zelf diep in te geloven. Ze zijgt neer op een stoel en houdt zich heel oud en onnozel. Bovendien, ze weten van haar leed. Ze zullen haar niet verdenken. Niet iemand die zo dicht bij de controleur gaat zitten. Het duurt en het duurt. Nog rijden ze niet weg. Nog komen er geen andere passagiers die hem afleiden. Nog vraagt hij niet naar haar plaatsbewijs. Het hart van mevrouw Bulte klopt luid, maar het lijkt of zij verstrooid naar buiten kijkt.
Eindelijk schokt de tram vooruit met een belletje. Nu zal hij niets meer vragen. Mevrouw Bulte probeert de spanning met getuite lippen weg te blazen. Eindelijk kan ze van haar ritje genieten.
Het leven is me weer genadig geweest, denkt ze als ze bij de Artis aankomen.
Nog knikken haar knieën als ze uitstapt. ‘Bedankt meneer', zegt ze tegen de controleur. Hij knikt haar met nietszeggende ogen na.
Gedichten lezen
Mevrouw Bulte heeft fijne boekjes gekregen. En daar is ze tuk op. Heerlijk. Ze heeft ze van Amelie. Amelie is een beetje een intellectueel. Die weet van zoveel dingen. Maar mevrouw Bulte weet zeker dat zij ze zelf niet leest. Daar heeft Amelie het geduld niet voor.
Het zijn bijzondere boekjes. Mevrouw Bulte kust ze met beide handen. Fijne dichtbundeltjes van de modernste dichters van Nederland. O, mevrouw Bulte heeft er nog wel meer, hoor. Nog uit de jaren vijftig, Lucebert. Daar was mevrouw Bulte stilletjes verliefd op. En Campert en Achterberg. Want mevrouw Bulte heeft een brede interesse, hoor. Ze voelt het gewoon als iets bijzonder is. Daar hoef je het allemaal niet voor te snappen.
Ze slaat het boekje open en begint zomaar in het midden:
Onderweg is een reiziger altijd
Buitengewoon waar, denkt mevrouw Bulte. Een reiziger is nergens echt thuis. Dat is het moeilijkste in het bestaan, dat je als je op een vreemde plek bent, je toch volkomen thuis kan voelen.
Ze leest peinzend verder.
Wie er in geslaagd is op reis te gaan is een reiziger
Hij is niet thuis
Hij is een reiziger
Ja, ja, dat is zo! denkt mevrouw Bulte. Ze zit rechtop in haar stoel. Een mens slààgt er immers in om reis te gaan. Op reis gaan is zo verschrikkelijk moeilijk. De uitvoering ervan tenminste, overpeinst ze, want de gedachten eraan zijn licht als zeepbelletjes, maar het daadwerkelijk gaan is heel zwaar. De menselijke geest werpt allerlei obstakels op. Voor een mens echt op reis gaat is er heel wat water door de zee gegaan. Hoe zou dat psychologisch in elkaar zitten? Daar moet mevrouw Bulte toch eens over nadenken.
Mmm. Het zijn wel kleine priegellettertjes. De lettertjes dansen een beetje voor haar ogen.
Maar dat maakt het juist levendig. Alsof ze niet langer in het gelid willen, maar aangewakkerd door het verhaal, ook op reis willen.
Wanneer hij zondag vertrokken is en het is nu
Zondag een week later beschouwt hij landschappen
Die hij nog niet eerder heeft gezien
O jee, nu springen ook steeds de woorden door elkaar. Het is wel moeilijk lezen, want de zinnen beginnen niet op hun eigen regel. Er gloort een hoop in mevrouw Bulte. Zou zij nu ook niet zoiets kunnen schrijven? Het ziet er zo eenvoudig uit. Het is toch Nederlands en zijzelf kan putten uit dezelfde woordenschat. Nu ja, in bescheiden mate dan.
Ze leest de rest langzaam hardop. Mevrouw Bulte vindt dat ze een mooie stem heeft.
Het is een bedauwde ochtend in het voorjaar
De omgeving waarin hij zich bevindt is gehuld in
Ochtendschaduwen
Later die morgen neemt de zon in kracht toe
De schaduwen verdwijnen en nevelslierten
Veroorzaakt door het dampende vocht in het gras
En op de bladeren van de struiken
(hier hapert mevrouw Bulte even, ze snapt het niet helemaal.)
Kringelen omhoog
Zijn blik verruimt zich
En zware zoete geuren dienen zich aan
Zo, zo, denkt mevrouw Bulte.
Voor hem ziet hij een heuvelachtig landschap ontluiken
Hij ziet groepjes bomen en een slingerende landweg
Waarover boerenkarren naar de velden gaan
De grote wereldruimte ligt voor hem
Ja, jongen, denkt mevrouw Bulte meewarig. Dat valt niet mee. Maar je lèèft toch maar. Je bezichtigt iets, wat je helemaal niet bezichtigen màg. Terwijl jij thuis hoort te zijn, loop je stiekem in een Italiaanse prent rond als een ontdekkingsreiziger. Je hebt het lot verslagen. Is dat niet het allerhoogste?
Ze leest hardop verder met een overdreven keurige televisiestem. Ze voelt zelf dat ze dat buitengewoon goed doet:
Tegen het middaguur de zon staat hoog en het is erg
Warm begint hij plotseling te huilen
Hij vindt het niet leuk meer om op reis te zijn
Luid snikkend zet hij zich tegen een boom
Driftig stampt hij met zijn rechtervoet op het gras
Hij wil naar huis hij wil geen reiziger meer zijn
O, God, hij wil naar huis, denkt mevrouw Bulte. Hij heeft blaren en wil hij even op de bank liggen. Maar dat kan nu niet. De natuur zit hem te dicht op de huid en zijn ogen branden en hij kan nergens rust vinden. O, o, wat naar nu!’ Mevrouw Bulte ziet het tafereel voor zich; de felle zon, die vijandig prikt en het water dat overweldigend glinstert.
Ze kijkt rond in haar dierbare kamertje en beseft dat zij wel een lekkere bank heeft waar hij even op zou kunnen rusten. Een van de grootste rijkdommen op aarde. Ze is er een beetje naar van geworden, maar leest verder:
Tegen de avond terwijl de schaduwen langer en
Langer worden bedaart hij en staart peilloos
Naar de slingerende landweg die voor hem ligt
Uiteindelijk wanneer het volledig donker
Geworden is dommelt hij langzaam in
En de diepe genezende slaap
Die hem door de nacht voert
Neemt al zijn verdriet en woede weg
Stommelend loopt mevrouw Bulte weg. Ze moet vreselijk plassen. Dat moet ze altijd als ze ergens helemaal vol van is. En het gekke is, dat zij niet weet wie die reiziger dan wel is. Niets, niets weet ze van hem. En toch is hij haar zo ongelooflijk vertrouwd. Dat is nou het geheimzinnige van de kunst, vindt mevrouw Bulte. Je kunt je vinger er niet opleggen. Hoe heeft die gozer dat voor elkaar gekregen? Ja, zucht mevrouw Bulte. Kunstenaars, hé? Mensen worden niet zomaar gedrukt. Daar moet je wat voor in je mars hebben. Zijzelf krabbelt maar wat. Dat mag geen rechten hebben.
Maar nu heeft ze wel een klein sleuteltje gekregen. Een sleuteltje tot de kunst. Jawel! Het zijn kleine schilderijverhaaltjes!, denkt ze triomfantelijk. Want ze is ook niet achterlijk. Dank je wel, Engelhart!’
Die naam is natuurlijk een pseudoniem, denkt mevrouw Bulte. Niemand heet zo. Dat ligt er wel weer wat dik bovenop. Maar goed. Vergeven en vergeten. Morgen gaat ze het ook proberen.
Nu niet, daar is ze te uitgeput voor. Ze kan zelfs geen gedicht meer lezen. Je gaat ook geen drie Nachtwachten na elkaar bezoeken. O, wat ligt ze heerlijk op haar bank. Het grote wereldruim kan haar gestolen worden.
Gedichten lezen
Mevrouw Bulte heeft fijne boekjes gekregen. En daar is ze tuk op. Heerlijk. Ze heeft ze van Amelie. Amelie is een beetje een intellectueel. Die weet van zoveel dingen. Maar mevrouw Bulte weet zeker dat zij ze zelf niet leest. Daar heeft Amelie het geduld niet voor.
Het zijn bijzondere boekjes. Mevrouw Bulte kust ze met beide handen. Fijne dichtbundeltjes van de modernste dichters van Nederland. O, mevrouw Bulte heeft er nog wel meer, hoor. Nog uit de jaren vijftig, Lucebert. Daar was mevrouw Bulte stilletjes verliefd op. En Campert en Achterberg. Want mevrouw Bulte heeft een brede interesse, hoor. Ze voelt het gewoon als iets bijzonder is. Daar hoef je het allemaal niet voor te snappen.
Ze slaat het boekje open en begint zomaar in het midden:
Onderweg is een reiziger altijd
Buitengewoon waar, denkt mevrouw Bulte. Een reiziger is nergens echt thuis. Dat is het moeilijkste in het bestaan, dat je als je op een vreemde plek bent, je toch volkomen thuis kan voelen.
Ze leest peinzend verder.
Wie er in geslaagd is op reis te gaan is een reiziger
Hij is niet thuis
Hij is een reiziger
Ja, ja, dat is zo! denkt mevrouw Bulte. Ze zit rechtop in haar stoel. Een mens slààgt er immers in om reis te gaan. Op reis gaan is zo verschrikkelijk moeilijk. De uitvoering ervan tenminste, overpeinst ze, want de gedachten eraan zijn licht als zeepbelletjes, maar het daadwerkelijk gaan is heel zwaar. De menselijke geest werpt allerlei obstakels op. Voor een mens echt op reis gaat is er heel wat water door de zee gegaan. Hoe zou dat psychologisch in elkaar zitten? Daar moet mevrouw Bulte toch eens over nadenken.
Mmm. Het zijn wel kleine priegellettertjes. De lettertjes dansen een beetje voor haar ogen.
Maar dat maakt het juist levendig. Alsof ze niet langer in het gelid willen, maar aangewakkerd door het verhaal, ook op reis willen.
Wanneer hij zondag vertrokken is en het is nu
Zondag een week later beschouwt hij landschappen
Die hij nog niet eerder heeft gezien
O jee, nu springen ook steeds de woorden door elkaar. Het is wel moeilijk lezen, want de zinnen beginnen niet op hun eigen regel. Er gloort een hoop in mevrouw Bulte. Zou zij nu ook niet zoiets kunnen schrijven? Het ziet er zo eenvoudig uit. Het is toch Nederlands en zijzelf kan putten uit dezelfde woordenschat. Nu ja, in bescheiden mate dan.
Ze leest de rest langzaam hardop. Mevrouw Bulte vindt dat ze een mooie stem heeft.
Het is een bedauwde ochtend in het voorjaar
De omgeving waarin hij zich bevindt is gehuld in
Ochtendschaduwen
Later die morgen neemt de zon in kracht toe
De schaduwen verdwijnen en nevelslierten
Veroorzaakt door het dampende vocht in het gras
En op de bladeren van de struiken
(hier hapert mevrouw Bulte even, ze snapt het niet helemaal.)
Kringelen omhoog
Zijn blik verruimt zich
En zware zoete geuren dienen zich aan
Zo, zo, denkt mevrouw Bulte.
Voor hem ziet hij een heuvelachtig landschap ontluiken
Hij ziet groepjes bomen en een slingerende landweg
Waarover boerenkarren naar de velden gaan
De grote wereldruimte ligt voor hem
Ja, jongen, denkt mevrouw Bulte meewarig. Dat valt niet mee. Maar je lèèft toch maar. Je bezichtigt iets, wat je helemaal niet bezichtigen màg. Terwijl jij thuis hoort te zijn, loop je stiekem in een Italiaanse prent rond als een ontdekkingsreiziger. Je hebt het lot verslagen. Is dat niet het allerhoogste?
Ze leest hardop verder met een overdreven keurige televisiestem. Ze voelt zelf dat ze dat buitengewoon goed doet:
Tegen het middaguur de zon staat hoog en het is erg
Warm begint hij plotseling te huilen
Hij vindt het niet leuk meer om op reis te zijn
Luid snikkend zet hij zich tegen een boom
Driftig stampt hij met zijn rechtervoet op het gras
Hij wil naar huis hij wil geen reiziger meer zijn
O, God, hij wil naar huis, denkt mevrouw Bulte. Hij heeft blaren en wil hij even op de bank liggen. Maar dat kan nu niet. De natuur zit hem te dicht op de huid en zijn ogen branden en hij kan nergens rust vinden. O, o, wat naar nu!’ Mevrouw Bulte ziet het tafereel voor zich; de felle zon, die vijandig prikt en het water dat overweldigend glinstert.
Ze kijkt rond in haar dierbare kamertje en beseft dat zij wel een lekkere bank heeft waar hij even op zou kunnen rusten. Een van de grootste rijkdommen op aarde. Ze is er een beetje naar van geworden, maar leest verder:
Tegen de avond terwijl de schaduwen langer en
Langer worden bedaart hij en staart peilloos
Naar de slingerende landweg die voor hem ligt
Uiteindelijk wanneer het volledig donker
Geworden is dommelt hij langzaam in
En de diepe genezende slaap
Die hem door de nacht voert
Neemt al zijn verdriet en woede weg
Stommelend loopt mevrouw Bulte weg. Ze moet vreselijk plassen. Dat moet ze altijd als ze ergens helemaal vol van is. En het gekke is, dat zij niet weet wie die reiziger dan wel is. Niets, niets weet ze van hem. En toch is hij haar zo ongelooflijk vertrouwd. Dat is nou het geheimzinnige van de kunst, vindt mevrouw Bulte. Je kunt je vinger er niet opleggen. Hoe heeft die gozer dat voor elkaar gekregen? Ja, zucht mevrouw Bulte. Kunstenaars, hé? Mensen worden niet zomaar gedrukt. Daar moet je wat voor in je mars hebben. Zijzelf krabbelt maar wat. Dat mag geen rechten hebben.
Maar nu heeft ze wel een klein sleuteltje gekregen. Een sleuteltje tot de kunst. Jawel! Het zijn kleine schilderijverhaaltjes!, denkt ze triomfantelijk. Want ze is ook niet achterlijk. Dank je wel, Engelhart!’
Die naam is natuurlijk een pseudoniem, denkt mevrouw Bulte. Niemand heet zo. Dat ligt er wel weer wat dik bovenop. Maar goed. Vergeven en vergeten. Morgen gaat ze het ook proberen.
Nu niet, daar is ze te uitgeput voor. Ze kan zelfs geen gedicht meer lezen. Je gaat ook geen drie Nachtwachten na elkaar bezoeken. O, wat ligt ze heerlijk op haar bank. Het grote wereldruim kan haar gestolen worden.
Wat ben ik toch een raar mens, denkt mevrouw Bulte. In deze hele moderne maatschappij is er niet één die geen magnetron heeft, behalve ik. En nu ziet ze zo’n ding bij het grofvuil op straat.
Maar als hij het nog deed, zouden ze hem niet weggedaan hebben, weet mevrouw Bulte. Het ding is toch veel te zwaar om mee te nemen. Mevrouw Bulte wandelt met langzame pas verder. Ze fantaseert over een wonderoven. Een oven die alles kan. Een die voedsel bereidt zonder afwas.
Als je geen potten en pannen hoeft te gebruiken, kost het leven een habbekrats, overpeinst ze. Al dat kant en klare voedsel, dat kost goudgeld. Het is de arbeid die je betaalt. Maar een mens is lui en heeft geen zin in rompslomp. Want dat krijg je van al dat gekook. Dan maar blikjes. Daar heb je tenminste geen overlast van.
Maar het is niet zo gezond, denkt ze. De gegoede mens eet vers en daarom heeft hij de magnetron uitgevonden.
Ze loopt verder en denkt aan erwtensoep en stamppot.
Ach, wat een onzin, denkt ze dan weer. Jij kunt best in een pannetje koken, Stien Bulte. Een pan is zo oud als de mensheid zelf en als de pan duizenden generaties begeleid heeft, kun jij er je ook nog wel even mee redden.
En daar heeft ze ook weer gelijk in. Ze maakt meteen halt bij een groenteboer. De groenten worden beschenen met halogeenlampjes waardoor mevrouw Bulte de indruk krijgt dat het gewicht hier in goud gewogen wordt. Er zijn bovendien zoveel soorten groenten dat mevrouw Bulte niet goed na kan denken. Wat moet ze zeggen, als de groenteboer vraagt wat ze blieft?
Gelukkig staat er nog iemand en heeft ze nog even tijd. Een kooltje, besluit mevrouw Bulte gewiekst. Neem maar een kooltje, daar kun je je geen buil aan vallen.
Gelukkig dat ze dat zojuist bedacht heeft, want mevrouw Bulte is al aan de beurt.
‘Doet u maar kool, groenteman,’ zegt ze deftig.
‘Witte kool, rode kool?’ vraagt hij terwijl hij een rood kooltje aanwijst.
‘Rode kool is goed,’ zegt mevrouw Bulte. Op dit moment is alles goed.
‘Appeltje erbij?’
Oei, nu wordt het lastig. Wil ze appels? Het duizelt haar een beetje. Rode kool met appeltjes, schiet het haar te binnen!
Ze dacht dat men die alleen uit de diepvries at. En moesten daar geen hele rare kruiden bij?
‘Nee, een stengel prei,’ zegt ze ferm. Ze is blij dat ze Nederlands spreekt.
De man doet gewillig een prei in de zak. Ik ben blij, zo blij, zingt het van binnen. Maar daarop volgt meteen een andere gedachte. Wat nou blij? Natuurlijk doet die man wat je zegt. Je betaalt er toch voor. Ze weet zelf niet waarom ze altijd een terechtwijzing verwacht. Ze knispert met een briefje van tien euro in haar vuist.
De prijs valt reuze mee. Ze krijgt heel veel kleingeld terug. Wat heb je toch een
levensangsten, scheldt mevrouw Bulte op zichzelf als ze even later op de stoep staat. Ze eten je niet op.
Ze loopt gauw naar huis. Het is vreemd thuis te komen met de groenten. Ze voelen heel koud aan.
Het zijn, geloof ik, knollen, denkt mevrouw Bulte. Prei groeit zelfs in de grond.
Nou, geef het maar aan je zelf toe, denkt ze. Je hebt weer gek gedaan. Nu zit je met een kool in je maag. Die gaat over een week de vuilnisbak in. Mevrouw Bulte legt de kool op het aanrecht en bestudeert hem op afstand.
Ja, er ligt een kool op mijn aanrecht.
Nou en? denkt ze dan. Het gaat ten slotte om het avontuur. Het is zolang geleden, dat ik dat soort knollen in mijn handen had. Dat trekt je weer even in het maatschappelijk bestaan.
En het is werkelijk een bijzondere gewaarwording hoe de kool stroef onder haar vingers voelt.
Met haar jas nog aan snijdt ze een paar koolbladeren in stukjes. Hoe mooi steekt het paars af bij het wit. Ziezo, denkt ze. Dat is het voordeel van het alleen zijn. Al kook je oorlogseten. Niemand die je het verbiedt. Je bent vrij, Stien Bulte. Knoop dat nou eens goed in je oren.
Ze doet er een beetje water erbij en bedenkt opeens dat ze nog een bouillonblokje heeft.
Zo is dat. Ik maak soep! besluit ze triomfantelijk.
Ze zet het pannetje op en loopt naar de huiskamer.
Hé, hé, wat is het hier lekker warm. Ze doet haar jas uit en pakt de krant. Tram wordt weer duurder staat er met grote letters.
Na tien minuten gaat mevrouw Bulte maar eens kijken.
Alles in het pannetje is helemaal blauw geworden. De prei en de stukjes aardappels ook. Of ze blauwe plekken hebben. Het is echt oorlogsoep geworden.
Eet het nou maar gewoon op, zegt mevrouw Bulte tegen zichzelf. Dat is krachtvoer. Ze doet de soep in een bordje.
Hé, maar het is verrukkelijk. De soep smaakt mevrouw Bulte boven verwachting. Zo heeft ze rode kool nog nooit gegeten. ‘Nou, nou’, zegt ze bij elke hap. Wat een ontdekking. De mensen moesten eens weten. Hier kan ik iedere dag wel een bordje van eten!'
Ze is er helemaal vol van. Ze bedenkt hoe ze wel niet zou kunnen variëren; sperzieboontjes, witte kool, spinazie.
Je hebt er maar een handjevol van nodig. En die kool komt wèl op. Morgen gaat ze naar de bibliotheek. Ze wil weten wat er nou precies aan voedingsstoffen in rode kool zit. Zachtjes fluitend spoelt ze het pannetje en haar bord om.
De soep in de buik van mevrouw Bulte spreidt een warm gevoel uit, dat tot diep in haar hart gaat.
Wat ben ik toch een raar mens, denkt mevrouw Bulte. In deze hele moderne maatschappij is er niet één die geen magnetron heeft, behalve ik. En nu ziet ze zo’n ding bij het grofvuil op straat.
Maar als hij het nog deed, zouden ze hem niet weggedaan hebben, weet mevrouw Bulte. Het ding is toch veel te zwaar om mee te nemen. Mevrouw Bulte wandelt met langzame pas verder. Ze fantaseert over een wonderoven. Een oven die alles kan. Een die voedsel bereidt zonder afwas.
Als je geen potten en pannen hoeft te gebruiken, kost het leven een habbekrats, overpeinst ze. Al dat kant en klare voedsel, dat kost goudgeld. Het is de arbeid die je betaalt. Maar een mens is lui en heeft geen zin in rompslomp. Want dat krijg je van al dat gekook. Dan maar blikjes. Daar heb je tenminste geen overlast van.
Maar het is niet zo gezond, denkt ze. De gegoede mens eet vers en daarom heeft hij de magnetron uitgevonden.
Ze loopt verder en denkt aan erwtensoep en stamppot.
Ach, wat een onzin, denkt ze dan weer. Jij kunt best in een pannetje koken, Stien Bulte. Een pan is zo oud als de mensheid zelf en als de pan duizenden generaties begeleid heeft, kun jij er je ook nog wel even mee redden.
En daar heeft ze ook weer gelijk in. Ze maakt meteen halt bij een groenteboer. De groenten worden beschenen met halogeenlampjes waardoor mevrouw Bulte de indruk krijgt dat het gewicht hier in goud gewogen wordt. Er zijn bovendien zoveel soorten groenten dat mevrouw Bulte niet goed na kan denken. Wat moet ze zeggen, als de groenteboer vraagt wat ze blieft?
Gelukkig staat er nog iemand en heeft ze nog even tijd. Een kooltje, besluit mevrouw Bulte gewiekst. Neem maar een kooltje, daar kun je je geen buil aan vallen.
Gelukkig dat ze dat zojuist bedacht heeft, want mevrouw Bulte is al aan de beurt.
‘Doet u maar kool, groenteman,’ zegt ze deftig.
‘Witte kool, rode kool?’ vraagt hij terwijl hij een rood kooltje aanwijst.
‘Rode kool is goed,’ zegt mevrouw Bulte. Op dit moment is alles goed.
‘Appeltje erbij?’
Oei, nu wordt het lastig. Wil ze appels? Het duizelt haar een beetje. Rode kool met appeltjes, schiet het haar te binnen!
Ze dacht dat men die alleen uit de diepvries at. En moesten daar geen hele rare kruiden bij?
‘Nee, een stengel prei,’ zegt ze ferm. Ze is blij dat ze Nederlands spreekt.
De man doet gewillig een prei in de zak. Ik ben blij, zo blij, zingt het van binnen. Maar daarop volgt meteen een andere gedachte. Wat nou blij? Natuurlijk doet die man wat je zegt. Je betaalt er toch voor. Ze weet zelf niet waarom ze altijd een terechtwijzing verwacht. Ze knispert met een briefje van tien euro in haar vuist.
De prijs valt reuze mee. Ze krijgt heel veel kleingeld terug. Wat heb je toch een
levensangsten, scheldt mevrouw Bulte op zichzelf als ze even later op de stoep staat. Ze eten je niet op.
Ze loopt gauw naar huis. Het is vreemd thuis te komen met de groenten. Ze voelen heel koud aan.
Het zijn, geloof ik, knollen, denkt mevrouw Bulte. Prei groeit zelfs in de grond.
Nou, geef het maar aan je zelf toe, denkt ze. Je hebt weer gek gedaan. Nu zit je met een kool in je maag. Die gaat over een week de vuilnisbak in. Mevrouw Bulte legt de kool op het aanrecht en bestudeert hem op afstand.
Ja, er ligt een kool op mijn aanrecht.
Nou en? denkt ze dan. Het gaat ten slotte om het avontuur. Het is zolang geleden, dat ik dat soort knollen in mijn handen had. Dat trekt je weer even in het maatschappelijk bestaan.
En het is werkelijk een bijzondere gewaarwording hoe de kool stroef onder haar vingers voelt.
Met haar jas nog aan snijdt ze een paar koolbladeren in stukjes. Hoe mooi steekt het paars af bij het wit. Ziezo, denkt ze. Dat is het voordeel van het alleen zijn. Al kook je oorlogseten. Niemand die je het verbiedt. Je bent vrij, Stien Bulte. Knoop dat nou eens goed in je oren.
Ze doet er een beetje water erbij en bedenkt opeens dat ze nog een bouillonblokje heeft.
Zo is dat. Ik maak soep! besluit ze triomfantelijk.
Ze zet het pannetje op en loopt naar de huiskamer.
Hé, hé, wat is het hier lekker warm. Ze doet haar jas uit en pakt de krant. Tram wordt weer duurder staat er met grote letters.
Na tien minuten gaat mevrouw Bulte maar eens kijken.
Alles in het pannetje is helemaal blauw geworden. De prei en de stukjes aardappels ook. Of ze blauwe plekken hebben. Het is echt oorlogsoep geworden.
Eet het nou maar gewoon op, zegt mevrouw Bulte tegen zichzelf. Dat is krachtvoer. Ze doet de soep in een bordje.
Hé, maar het is verrukkelijk. De soep smaakt mevrouw Bulte boven verwachting. Zo heeft ze rode kool nog nooit gegeten. ‘Nou, nou’, zegt ze bij elke hap. Wat een ontdekking. De mensen moesten eens weten. Hier kan ik iedere dag wel een bordje van eten!'
Ze is er helemaal vol van. Ze bedenkt hoe ze wel niet zou kunnen variëren; sperzieboontjes, witte kool, spinazie.
Je hebt er maar een handjevol van nodig. En die kool komt wèl op. Morgen gaat ze naar de bibliotheek. Ze wil weten wat er nou precies aan voedingsstoffen in rode kool zit. Zachtjes fluitend spoelt ze het pannetje en haar bord om.
De soep in de buik van mevrouw Bulte spreidt een warm gevoel uit, dat tot diep in haar hart gaat.
Dienstbaarheid
Vandaag zit mevrouw Bulte lichtelijk in de benauwenis. Ze houdt het vol door bewust adem te halen. In uit, in uit.
Ze tuit haar lippen en laat de lucht als een fluitketeltje ontsnappen.
Wat haar stoort is dat de voorwerpen in de kamer maar steeds zo onbeweeglijk blijven staan en nooit zelf eens ergens aan draai aan geven. Dat is toch zo naar. Kijk hoe het deksel van de pan op de grond ligt, op haar knop nog wel en toch geeft zij geen kik. Uitgetold ligt zij met haar hoepelrok in de lucht. Verder liggen de brieven en de kledingstukken ineengedoken als schuldige proppen op de bank. En dan de hele tafel vol met een allegaartje van objecten. Er valt geen lijn in te ontdekken.
Alleen buiten beweegt er wat. Mensen die langslopen en bladeren die zachtjes heen en weer wiegen. Anders zou je nog gaan geloven dat je in een soort van doodskist woont, waar alle dingen je roerloos uitlachen. Wij zullen jou vandaag eens volledig negeren, Stientje Bulte, lijkt de kersencompôte te zeggen. Met het etiket half van haar weggedraaid is het alsof het potje haar opstandig de rug toekeert.
Mevrouw Bulte zucht, staat dan wankelend op en bukt om een deksel op te rapen. Hoe die daar nu terecht gekomen is? Ze kan zich niet herinneren iets te hebben laten vallen. Ze gooit het deksel kletterend in het gootsteenkastje. Ziezo. En dat is één. Maar, o, o, wat is het hopeloos. Ze laat zich snel weer in de stoel vallen. Hier is wel een uur flink werken nodig. Bukken, strekken, met water in aanraking komen. Misschien je wel verbranden. Hoe heerlijk zou het zijn als de kopjes vanzelf gingen rinkelen!
Stel je voor, Stien, zegt ze tegen zichzelf, dat je maar even met je ogen hoeft te knipperen en dat alles goed zou zijn. Zou diezelfde verstildheid in het huis je dan ook zo’n verstikkend gevoel geven? Ze knijpt heel hard haar ogen dicht en opent ze weer.
Ze ziet hoe de tafel glanzend leeg is en haar uitnodigt er een boekje op te lezen. Haar aanrechtje blinkt opeens geheel ontdaan van afwas in de dageraad. Ja. Daar wil ze wel een aardappeltje bakken. De bank vrij van bulkgoederen nodigt haar uit er languit op te gaan liggen.
Dit is een duidelijke uitkomst van een duidelijk experiment. Zo zit het dus. Jij voelt je tegengewerkt, Stientje, omdat je spulletjes zichzelf niet in het gareel zetten, denkt mevrouw Bulte, maar ach, dat kunnen die stakkers toch helemaal niet!
Kom op. Aan het werk. Je krijgt twintig minuten. Met muziek. Niet te mooi, want dan verlies je je erin. Maar een vrolijk deuntje mag vandaag. Ze draait energiek aan de radio. ‘Doe iets!’ klinkt het zachtjes. Hé, dat is eng. Het is alsof de radio precies weet wat er in mevrouw Bulte omgaat. ‘Doe iets! Van tederheid. Doe iets, wat niemand begrijpt,’ klinkt het.
Oh, oh wat schitterend mooi! Mevrouw Bulte krijgt er warme wangen van. Ze probeert met man en macht zich uit de stoel te verheffen. Het lukt haar al om op het ritme heen en weer te bewegen.
En ja hoor, daar staat ze rechtop. De stoel blijft koppig achter. Het is maar goed dat onze lieve Heer het zo geregeld heeft, bedenkt mevrouw Bulte. Stel je voor dat alles zichzelf maar bij de eerste de beste luim in beweging zou zetten. Je zou ze zien vliegen! Dat roerloze is juist een teken van dienstbaarheid. Ze wachten geduldig totdat jij ze met liefde, met LIEFDE, een plaatsje geeft. Een eigen plekje. Zodat ze er mogen zijn in deze wereld.
Mevrouw Bulte is ontroerd door haar eigen gedachten. Dat geldt in zijn diepste wezen toch ook voor haar! ‘Door anderen te dienen krijgt de mens zijn plaats.’ Is dat geen bekend spreekwoord? Ze haalt diep adem en gaat aan het werk. “Jongens, zegt ze tegen haar bruine schoenen, die in het gangpad liggen ‘In het meterhok! Dat is jullie voortaan jullie plaatsje!’ En zo gaat ze voort, ze benoemt hardop ieder voorwerp en vindt er liefkozend een plaatsje voor. Zo creëert ze haar eigen maatschappelijk werk. Mevrouw Bulte is verwonderd hoe snel haar huisje zichzelf opruimt. ‘Als je me nu, wat een ontdekking! Keurige huisvrouwen zijn eigenlijk alleen maar een beetje gek,’ schudt zij haar hoofd. Buiten beginnen de vogels te zingen.
