De sessie
Mevrouw Bulte heeft een provocatieve meneer op televisie gezien. Buitengewoon, mompelt ze. Ze heeft hem al een paar keer gezien. Jeffi Wijnberg heet hij. Een donkere man met glinsterende ogen
en een snor. Ja, dat laten ze tegenwoordig allemaal op televisie zien, hoor. Hele sessies. Het meest onder de indruk is mevrouw Bulte bij de uitzending van een Hell Angel die steeds zo
verschrikkelijk moet huilen. Nu dat is voor haar ook op toepassing. Mevrouw Bulte is zo verschrikkelijk sentimenteel.
Hoe zou hij haar aangepakt hebben, vraagt mevrouw Bulte zich af. In gedachten kijkt de man haar doordringend aan.
'Dus u heeft nooit liefde gekregen, zal die ook nooit krijgen en toch blijft u maar willen er van u gehouden wordt.'
“Mevrouw Bulte schrikt. Nooit enige liefde. Dat is wel een erg bitter lotje uit de loterij.
'Tja, antwoordt ze daarom.
“Maar dat kan toch helemaal niet', laat ze de meneer tegenover zich zeggen.” “U bent moeders mooiste niet, u bent niet bijster intelligent en u bent buitengewoon hysterisch.'
Ze knikt bedroefd van ja.
“En tóch wilt u dat ze u liefhebben?'
Mevrouw Bulte weet even niet wat ze moet zeggen.
Ze buigt het hoofd en fluistert zachtjes. 'In potentie ben ik wel een leuk mens.'
'In potentie? Potentie telt niet, dat zien de mensen niet, die zien je onderkin. Dat is wat ze zien.'
Bovendien ben je al hoe oud? Tachtig?”
“Nee, 73,' lispelt ze.
“En dan heb je het nog over potentie? Ja, tegenwoordig is 70 niet oud, maar bij jou wel. Bij jou is bij 73 allang de winter ingetreden!.
“Ja, maar ik ben toch lief. Lief en zorgzaam? Ik ben toch een levend wezen? Er zijn mensen die nog geen miertje zullen doodslaan, maar mij wel hoor, mij wel!'
“Ja, dat komt om dat je zelf je hoofd op een steen legt en heel hard roept; Hier ben ik sla er hem maar af!'
“Doe ik dat?'
“Ja, natuurlijk doe je dat. Je geeft iedereen de ruimte om dat te doen en als ze het niet doen, dan ben je per ongeluk voor even weer gered. Of is het niet zo, dat je anderen gunstig probeert
te stemmen door jezelf weg te cijferen?
“Tja, soms wel. Maar dat is ook een vorm van overleven. Jezelf minitiseren.'
“Ja, ik begrijp het wel. Je bent een vorm van leven die niets toe voegt aan de wereld. Integendeel, je bent oud, lelijk en dom. Dan kan een mens ook geen praatjes hebben.'
“Er zijn zoveel mensen die oud, lelijk en dom zijn en toch praatjes hebben.”
“Ja, maar die zijn nog dommer dan jij. Die zien zelf niet wat voor een aanblik ze geven.Jij wel, jij laat toch maar even zien, dat je inzicht in de dingen hebt. Dat is het enige waar je nog
trots op kunt zijn.'
'Ho, ho, ik ben toch ook maar in het leven geslingerd. En als baby was ik een normale baby. Niet uitzonderlijk mooi of intelligent, nee. Maar een gemiddeld mens moest er toch wel uit kunnen
komen. Maar dat is me ook afgepakt. Want het was een gekke tijd met gekke ouders. Moet ik daar nu mijn hele leven het gelag voor betalen? Letterlijk en figuurlijk. Ik betaal minstens eenderde
van mijn inkomen aan eigen bijdragen.'
“Ja, maar dat is altijd zo. Dat noemen ze maatschappelijke kosten. Wie moet dat anders betalen? Uw ouders zijn allang dood. Daar kunnen we het niet op verhalen. En ouders die dat niet zijn,
nemen meestal een advocaat in de arm, want zij zijn op hun beurt ook mishandeld.
'Nou, ik ben er wel klaar mee.'
“Anders ik wel, ik krijg maar steeds van die figuren op bezoek, die dingen willen die helemaal niet in hun levenscript staan.
“Dat zijn de mensen die als onvruchtbaar zaad op de keien terecht komen,' knikt mevrouw Bulte maar wat kunnen deze mensen dan nog doen?'
“Blij zijn dat ze niet ter plekke afgemaakt worden.'
“Ja, in zijn diepste wezen ben iedere keer weer opgelucht als ze me zien en me niet afschieten.'
“Precies.'
Maar dan zit er me toch nog iets dwars', zegt mevrouw Bulte.
“Wie bepaalt dan wie de gevallenen zijn en wie de winnaars? Gaat dat via onzichtbare regels in het sociale verkeer, of nee, ja, u heeft al een soort systematische indeling, dat weet ik. De
DSM of zo”
“Allebei een beetje, denk ik. Knappe koppen hebben uit het sociale verkeer de regels gefilterd en in dat boek gezet. Wie ze niet aanvoelt heeft een deukje aan zijn voelsprieten
opgelopen.'
“Ja, ja, zegt mevrouw Bulte. Hoop begint te gloren in haar binnenste.
“Zou men dan niet zo goed willen zijn, deze regels openbaar te maken. Zo kan iedereen ze gewoon naleven, imiteren, naspelen van mijn part en dan vervallen al die verschrikkelijke categorieen
van sociaal onvermogen.
“Ja, nee, dat gaat zo makkelijk niet, mevrouw Bulte. Nee, dat geven de winnaars niet prijs. U moet het zelf uit zien te vogelen.'
“Het is toch wat, ik loop er voor naar het einde van de wereld en een ander krijgt het zomaar in zijn schoot geworpen.'
“ Begint u zich eerst maar eens met het zich overgeven aan de gedachte dat alles verloren is. Er komt geen vriendin, geen vrijer, geen ziel die u ten diepste begrijpt.'
“Oh, zegt mevrouw Bulte. Oh, zit dat zo. Nou dan ga ik me daar ook niet meer druk om maken.' zegt mevrouw Bulte schamper. Dan trek ik me nergens meer wat van aan ook. Ik ga verder met het
kleine dat me gegeven is, wat als je het goed beschouwt nog steeds onmetelijk rijk is.'
'Ga door, hoe stelt u zich dit dan voor, u bent als een verkreukeld insektje dat hulpeloos natrappelt ?'
Mevrouw Bulte snuift. 'Nee, en toch blijf ik me mens voelen. Ik heb een lichaam dat toch het meest bij het menselijk ras in te delen is. En ik heb een aowtje. Ik ben vrij. Ik zit niet in de
gevangenis. Ik mag naar de winkel en daar zomaar dingen kiezen! Ik mag reizen. Ik mag zien, horen, voelen en proeven. En al houdt men niet van mij, ik mag mijn liefde wel voelen, voor anderen
en voor het leven.'
“Is dat niet hetzelfde als liefde voelen voor je zelf?'
Mevrouw Bulte blijft verbluft zitten. Tjonge, jonge, die Wijnberg werkt wel door, zeg! Maar eerst gaat ze hier in volle overgave op mediteren. Mevrouw Bulte beseft dat iedere seconde die haar
nog gegeven is van háár is. Een duizelingwekkende gedachte.
Waar de mensen komen
Soms zijn de dingen niks, denkt mevrouw Bulte. De dingen kunnen zelfs tot diep lijden aan zetten. Je kunt je nog zo verheugen, stiekem naar de kapper gaan, een nieuwe blouse uit een berg tweedehands goed trekken en je heel mooi opdiggelen, maar uiteindelijk is het altijd maar afwachten of de dingen brengen wat je hoopt.
Hoe vaak heeft mevrouw Bulte haar hoofd niet gestoten. Daarom begrijpt ze mevrouw Leenschat vanBodegrave zo goed. Dat is zo een dame. Het kriebelt in mevrouw Bultes maag als ze haar ziet. En echte dame die al verscheidene malen zonder blikken en blozen naast mevrouw Bulte heeft plaats genomen in het restaurant. Ze is een dichteres. Misschien wel de enige, echte van Nederland. En die zit nu ook weer naast háár. Ze heeft haar zo mooi opgestoken. En aan iedere beweging zie je dat het upper upperclass is. En daar houdt mevrouw Bulte zo van.
Maar ja, zoals ze al zei. Soms zijn de dingen niks. Dan is het of alles tegen je samenspant. En vandaag is het de beurt aan mevrouw Leenschat- Van Bodegraven zich de dingen aan te trekken.
Het diner is aantrekkelijk aangekondigd als de Grote Avond van het Snelle Buffet. En er is vol enthousiasme op gereageerd want de eetzaal zit vol in de bejaardensoos. Maar dat snel hadden ze beter weg kunnen laten. Het wachten duurt veel te lang. Ze zitten hier nu al anderhalf uur te wachten op een glaasje water en laten we wel zijn, peinst mevrouw Bulte, bediend worden heeft altijd iets diep beschamends. Dat moet met de hoogste discretie snel afgewikkeld worden.
Mevrouw Leenschat-Bodegrave vindt het ook gênant en kijkt voortdurend om zich heen. Het liefst zou mevrouw Bulte haar willen wiegen.
‘Er is duidelijk tegen mij gezegd, uiterlijk half zes,’ zegt mevrouw Leenschat-Bodegrave schor.
‘Ach, mevrouw, dat zijn zo de mysteries van het leven. Het valt nu sociologisch niet meer te achterhalen waarom mensen verkeerde informatie geven. Maar het gebeurt zo dikwijls, he?’ geeft mevrouw Bulte respons.
Mevrouw Leenschat Bodegrave knikt bleekjes maar geeft geen antwoord. Haar handen omklemmen stevig haar tasje op schoot.
‘Het zijn nog maar kinderen,’ zegt mevrouw Bulte vergoelijkend. Ze kijkt naar de mooie, slanke meisjes in hun overdreven lange schorten.
‘Flesseman is nu eenmaal geen gewoon restaurant, gaat ze door. Hij is in het leven geroepen voor de bejaarde mens. Zodat hij ook eens een uitspatting kan maken.’
‘Ja, dat weet ik wel,’ zegt mevrouw Leenschat-Bodegrave. ‘Dat vind ik ook helemaal niet erg. Maar ik moet op mensen kunnen rekenen. Waarom word ik hier in de luren gelegd? Waarom zegt men niet gewoon kwart over zes. Zelf kwamen ze pas om zes uur.’
‘Ja, dat is zo. De tafel moet tenslotte worden gereserveerd.’
Maar mevrouw Bulte wordt nu volkomen overstemd. Een hoempapa-orkest heeft in de zaal plaats genomen en speelt haar repertoire. Mevrouw Bulte hoort wel dat ze het goed doen. Maar het geluid is zo hard dat het haar sleutelbeenderen bereikt en trillingen veroorzaakt in heel het lichaam. Ze ziet dat mevrouw Leenschat-Bodegrave het liefst op zou veren, om weg te lopen.
‘Het is dat ik vreselijke trek heb. Ik heb de hele dag niets gegeten om hier op tijd te kunnen zijn, anders liep ik nu weg.’
‘Laat het over je heen gaan,’ zegt mevrouw Bulte. 'Alles over je heen laten gaan. Niets kan je werkelijk schaden.’
Maar mevrouw Leenschat-Bodegrave antwoordt niet meer. Ze laat haar prachtige coiffure hangen.
‘Nou, daar zal strakjes wel een gedicht uit voortkomen’, schreeuwt mevrouw Bulte in haar oor.
Mevrouw Leenschat-Bodegrave knikt, maar mevrouw Bulte voelt dat het meer een soort afschudden is. Ottelenooie, straks wil ze haar vriendin niet meer zijn.
Daarom zegt mevrouw Bulte niets meer en strijkt over de mooie linnen servetten voor haar.
Eindelijk, eindelijk stopt de muziek.
Iedereen is inmiddels van een drankje voorzien, behalve de tafel van mevrouw Bulte en mevrouw Leenschat van Bodegrave. Weer zo’n vreemd verschijnsel waarvan je naar de oorzaak in het duister mag tasten.
Mevrouw Leenschat van Bodegrave snakt naar wijn. Maar de hele zaal is vervuld van zichzelf en bestelt en lacht en drinkt. Waar is de leerling-bediener die bij hun tafel hoort?
Mevrouw Bulte maakt oogcontact met een jongeman, die het ranke lichaam van een kind heeft, maar waarvan ze het hoofd toch al in de twintig schat. Hij ziet haar en wil op haar toelopen als hij door een bulderende tafel, aangehouden wordt. Meteen keert hij rechtsomkeer om onmiddellijk hun wensen te vervullen. Een jongen van goede wil, dat wel. Een diep medeleven welt in mevrouw Bulte op. Het lijkt haar een jongen met een ongelukkig IQ.
Eindelijk worden ze bediend door een collega. Mevrouw Bulte neemt kleine nipjes. Wie weet wanneer ze weer wat krijgen.
Mevrouw Leenschat-Bodegrave zit nog steeds afwezig te kijken. Ze heeft zich heel kranig gehouden, maar kan de diepe onrust die haar overvallen is niet van zich afschudden.
‘Dames en heren,’ roept een leidinggevende. ‘Vanavond hebben wij buffet, zoals u hoogstwaarschijnlijk al weet. Er is waldorfsalade, tonijnsalade, zalmsalade, asperges, vlees en allerlei. Om een pandemonium te voorkomen, stel ik voor dat wij om de beurt naar het buffet lopen om op te scheppen. We beginnen bij deze tafel en hij wijst op de tafel in de verte waarna al na wij slingerend tafel na tafel door de zaal zullen gaan, uitkomend bij deze tafel hier. Hij raakt even het servet van mevrouw Bulte aan.
'Nou, dat is toch fijn, hè. Iemand van de leiding weet dat wij bestaan,’ fluistert mevrouw Bulte. Maar ze zijn wel weer de laatsten, beseft ze.
Verschrikt kijkt mevrouw Bulte naar het gezicht van mevrouw Leenschat van Bodegrave. Is zij nog wel in staat deze stoelendans te doorstaan?
‘Iedere keer weer is het zo. Het is niet te geloven, het zijn altijd dezelfde mensen die misverstanden creëren. Ik kan niet op ze aan. Half zes hadden ze gezegd. Half zes,’ zegt mevrouw Leenschat-Bodegrave in trans.
‘Zal ik dan een bordje voor je opscheppen?' vraagt mevrouw Bulte. ‘Dan blijf jij lekker zitten.’
Mevrouw Leenschat van Bodegrave schudt nauwelijks merkbaar van nee.‘Nee, het gaat wel weer.’
Dat zelfs de grootste dichteressen wel eens last hebben van overmacht, denkt mevrouw Bulte. Daar heeft ze nog niet bij stilgestaan. Nu, ja, morgen slingert er een dijk van een poëzie uit. Dat geeft troost.
Maar mevrouw Leenschat van Bodegrave zal voorgoed in alle toonaarden over de gedenkwaardige avond zwijgen. Alleen een goede collega, Kees Engelhart die over het voorval iets te horen krijgt, zal een opbeurend gedichtje schrijven voor zijn lieve vriendin:
WAAR DE MENSEN KOMEN
De man die nooit verschenen is
Zit thuis kalm aan tafel
Te drinken en ook te mijmeren
Over waar hij niet aanwezig was
Wat het betekent voor de man
Die nooit verschenen is onder
De mensen te zijn wanneer
De afspraken niet juist blijken
Onrust betekent het
Een plaats geschikt om
Niet aanwezig te zijn
Ook mevrouw Bulte
Dwaalt door het leven
Alles begrijpen is alles vergeven
Wilhelmina de Kuster
1 Hunkeren
2 Oorlogssoep
3 Galeriebezoek
4 Goed gajes
5 Roltrap
6 Laatste eer bewijzen
7De vlucht
8 La grande Bouffe
9 Wijsbegeerte
10 Eterno Juventus
11 Gods liefde voor mevrouw Bulte
12 ‘Vrijmarkt’
13 Klaagmuurtje
14 Bewust
15 De uitnodiging
16 Waar de mensen zijn
17 Rare voeten
18Herenbezoek
19 24 kilometer
20 Thuiskomst
21 Plantjes halen
22 Ritje door de stad
23 Kerst
24 Zeespiegelingen
25 Over de rotsen
26 Wensen
27 Huisvredebreuk
28 Dolle Mina
29 Gedichten lezen
30 Loutering
31 Mantelzorger
32 Den Helder
33 In het zonnetje
34 Hemelsblauw
35 Nare man
36 Bultje
37 Gebed
38 Afspraken
39 Let it be
40 De les
41 Extra zuurstof
42 Dienstbaarheid
43 Luisteren
44 Heilig
45 Zitten blijven
46 psychomotorische therapie
47 Woede
48 De rondleiding
49 alles is gewenning
50 Anatomie van de waarheid
51 Alles nieuw
52 Ongewenst einde
53 Als je het haalt
54 Straf
55 De sessie
56 Zandkorrel
57 Het Zelf
Mevrouw Bulte weet zelf niet waarom ze zo gehecht is aan het leven. Eigenlijk is haar bestaan tot op het minimum gereduceerd. Geen gezinsleven, geen overdadige portemonnee. Haar huisje is klein en rommelig. Het staat weliswaar in een overweldigende stad, maar ook al maakt mevrouw Bulten deze dagelijks het hof, de stad laat haar nooit echt toe. Niet in die zin dat zij er deel van wordt en het geluksgevoel dat de stad uitstraalt ook het hare wordt. Welnee, ze mag slechts meerijden in de tram, de lift van overvolle warenhuizen betreden en op toon van het toegangsbewijs ook nog enige culturele gebouwen; het museum, de stadschouwburg, het concertgebouw. Nu ja, dat wil zeggen als ze daar het geld toe zou hebben. Mevrouw Bulte kent de culturele wereld voornamelijk van de buitenkant. Het blijft een recht van de gegoede burgerij, bedenkt ze gelaten.
Dan is er nog zoveel in Amsterdam waar een normale burger niet eens weet van heeft. Het nachtelijk uitgaansleven gaat geheel aan haar voorbij. Gelukkig maar. De brabbelende kant van het leven, met zijn naweeën, zou onverdraaglijk zijn voor een oude dame zoals zij. Dus dat is niet erg. Het erge is, dat zelfs een openbare plek als het stadspark haar niet vriendelijk gestemd is. Hoe hoog ook de boomkruinen boven haar hoofd wuiven, hoe statig de stammen ook torenen in een beeldschone lucht, hoe zeker ze ook weet dat haar voeten in het zand schuiven, toch is het een geleende ervaring. Een soort gratis uitje waar weer een eind aan komt, maar het wordt nooit haar eigendom, zoals van de mensen om haar heen. Van hen ja, zijn die huizen, de stoepranden, de blinkende auto’s en de treinen die voorbij zoeven in de verte. De brug is er voor hen, zij zijn er niet voor de brug. Ze zakken ongegeneerd neer in het leven. Dat gevoel heeft mevrouw Bulte al haar hele leven niet gekend. Ook niet toen ze jong was en een mens nog niet over de eindigheid der dingen nadenkt. Mevrouw Bulte buigt voor het decor waar ze in leeft. Ze is daadwerkelijk dankbaar. Ik mag toch maar lekker over dit aangelegde steigertje lopen, denkt ze dan. Niemand die het haar verbiedt. Dat is haar rijkdom.
Maar in zijn diepste wezen, denkt mevrouw Bulte, leeft ze als een banneling. Ze heeft ergens ver weg een kind, dat geeft nog een draai van normaliteit aan haar levensverhaal. Maar Josefien heeft haar al jaren eigen leven en zo hoort dat ook.
Soms lijkt het of ze altijd maar rondjes draait. Weer naar die markt, weer naar de Zeeman. Of ze in een bekoorlijke dauwdruppel leeft waar geen kern in zit. Er ontbreekt iets. Maar wat? Ja, bepeinst ze, zij mist de rust om niet te hunkeren. Zij hunkert naar vanzelfsprekende liefde. Dat is natuurlijk geen makkelijke situatie.
Kom op, denkt ze dan. Stientje, Stientje. Sla er ieder willekeurig boek maar op open. Ieder weldenkend mens weet dat hij alleen is, al heb je duizend familieleden. Uiteindelijk moet je het alleen doen. Je wordt alleen geboren en je gaat alleen weer dood. Niemand die met je mee kan, hoor! Het decor met zijn toneelspelers verschilt van mens tot mens, maar het blijft een spel, waarvan het doek weer vallen zal.
De eerste levensjaren zijn belangrijk, daar moet je de zekerheid krijgen van je voortbrengers dat het goed is dat je bestaat. En ook enig talent om je door het leven te slaan is onontbeerlijk. Mevrouw Bulte snuift. Eigenlijk ben ik genetisch een van de armsten op aarde met al mijn gebreken en toch probeer ik in de balans te blijven, denkt mevrouw Bulte. Is dat geen pluim waard?
Mevrouw van Bulte begrijpt zelf niet goed waarom ze zich zo onbevredigd voelt. Ze gelooft dat het komt doordat ze teveel denkt. Wie denkt zal lijden. Is dat niet het spreekwoord? Minder denken, Stientje. Wie niet weet, wie niet deert. Ze kijkt uit het raam waar de meeuwen hongerig om het gebouw cirkelen. Heeft er weer iemand met brood gestrooid. Nou van haar mag het hoor. Ja, met de meeuwen kan ze zich wel identificeren. Ze zal die stakkers ook wat geven. Ze moet het snel doen, want de mensen zijn bang voor hun ramen. Daar krijg je gauw gedonder mee. Maar het is zo verrukkelijk ze te zien schrokken. Ze gooit een paar korsten uit het raam. Zo hoog mogelijk. In hun vlucht pakken ze het brood. Ze happen naar elkaars bekken, en fladderen heel dicht tegen de gevel aan. O, het zijn nog flinke beesten. Die zijn ook zomaar het leven ingeslingerd, bedenkt mevrouw Bulte. Hun onschuld maakt dat ze geen vragen stellen. Daar kun jij nog wat van leren, Stientje! Wees er gewoon en smikkel en smakkel straks maar een taartje. Je nergens schuldig om voelen. Als een meeuw in de lucht zo vrij. Heerlijk! Mevrouw Bulte legt haar dikke enkels hoog in de kussens op de bank. Ze voelt ze zich zo zalig, dat ze te lui is om naar de krant uit te reiken, die op het tafeltje voor haar ligt. ‘Ooooh,' kreunt ze zachtjes, ‘wat is het leven verrukkelijk. 'O oooh, wat lig ik heerlijk!’ Ze hoeft niets. Ze heeft zelfs geen tijd genoeg om alles te doen wat ze zou willen. Lezen, televisiekijken, de stad in… Daarom blijft ze onbeweeglijk liggen. Geluksgevoelens borrelen in haar op. Zo sterk dat ze lichtelijk pijn gaan doen. Oeps, niet denken. Niet denken. Anders slaat het door naar de andere kant. Ze kent haar gevoelens. Die glijden als kralen heen en weer naar de uiteinden van een touwtje. Stop! In het midden blijven. Gewoon er zijn en basta, denkt mevrouw Bulte. Je moet er gewoon zijn, zonder poeha. Al dat gehunker is nergens goed voor. Alles wat ze nodig heeft kan in het bundeltje dat een vagabond met zich meedraagt.
Wat ben ik toch een raar mens,’ denkt mevrouw Bulte. ‘In deze hele moderne maatschappij is er niet één die geen magnetron heeft, behalve ik.’ En nu ziet ze zo’n ding bij het grofvuil op straat.
‘Maar als hij het nog deed, zouden ze hem niet weggedaan hebben,’ denkt mevrouw Bulte.
‘Het ding is toch veel te zwaar om mee te nemen.’ Mevrouw Bulte wandelt met langzame pas verder. Ze fantaseert over een wonderoven. Een oven die alles kan. Een die voedsel bereidt zonder afwas.
‘Als je geen potten en pannen hoeft te gebruiken, kost het leven een habbekrats,’ denkt ze.
‘Al dat kant en klare voedsel, dat kost goudgeld. Het is de arbeid die je betaalt. Maar een mens is lui en heeft geen zin in rompslomp. Want dat krijg je van dat gekook. Dan maar blikjes. Daar heb je ten minste geen overlast van.’
‘Maar het is niet zo gezond,’ denkt ze. ‘De gegoede mens eet vers en daarom heeft hij de magnetron uitgevonden.’
Ze loopt verder en denkt aan erwtensoep en stamppot.
‘Ach, wat een onzin,’ denkt ze dan weer. ‘Jij kunt best in een pannetje koken, Stien Bulte. Een pan is zo oud als de mensheid zelf en als de pan duizenden generaties begeleid heeft, kun jij er je ook nog wel even mee redden.’
En daar heeft ze ook weer gelijk in. Ze maakt meteen halt bij een groenteboer. De groenten worden beschenen met halogeenlampjes waardoor mevrouw Bulte de indruk krijgt dat het gewicht hier in goud gewogen wordt. Er zijn bovendien zoveel soorten groenten dat mevrouw Bulte niet goed na kan denken. Wat moet ze zeggen, als de groenteboer vraagt wat ze blieft?
Gelukkig staat er nog iemand en heeft ze nog even tijd. ‘Een kooltje’ denkt mevrouw Bulte gewiekst, ‘Neem maar een kooltje, daar kun je je geen buil aan vallen.’
Gelukkig dat ze dat zojuist bedacht heeft, want mevrouw Bulte is al aan de beurt.
‘Doet u maar kool, groenteman,’ zegt ze deftig.
‘Witte kool, rode kool?’ vraagt hij terwijl hij een rood kooltje aanwijst.
‘Rode kool is goed,’ zegt mevrouw Bulte. Op dit moment is alles goed.
‘Appeltje erbij?’
Oei, nu wordt het lastig. Wil ze appels? Het duizelt haar een beetje. Rode kool met appeltjes!
Ze dacht dat men die alleen uit de diepvries at. En moesten daar geen hele rare kruiden bij?
‘Nee, een stengel prei,’ zegt ze ferm. Ze is blij dat ze Nederlands spreekt.
De man doet gewillig een prei in de zak. ‘Ik ben blij, zo blij, zingt het van binnen.’ Maar daarop volgt meteen een andere gedachte. ‘Wat nou blij? Natuurlijk doet die man wat je zegt. Je betaalt er toch voor.’ Ze weet zelf niet waarom ze altijd een terechtwijzing verwacht. Ze knispert met een briefje van tien euro in haar vuist.
De prijs valt reuze mee. Ze krijgt heel veel kleingeld terug. ‘Wat heb je toch een levensangsten,’ scheldt mevrouw Bulte op zichzelf als ze even later op de stoep staat. ‘Ze eten je niet op.’
Ze loopt gauw naar huis.
Het is vreemd thuis te komen met de groenten. Ze voelen heel koud aan.
‘Het zijn geloof ik knollen,’ denkt mevrouw Bulte. ‘Prei groeit zelfs in de grond.’
‘Nou, geef het maar aan je zelf toe,’ denkt ze, ‘Je hebt weer gek gedaan. 'Nu zit je met een kool in je maag. Die gaat over een week de vuilnisbak in.’ Mevrouw Bulte legt de kool op het aanrecht en bestudeert hem op afstand.
‘Ja, er ligt een kool op mijn aanrecht.’
‘Nou en?’ denkt ze dan. ‘Het gaat ten slotte om het avontuur. Het is zolang geleden, dat ik dat soort knollen in mijn handen had. Dat trekt je weer even in het maatschappelijk bestaan.’
En het is werkelijk een bijzondere gewaarwording hoe de kool stroef onder haar vingers voelt.
Met haar jas nog aan snijdt ze een paar koolbladeren in stukjes. Hoe mooi steekt het paars af bij het wit. ‘Ziezo,’ denkt ze. ‘Dat is het voordeel van het alleen zijn. Al kook je oorlogseten.
Niemand die je het verbiedt. Je bent vrij, Stien Bulte. Knoop dat nou eens goed in je oren.’
Ze doet er een beetje water erbij en bedenkt opeens dat ze nog een bouillonblokje heeft.
‘Zo is dat. Ik maak soep!’ denkt ze triomfantelijk.
Ze zet het pannetje op en loopt naar de huiskamer.
Hé, hé, wat is het hier lekker warm. Ze doet haar jas uit en pakt de krant. Tram wordt weer duurder staat er met grote letters.
Na tien minuten gaat mevrouw Bulte maar eens kijken.
Alles in het pannetje is helemaal blauw geworden. De prei en de stukjes aardappels ook. Of ze blauwe plekken hebben. Het is ècht oorlogsoep geworden.
‘Eet het nou maar gewoon op,’ zegt mevrouw Bulte tegen zichzelf. ‘Dat is krachtvoer.’ Ze doet de soep in een bordje.
Hé, maar het is verrukkelijk. De soep smaakt mevrouw Bulte boven verwachting. Zo heeft ze rode kool nog nooit gegeten. ‘Nou, nou’, zegt ze bij elke hap. ‘Wat een ontdekking. De mensen moesten eens weten. Hier kan ik iedere dag wel een bordje van eten.
Ze is er helemaal vol van. Ze bedenkt hoe ze wel niet zou kunnen variëren. Sperzieboontjes, witte kool, spinazie.
Je hebt er maar een handjevol van nodig. En die kool komt wèl op. Morgen gaat ze naar de bibliotheek. Ze wil weten wat er nou precies aan voedingsstoffen in rode kool zit. Zachtjes fluitend spoelt ze het pannetje en haar bord om.
De soep in de buik van mevrouw Bulte spreidt een warm gevoel uit, dat tot diep in haar hart gaat.
O, wat is mevrouw Bulte moe. Ze loopt al heel lang. Ze had gedacht: ‘Ik ga bij deze straat rechtsaf en dan ben ik zo thuis.’ Maar het is veel verder dan ze zich herinnert en er zijn geen tramhaltes.
‘Geeft niet,’ denkt mevrouw Bulte. ‘Ik zoek ‘vigalantie’, zoals die ouwe dat noemde. Ik schiet wel even ergens naar binnen. Een café of desnoods een chinees. Ik heb de tijd aan mezelf. En na restauratie ga ik langzaam op huis aan. Achter de brug moet toch ergens de Hortus liggen en dan ben ik er bijna.’
Maar ze is in een lange pijpenla terechtgekomen. De Kerkstraat. Koffiehuizen zijn er niet. Wel een vreemd galerietje. Er staan spookachtige potloodtekeningen in de etalage.
Mevrouw Bulte duwt krachtig de deur open. Het is er klein en kerstmisachtig verlicht. Een meisje zit in het duister aan een tafeltje te knutselen. Mevrouw Bulte denkt dat het een breiwerkje is.
‘Goedendag,’ zegt mevrouw Bulte. ‘Wat een schitterende tekeningen heeft u hier. Mijn complimenten.’
Het meisje glimlacht even, maar zegt niets.
‘Mag ik even rondkijken?’
Het meisje maakt een uitnodigend gebaar. ‘Kijkt u maar gerust rond.’
Mevrouw Bultes oog valt op kleine, kleurige beeldjes die in een vitrine staan. Ze bekijkt ze van heel dichtbij, terwijl ze haar leesbril als een loep gebruikt.‘Buitengewoon, buitengewoon,‘ mompelt ze.
‘Dat werk is van mij,’ zegt het meisje, dat plotseling achter haar staat.
‘Nee, maar!’ Mevrouw Bulte schrikt heftig. ‘Heb jij dat gemaakt? Wat schitterend, schitterend mooi! Oh,oh,oh!!’ zegt ze terwijl mevrouw Bulte haar armen omhoog werpt.
Het meisje kijkt angstig en zegt niets. Ze gaat een eindje van de beeldjes af staan.
Die beeldjes hebben iets viefs, maar van hààr gaat iets doods uit, vindt mevrouw Bulte. Ze moet maar steeds het gesprek op gang houden. En ze wil dolgraag zitten.
‘Dat is altijd de makke met galeries,’ denkt mevrouw Bulte. ‘Je weet je er nooit zo goed raad. Officiëel mag je er rondneuzen, maar er creëert zich gauw een spanning, omdat je voelt hoe uitgehongerd men wacht op betalend clientèle.’ Ook in dit duistere geval heeft niemand iets te zoeken als men niks koopt. En mevrouw Bulte wil niks kopen. ‘Niet laten merken,’ denkt ze. ‘Ga maar even het toneel op.’
Mevrouw Bulte draait zich om. Ze is opeens een hele deftige dame in goeden doen.
‘Ik ben uiterst geïnteresseerd in dit jeugdige werk,’ zegt ze met nadruk.
Het meisje glimlacht gelukkig, maar biedt geen stoel aan.
‘Heeft u misschien een pamflet met een overzicht, zodat ik het allemaal nog eens goed kan bekijken?’
Het meisje reikt welwillend een foldertje aan.
‘Ottelenooie, waarom laat ze me nou niet zitten. Ik breek bijna,’ denkt mevrouw Bulte. Zonder dat ze er bewust aan denkt gaan haar benen richting stoel en zijgt ze zonder toestemming neer. Ze duikt zenuwachtig in de folder. De lettertjes zijn piepklein.
‘Hier is nog een prijslijst die er bij hoort.’ zegt het meisje terwijl ze nog een vel aanreikt.
Mevrouw Bulte schrikt. 200 euro is hier de laagste prijs.
‘Nou, dat zijn uiterst redelijke prijzen,’ mompelt ze.
‘Ja,’ stemt het meisje in.
‘Ik ben niet van hier,’ zegt mevrouw Bulte. ‘Ik kom helemaal uit de Zuiderhoek.’
‘O,’ zegt het meisje.
‘Ja, ik ben hier in Amsterdam om mijn oude nicht te bezoeken. Rosalie.‘
‘Zo,’ zegt het meisje.
‘Ja, die lijdt toch zo aan haar gal.’
Het meisje gaat ook zitten en schenkt zich zelf een beker koffie in. Mevrouw Bulte krijgt ook een kopje koffie.
Ziezo, dat was wat je noemt jezelf redden.
‘En loopt het een beetje?’ vraagt mevrouw Bulte vriendelijk.
‘We zijn een collectief,’ legt het meisje uit. ‘We zijn allemaal kunstenaars en passen om de beurt op de galerie. Nu, na de opening komen er weinig mensen. Maar je moet er wel zijn.’
‘Ja, kind, het kunstenaarschap draagt lijden in zich. Dat is altijd zo geweest.’
Haar vermoeide heupen beginnen langzaam zich te herstellen.
‘Maar het is toch wel een interessant bestaan, dat van kunstenaar,’ gaat ze verder als het meisje er niet op ingaat. ‘Ikzelf kan geen streep tekenen. Maar ik heb er wel gevoel voor. Gek, hé?’ zegt mevrouw Bulte.
‘Och,’ zegt het meisje. ‘Je hoeft geen tekenaar te zijn om kunstenaar te worden’
‘Zou het?’ zegt mevrouw Bulte. Want die drang heb ik wel. Dat is weleens lastig. Mijn overleden man, een rijke herenboer uit de Zuiderhoek, werd weleens boos. ‘Hou toch eens op, met dat gepriegel’ zei hij dan. ‘En ja, zo werd het niet gestimuleerd, hé?’
‘Kunst verzamelen is ook een leuke hobby,’ zegt het meisje.
‘Ze liegt,’ denkt mevrouw Bulte een beetje gekwetst. ‘Die heeft die beeldjes niet gekleid. Dat bestaat niet. Daar is ze veel te lijzig voor.’
‘In welk werk zou u dan eventueel geïnteresseerd zijn?’ komt het meisje onverwacht in actie.
‘Die kleurige beeldjes, met die apengezichtjes. Ik vind ze buitengewoon,’ zegt mevrouw Bulte.
Dan schrijf ik mijn naam op en mijn telefoonnummer. Het meisje doet het uiterst precies. Ze heeft een rond, kinderlijk handschrift.
‘Zo, nu ben ik wel weer hersteld,’ denkt mevrouw Bulte. ‘Ik moet helaas weer opstappen,’ zegt ze deftig tegen het meisje. ‘Maar vandaag is het een geluksdag dat ik deze galerie zomaar vond. Ik kom hier zeker terug en dan zal ik een flinke donatie doen.’
Mevrouw Bulte staat gedecideerd op en trekt de deur open. De buitenlucht doet haar dadelijk opademen. Zo, dat laatste stuk zal ze nog wel redden.
Mevrouw Bulte ligt met een kloppend hart in het donker. Ze kan zich nauwelijks bewegen. Hoe het leven op haar oude dag nog zo intens kan worden. Haar kunstgebit drukt zwaar in haar mond, maar ze kan zich er niet toe bewegen hem uit te doen. Waar zou ze dat ding moeten laten? Opstaan is nu gecontraindiceerd. Lijdzaam ondergaat ze de pijn. Al haar kledingstukken knellen, maar dat schurende gevoel valt in het niet bij haar gedachten. Vandaag heeft ze een blonde psycholoog gesproken.
Er zijn maar 45 minuten verstreken in zijn aanwezigheid, maar ze is al het tienvoudige in de ban ervan. In de ban van… Ja, van wat eigenlijk?
Hij leek op Jan, haar broer. Van dat gehaaide gajes. Mevrouw Bulte begreep meteen dat ze met een zeer intelligent man te doen had. Gajes mag het beroepsmatig niet zijn. Dat is tegen de code. Mevrouw Bulte klikt haar gebit even los. Goed gajes dus.
Het zijn met zo’n man heeft altijd iets beschamends. Daar zit je dan als oude vrouw tegenover een jong en energiek iemand die van ieder woord en gebaar het zijne denkt. Dat verbloemen ze handig door heel sympathiek te doen. Maar leer mevrouw Bulte de psychologen kennen. Ze weet dat werkelijk contact met zo’n man een onbereikbaar terrein is. Dat zijn veldslagen des levens die niet te winnen zijn. Het enige wat er nog overblijft is met een enkele kwinkslag je toch enigszins staande houden. Nou en dat heeft mevrouw Bulte gedaan, hoor! Ze begrijpt zelf niet waarom ze zich nu zo intens verdrietig voelt.
Ze moet nog eens na gaan, wat ze allemaal gezegd heeft. Wonderlijk hoe ze ongemerkt toch met allerlei tegenstrijdige verklaringen kwam. Heel veel dingen die ze vanmiddag beweerd heeft, zou ze nu gewoon kunnen ontkennen. Dat zal ze maar niet rechtzetten. Dat geeft een indruk van instabiliteit. En mevrouw Bulte lijdt slechts aan eenzaamheid. Ze is niet gek. Dat heeft ze ook tegen die mijnheer gezegd, die bevestigend knikte. Ze glimlacht in het donker. Ja, hij was het met haar eens. Ze is normaal! Het is nu bevestigd door een beoefenaar der hoogste wetenschappen. Wie had dat ooit gedacht! Eigenlijk is hetgeen waarna zij haar hele leven naar gestreefd heeft in één klap uitgekomen. Ze heeft de normaliteit bereikt. Daar gaat het om. Ze zwaait even met een gebalde vuist in het donker. Verder mag je afwijkend zijn, klein, groot, ziek, gezond, knap, dom. Nou ja dom, dat is weer iets abnormaals, natuurlijk. Mevrouw Bulte zucht. Zou die gozer haar dom vinden? O God, wat is het leven moeilijk! Ze zoekt verwilderd in haar herinnering naar intelligente opmerkingen, maar stuit er op niet één.
Je moet zo weinig mogelijk zeggen, Stien, bedenkt ze. Dat is de truc. Eigenlijk bedient zo’n man zich daar ook van. Zit maar te hummen. Maar wat betekent dat eigenlijk? Is het ja of is het nee of iets anderzijds? Het is een smeermiddel die als olie de wielen van het gesprek smeert. Daar worden ze helemaal op getraind. Verkooptechnieken zijn het. O, mevrouw Bulte laat zich geen knollen voor citroenen verkopen.
Nog steeds voelt ze zich raar. Ze zweeft een beetje, met die bal van verdriet aan haar vastgeketend! Ze moet dit stante pede relativeren. ‘Die man is jou allang vergeten en nou lig jij nog uren daarna verslagen op bed.’ snauwt ze in gedachten. ‘Mens, doe toch normaal!
Maar wat zei hij nou? Dat ze een beetje verdwaald was. Jammer dat ze niet meteen vroeg, wat hij daarmee bedoelde. Hoe kon hij nou weten, dat het heel wat voeten het in aarde had gehad voor ze op het adres aankwam. Ze was toch keurig op tijd geweest? Soms zijn ze griezelig scherp.
Natuurlijk was ze lelijk opgewarmd door de kou en had ze rode koontjes gehad. Zo is het leven. Maar dan gaat mevrouw Bulte wel eventjes het toneel op. Ze draait zo’n mannetje toch zó om haar vinger.
‘Goedenmorgen!’ Ze had het met flair gezegd. Flinke handdruk gegeven, want dat weet een kind, dat je geen slap handje moet geven. Dat is het ergste uit het bestaan. Val je meteen door de mand.
Maar ja, die eerste indruk, he? Die is het allerbelangrijkst. Het is de enige fractie van een seconde die werkelijk waarheid bevat.
Ze probeert het zich weer voor de geest te halen. Zij; een oude, vervallen vrouw, met van die ongelukkige, grove handschoenen in haar hand. Die Wibra-vibraties ook die ze overal rondstrooit! Pieterdejandosie. Daar moet ze op letten!
En hij; blond, wantrouwig, in de thuiswedstrijd en toch een beetje bang, zoals je dat bent als je zondag verpest wordt door plakkende gasten.
Ze verstijft ervan. Ja, voor zo’n man is het natuurlijk nadrukkelijk lijden steeds maar van die figuren te moeten ontvangen. Hij weet allang dat hij ze niet helpen kan. Maar de schijn moet opgehouden worden om het vak in ere te houden. Daar zijn miljoenen mee gemoeid. O God. Wat zal hij haar in zijn hart weg gewenst hebben.
Mevrouw Bulte wil het liefst door het bed zakken. In het niets oplossen. Waarom is ze in vredesnaam die man lastig gaan vallen? Wie geen eisen stelt leeft in vrede. Dat wist ze toch allang. Hoe ze bij hem terecht gekomen is, kan ze zelf niet begrijpen. Opeens zat ze er gewoon. Toch weer het egoisme van de mens die zijn kop op steekt. Betrapt Stientje Bulte, bedenkt ze verdrietig. Dacht jij dat je meegevoederd kon worden in de trog der welvaart?
Maar de werkelijke fout, bedenkt ze zich, is gelegen in de dwaalgedachte dat je naar een openbare voorziening gaat. En dat is haar schuld niet. Zo wordt het door de buitenwacht voorgesteld. Een voorziening die geestelijke tekortkomingen teniet doet. Hoe zou dat nu mogelijk zijn? Alsof er zoiets als pure liefde zou bestaan op bestelling.. Het is gewoon werk. De een zijn dood, is voor de ander zijn brood en al smaakt dat brood niet altijd even vers, het is wel brood. In een kunstmatig gecreëerde situatie eigenlijk, want er vindt geen natuurlijke selectie plaats. En dan is het maar afwachten voor zo’n man wat voor cliënt hij krijgt en de ongelukkige kreeg mevrouw Bulte. Hij had nog beleefd een vervolgafspraak gemaakt ook. En traan rolt over haar wang.
Geeft niets. Laat maar rollen. Dit is gewoon weer zo’n bitter moment waarop je weet dat je gewoon je mond moet houden en je tijd moet uitbeiden. Nee, ze zou maar de eer aan zich zelf houden en hem verlossen van dat steentje in zijn schoen. Morgen schrijft ze hem een bedankje. Ze stopt haar gebit maar even onder het kussen dat ze liefdevol tegen haar wang vleit. Nu, maar eerst even gaan slapen. Het was toch even heel bijzonder geweest.
Mevrouw Bulte neemt het ervan. Ze gaat lekker een kopje koffie drinken. Er zijn veel mensen in de stad. Ze lopen in drommen aan de linkerkant van de straat, terwijl de tegenliggers rechts aanhouden, maar Mevrouw Bulte merkt het niet en botst regelmatig tegen iemand op.
‘Pieterjandosie, wat een mensenmassa. Ik ga maar meteen een kopje koffie drinken,’ denkt ze en schiet de Kalvertoren in. Ze wil naar de hoogste verdieping.
Maar daarvoor moet ze eerst de roltrap nemen. Dat vereist altijd enige zelfoverwinning. Mevrouw Bulte heeft namelijk bij de eerste stap altijd de neiging even te steigeren, ondanks de verscheidene voetbewegingen die zij steevast voor het opstappen oefent. Haar handen grijpen in een reflex naar de lopende leuning, wat juist zo gevaarlijk is, omdat de trap je dan willens en wetens meesleurt.
‘Ja, dat komt nog van die ouwe,’ denkt mevrouw Bulte. ‘Dat vond vader toch zo eng. Met geen paardenkracht kreeg hem op zo’n ding. En daarom ben ik natuurlijk zelf ook zo schrikkerig. Zoiets slaat over.’
Het ergst zijn roltrappen die meteen de diepten in glijden, die zijn levensgevaarlijk, vindt mevrouw Bulte. Dan maar liever met de trap. Ook het afstappen is een duik in het duister. Al die mensen achter je, die willen dat je springt. En hoe je ook in uiterste concentratie staat te wachten op het afstapje, op het laatste moment gaat het toch te snel, waardoor je altijd struikelt.
Maar vandaag lukt het wonderwel. Mevrouw Bulte gaat tot helemaal in de nok. ‘Nou, nou Stien, je lijkt Napoleon Bonaparte wel,’ denkt ze. Ze is in haar nopjes. Het uitzicht over de daken is hier zo mooi.
‘En toch is zo’n gelegenheid een merkwaardig iets,’ bepeinst ze. ‘Het is eigenlijk een huiskamer, waarin iedereen doet, of het heel normaal is daar zo samen te zitten. Maar dat is het helemaal niet. In zijn diepste wezen zijn we allemaal volkomen vreemd voor elkaar. Het is toch eigenlijk heel gek dat niemand op je af komt en wil weten wie je bent. Maar eigenlijk ben ik zelf het gekst, want ik betaal om in een huiskamer te kunnen zitten, waar niemand me kent.’
Ze bestelt een kopje koffie en haalt een schrift uit haar tas. Haar bril houdt ze met haar linkerhand vast, want hij mist een pootje. Met de andere hand neemt ze de pen ter hand en schrijft:
Ik zit hier hoog en droog. De mensen hebben het goed.
Het hoogste goed is nu ook aan de gewone mens voorbehouden.
Men drinkt hier keurig en fleurig
de dag is verrukkelijk.
Hier boven kijk je uit over de daken.
Of eronder die daken geluk of leed verborgen is, weet ik niet.
Bah, ik brabbel maar wat, denkt mevrouw Bulte. Maar dat geeft niet. Ik zit hier heerlijk. Het kopje koffie blijkt 2 euro 20 te kosten. ‘Ja, je betaalt eigenlijk voor de huiskamer, niet zo zeer voor de koffie,’ bedenkt mevrouw Bulte en neemt kleine slokjes. Ze wil het hier nog even uithouden. Het is ten slotte feest. Het is niet iedere dag dat ze de kracht opbrengt, zich in het wereldgebeuren te mengen. ‘Toch is het stilletjes,’ denkt mevrouw Bulte. ‘En dat terwijl er beneden een heus leger door de straat marcheert. Dat komt door de euro. Die heeft de mensen de dampen aangedaan. Het lieve leven is duur geworden. Nog even en de crisisjaren komen terug.’
Mevrouw Bulte huivert. Op de televisie heeft ze al voedselpakketten gezien. Mevrouw Bulte kijkt nog eens goed naar de mensen in de zaal. Nee, hun kleding is als immer het beste van het beste. Naast haar zit een echtpaar van haar eigen leeftijd. De vrouw heeft voor honderden euro’s kleren aan. En ook hij zit zwaar in de kloften.
Maar mevrouw Bulte maken ze niets wijs. Al zijn ze met goud behangen, ze ziet dat het maar gewone volksmensen zijn. ’Wat gek, dat zoiets toch altijd zichtbaar blijft,’ denkt mevrouw Bulte. ‘Iets verraadt het altijd. De wenkbrauwen te veel geplukt, iets in de stijl van doen, het is of een levenslang keurmerk op je gedrukt staat.’
En deze dame hier is een gehaaide. En daar moet mevrouw Bulte bewondering voor hebben.
‘Sommige vrouwen zijn zo,’ denkt ze. ‘Ze bespelen hun man als een muze. Wil ze een verbouwing? Nou, dan kòmt er een de verbouwing.’
‘Waarom heb ik dat talent toch nooit gehad?’ denkt mevrouw Bulte. ‘Ik heb dat onderdanige,
hé? Ik ben niet flink. En ik zou ook niet weten, wat ik dan zou willen. Ik heb weinig wensen. Geef mij maar een pennetje en een kopje koffie. Dat soort mensen haalt veel toestanden aan. En maar naar dat strand om bruin te worden. En weer een andere inbouwkeuken. Dat is nooit iets voor mij geweest. En daar pluk ik nu de lauwe vruchten van.’
Mevrouw Bulte staat ineens op en betaalt de koffie.
‘Kom op,’ zegt ze tegen zich zelf, ‘Je hebt je weer even gelaafd.’ Ze staat dromerig op. Stientje Bonaparte mag voor een keertje wel met de lift naar beneden.’
Mevrouw Schraaling-Bulte probeert het leuk te houden. Natuurlijk. Dat hoort ook zo. Kijk dat Stien dat niet doet moet zij weten. Die loopt stuurs door. Het is ook een flinke wandeling zomaar door winderig Amsterdam. Maar om nu zonder op of om te kijken van A naar B te lopen. Dat hoort toch niet. Hé, nee, dat móet je niet doen.
Mevrouw Schraal maakt halt. Het is geen uitzonderlijk mooi gebouw waar ze langs loopt, maar er zitten toch opvallende gootsteenrichels op. Nog van steen, denkt mevrouw Schraaling. Kijk, nu zit Stien met de gebakken peren. Die is alweer een halve kilometer verder. Maar dat mag een mens niet beïnvloeden. ‘Nee, hoor Jans,’ denkt mevrouw Schraaling bij zichzelf, ‘gewoon voet bij stuk houden.’ Want anders is een mens altijd maar helemaal aan een ander overgeleverd. Ze gaat de zaak eens goed bekijken. Wat een bakstenen. Wat een uitgeholde traptreden. Nou, dat wil wat zeggen, hoor. Het staat ook op de gevel. 1880. Ja, ja.
Hé, wat staat dat mens te zwaaien. Wat een poeha maakt haar zuster toch. Maar mevrouw Schraaling laat zich niet opjagen! Wacht maar even, Stien Bulte. Het is tenslotte een begrafenis waar ze naar toe gaan. Daar is mevrouw Schraaling heel nuchter in. Dood is dood. Natuurlijk, het gaat om Jan. Jan kennen ze al hun levenlang. Het is hun broer. Maar de laatste maanden lag hij toch in het ziekenhuis, toen heeft ze hem nauwelijks meer gezien. Ach, daar kon ze toch niks meer voor hem betekenen, maar naar zijn begrafenis gaat ze wel. Natuurlijk, dat hoort ook zo.
Maar Stien, he. Die is dan zo overdreven. Die gaat daar dan de gastvrouw uithangen, die gaat demonstratief koffie en cake uitdelen, want mevrouw Schraaling kent haar zuster door en door. Die denkt alleen maar aan Jantje, Wil en Claartje. O, ze vindt het allemaal zo erg, roept ze maar steeds. Nou, dat vindt mevrouw Schraaling ook, hoor. Maar wat kun je eraan doen? Wat zal hem die koffie nog kunnen schelen?
O, kijk eens aan, hier zijn de huizen nog historisch. O, o wat een pracht. Daar wil ze toch nog wel even langer naar kijken. Ze kent deze buurt niet goed. Het zijn buitenwijken en een mens heeft hier normaal niets te zoeken. Ze wist niet dat Amsterdam zo mooi was. Hoe die malle Stien daar toch terecht is gekomen. Soms kan een koe nog wel eens een haas vangen. Hoewel het paarlen voor de zwijnen zijn, want kijk toch eens hoe ze staat te stampen. Ze moet en ze zal op die bus naar Buitenveldert.
Goed, goed. Zij zal maar weer de wijste wel weer wezen en Stien inhalen. Mevrouw Schraaling zet er nu stevig de pas in. Haar mondhoeken staan zo sterk naar beneden, dat ze iets van een stripfiguur wegheeft, aan wie de tekenaar een overdreven minachtende gelaatsuitdrukking heeft willen geven.
‘Wat stond je daar nu naar die gevel te turen?’ vraagt Stien Bulte gepikeerd, als ze eindelijk dichterbij komt. ‘Daalt er soms goud van neder?’
Mevrouw Schraaling trekt haar mondhoeken zo mogelijk nog verder naar beneden en mompelt binnensmonds: ‘Geen enkele interesse heeft ze’.
‘Wat geen enkele interesse?’ zegt mevrouw Bulte die nog een zeer goed gehoor heeft. ‘Dit is toch het moment niet om sightseeing te plegen. We gaan Jan cremeren! Bovendien gaat er van dat gebouw geen enkele charme uit. Dat is een opslagloods uit 1880!’
Mevrouw Schraaling schrikt. Dat weet die doezelaar goed.
‘Nou zeg,’ blaast ze. ‘Alsof ze in 1880 geen architectuur hadden. Juist wel. Juist in die tijd. Dan zie je dat ze zelfs een pakhuis versierden.’
‘Kom nou maar. Hier steken we schuin over en dan stappen we op de bus.’
‘Is dat daar de halte?’ vraagt mevrouw Schraaling nu twijfelend. Er staat een heel klein bordje en 200 meter verderop is een echte stopplaats met overkapping. Zou Stien nou wel echt weten hoe ze moeten gaan?
‘Ja, ja. Kijk maar. Buitenveldert, Boelelaan.’
Ja, nu ziet Jans het ook. Maar er staan maar twee tussenstops op.
Ze denkt aan haar roze strippenkaart die bijna op is, zodat ze straks misschien wel zo’n duur kaartje moet kopen. Ze wil iets zeggen waarvan ze weet dat ze er veel weerstand op zal krijgen. Daarom wordt haar stem wat zachter, weifelend alsof ze daarmee de ontploffing die hoogstwaarschijnlijk zal volgen, alvast wat kan afzwakken.
‘Eh…we zouden natuurlijk ook kunnen gaan lopen….’
Mevrouw Bulte kijkt haar verwilderd aan.
‘Mens!’ barst ze los. ‘We hadden van mijn huis met de taxi kunnen gaan. Maar om je tegemoet te komen zijn we gaan krauten. Nu zijn we èindelijk bij de bushalte, wil je weer lopen. Je kunt je zuinigheid ook te ver drijven.’
‘Ja, dat is waar,’ zegt Jans Schraaling-Bulte onverwacht. ‘Je kunt het ook te ver doordrijven,’
‘Kijk,’ gaat mevrouw Bulte door ‘Ik zou die taxi wel betaald hebben. Maar jij wou lopen.’
‘Ik vind het altijd zo kinderachtig om voor ieder kippeneindje een taxi te bestellen. Dat staat zo lui. Dan ben ik ook moe. Maar daar verzet ik me tegen. Ik vind, dat een mens zich daar tegen moet verzetten. Dat je jezelf een beetje aan moet zetten tot lopen.’
‘Want dat is toch ook zo,’ denkt ze verbeten. ‘Stien laat zich al haar hele leven rijden. Dat getuigt van zwakheid en dat wil ze haar toch nog even laten voelen.
‘En…het zijn maar twee haltes…..,’ merkt ze nog even op met een zekere triomf in haar stem.
‘Welnee!,’ zegt Stien. Het is een loei-eind weg. De tussenstops staan er niet bij. Het is wel zo’n dertig kilometer.’‘Oh, oh, dat verandert de zaak,’ zegt mevrouw Schraaling binnensmonds.
De bus!! Daar komt hij het hoekje om. Buitenveldert. Het staat er met grote koeienletters op. ‘We zijn gered!’ roept mevrouw Bulte en begint te zwaaien als een schipbreukeling.
Oh. oh, wat doet ze weer idioot. Mevrouw Schraaling schaamt zich gewoon. Op het toneel was het nog te overdreven geweest.
Maar in de bus is Stien toch weer jofem. Liet ze Jans ook op haar kaart stempelen. Niet dat Jansje geen geld genoeg heeft, hoor. O nee, bij haar vergeleken is Stien een armoedzaaier. Maar zo’n duur kaartje in de bus, dat vindt ze gewoon zonde van de oplichterij. Dat hoort de Staat toch te betalen.
‘Wat ging je daarnet weer overdreven tekeer,’ zegt ze nog even. ‘We leken wel drenkelingen. Hoe je daar stond te zwaaien en te gillen. Zo’n buschauffeur ziet ons zo ook wel, hoor.’
Maar mevrouw Bulte is alweer in een andere stemming gekomen. Het is nu Jan dood is of de stad in een droomlandschap is omgetoverd. Een soort leven na de dood. Daar wil ze over mijmeren. Maar haar zuster is te onrustig. Ze grabbelt maar steeds in haar tas. Eindelijk heeft ze gevonden wat ze zoekt, want ze heeft nu een pakje tussen haar met kunstnagels beplakte vingers. Mevrouw Bulte huivert iedere keer als ze ze ziet.
‘Kijk eens, wat een schatje.’
Ze haalt een verzilverd fotolijstje uit het papier.
‘Mooi hè, voor vijf Euro. Ik vond het zo mooi. Ik dacht, nou, dat doen ik.’
Mevrouw Bulte staart verwezen naar het eenvoudige fotolijstje.
‘Voor een foto van Jan?’ vraagt ze.
‘Je kunt er in doen wat je wilt. Kijk, er passen zelfs twee foto’s in.’
Mevrouw Schraaling is er buitengewoon blij mee. Soms kom je zulke buitenkansjes tegen. Ze heeft er twee gekocht. Eén voor haar en één voor Stien.
Want wie spaart heeft wat. Zij kan zich af en toe een extraatje permitteren. Voor Stien ligt dat anders. Die verbrast haar geld. En dit zijn buitengewone fijne lijstjes. Je begrijpt eigenlijk niet hoe ze het er voor kunnen maken. Straks zal ze in de ontvangstruimte waar Jan ligt het nog even rond laten gaan bij alle aanwezigen. Wat je probeert er toch maar iets van te maken, van zo’n cerimoniëel. Dat hoort ook zo. Dat is je plicht. Je geeft tenslotte de laatste eer.
Het is opmerkelijk hoe het lot je van achteren besluipt als je fier en zelfverzekerd op pad gaat. Daarom is het zaak altijd enigszins een reserve van realisme te behouden, weet mevrouw Bulte.
Maar juist vandaag had het even geleken of de dag niet stuk kon. De hele entourage van deze lente dag was er ook debet aan geweest. Die heerlijke lucht waar in vast het parfum wel van inheemse zaden kon worden onderscheiden, het zonnetje dat je nog eens extra over je wangetjes strijkt, geen vuiltje aan de lucht. Mevrouw Bulte is dan ook nietsvermoedend in de val gelopen. Zo goed gemutst was ze, dat ze gevaar dat ze normaal van verre signaleert, nu te kordaat tegemoet ging.
‘Hallo,’ had ze een dame gegroet, die ze nog van de bejaardensoos kent. Het was een weerbarstige vrouw, die ondanks haar hoge leeftijd haar lange haar koppig pikzwart bleef verven, maar daar door haar buitenlandse achtergrond er minder hinder van ondervond. Mevrouw Bulte kende haar vaag en had haar al tijden niet gesproken. Ze had dan ook gedacht dat het wel bij een olijke groet zou blijven, want de dame sprak door haar kleine woordenschat nooit diepgaand, maar keek meestal wat spottend en wantrouwig rond. Mevrouw Bulte had begrepen dat ze veel medicijnen slikte tegen haar ongunstig levenslot dat haar zo ontheemde. Toch kon ze zich niet aan de indruk ontrekken dat de medicatie weinig hielp, zo nors en bozig keek ze. Het was alsof het wantrouwen permanent in haar gelaatsgroeven gegroeid was.
Ach, gewoon blijven groeten, had mevrouw Bulte gedacht. Dan smelt zelfs de bikkelste ijspilaar. Maar de vrouw liet het niet bij een groet en vroeg of mevrouw Bulte een mobiele telefoon bij zich had. En laat mevrouw Bulte nu net zo’n ding bij zich hebben. Eigenlijk was het de eerste dag dat zij hem met zich droeg. Gerard had allemaal voor haar geregeld en nu brandde hij in haar tasje. Het was nog een heel lang oefenen geweest voor ze hem aan en uit kon zetten. Maar volgens Gerard was het mobiel nu eenmaal onontbeerlijk voor de moderne bejaarde. Ach, mevrouw Bulte wil zo’n man dan niet meteen tegenspreken. Zo kon hij haar eens bellen.
Jawel, sprak mevrouw Bulte dan ook verheugd en zocht het apparaat op de bodem van haar tas. Hier, zei ze ruimhartig. Nu zou de vrouw (mevrouw Bulte kende haar naam niet) de eerste zijn die er gebruik van zou maken. Het gaf mevrouw Bulte een fijn gevoel. Natuurlijk. Zo’n telefonade naar telefonade kost niet veel en zo is een mens snel weer gesteld. Het is ook niets als je maar in diepe ontwetenheid staat te wachten op je vrijer.
Want begreep mevrouw Bulte wel ze had de dame wel vaker zien staan wachten voor de Hema, uren en urenlang, tot ze met een lange man vertrok. Wat mevrouw Bulte niet begreep waarom ze niet binnen wachtte, met een kopje koffie. De grote ramen gaven toch goed zicht op de menigte.
De dame belde en belde. Nu werd het gesprek wel erg lang. Mevrouw Bulte wiebelde op haar korte beentjes. Dit was de consequentie van ondoordacht gedrag, gaf zij zichzelf een standje, De dame kende duidelijk de grenzen van een geleende telefoon niet en zolang zij de telefoon had, was mevrouw Bulte als het ware aangelijnd als een hondje. Dat ging mevrouw Bulte te ver en ze gebaarde dat ze even een broodje ging kopen. Dat zou ze dadelijk lekker oppeuzelen in de bibliotheek.
Maar zelfs na het lange wachten bij de kassa was de dame nog niet klaar met het gesprek. Mevrouw Bulte gebaarde haar een einde aan het gesprek te maken maar de vrouw liep al pratend de Hema in en begon daar steeds harder te praten in het mobieltje. Het was goed Nederlands volgens mevrouw Bulte, want de vrouw riep maar, Jullie zijn bedriegers! Waarom liegen jullie! hetgeen zij ettelijke keren herhaalde. Het werd een hele tirade. Harder steeds harder schreeuwde de vrouw terwijl ze al het lelijks ter aarde wenste in de nieuwe telefoon van mevrouw Bulte. Mevrouw Bulte kreeg een visioen van Gerard, die de telefoonkosten nauwlettend in de gaten hield. Al meer dan twintig minuten hield de vrouw de telefoon nu ferm vast terwijl ze niets anders dan Leugenaars! Leugenaars! riep.
Vertwijfeld trok mevrouw Bulte aan de mouw van de vrouw. Maar de vrouw rukte zich los en ging door met haar repeterende conversatie. Gerard verrees steeds groter en groter voor het geestesoog van mevrouw Bulte en hij zwaaide woedend. Je hele tegoed gaat op, idioot en hoe moet je dat nu weer aanvullen? Nee, dat mocht niet gebeuren! Ze trok nogmaals aan de jas van de vrouw en riep: ‘Stoppen nou, stoppen!’ Maar de vrouw schreeuwde met haar lelijke gezicht maar door terwijl ze vreemde woorden tegen de telefoon spuugde.
O hemel, het hele mooie van haar nieuwe telefoon was voorgoed weg. Mevrouw Bulte begon te stampvoeten als een klein kind. Nu wil ik hem terug! riep ze maar steeds. Ze jammerde zachtjes.
Eindelijk begreep de vrouw dat ze moest stoppen en nog in de ban was van het gesprek gaf ze mevrouw Bulte in trance haar mobieltje terug. Mevrouw Bulte griste hem uit haar handen en zei dat ze erge haast had en ze zette hem op een lopen.
He, wacht even.. Ik moet nog.' schreeuwde de vrouw achter haar.
Nee, het is genoeg zo, zei mevrouw Bulte en ze liep zo hard ze kon de zaak uit.
Maar de zwartharige vrouw kwam woest hinkend achter haar en schreeuwde:
Wacht nu even…ze moeten nog terugbellen! Ik moet terugbellen!
Nee! Mevrouw Bulte raakte in paniek. De vrouw had zoiets kwaadaardigs.Nu voelde ze in alle hevigheid de latente angst die de dame steeds in haar opwekte. Dat ze dat vandaag zomaar genegeerd had! Ze vloog een lange overdekte winkelpassage in. Ottelenooie, wat moest ze ver lopen voor ze zich ergens kon verstoppen! Ze keek angstig achterom terwijl ze voortvluchtte, Ja hoor, de oranje jas van de zwartharige dame kwam haar in het vizier. O God. Waarom blééf ze haar achtervolgen? Mevrouw Bulte ging zomaar een zijpad in. Niet te geloven, ze was opnieuw in de Hema terecht gekomen. Alles draaide voor haar ogen. Ze had een olympisch rondje gelopen. O hemeltjelief, laat de vrouw me niet gezien hebben, bad ze. Ze kon haar na deze rare vlucht niet meer onder ogen komen. Ze zwalkte nu volkomen buiten adem naar buiten waar gelukkig geen spoor van haar achtervolger te zien was. Snel nam mevrouw Bulte een sluiproute naar de bibliotheek. Nog steeds probeerde zij er vaart in te zetten. Wat ren je mens! riep een man haar achterna.
‘Ik ben volledig gek geworden,’ dacht mevrouw Bulte. Maar ze bleef zo hard mogelijk doorlopen. Af en toe leunde ze tegen een pilaar om op adem te komen. In de bibliotheek bedaarde ze emotioneel aanzienlijk. Het broodje vond ze platgedrukt terug in haar vuistje. He he. Nu maar een lekker kopje koffie. Wat een wilde achtervolging op haar oude dag.
Als Gerard er niet was geweest had ze haar het mobieltje laten houden. Mevrouw Bulte voelt zich dan ook geen overwinner nu ze haar belager van zich afgeschud heeft. Het ergste moet immers nog komen. Ze zal de dame in de oranje jas ongetwijfeld weer tegenkomen maar daar verzint mevrouw Bulte dan wel een smoesje voor. Want smoesjes verzinnen, dat kan mevrouw Bulte als de beste.
1`
‘Ik heb gewoon schriebes,’ denkt mevrouw Bulte. Soms heeft een mens dat, dat hij echt honger heeft. En thuis zal ze de hond in de pot vinden. Bovendien begint het alleen zijn de laatste tijd zo zwaar te wegen. Daar steekt mevrouw Bulte altijd onmiddellijk een stokje voor. Een stokje tegen zwaarwichtigheid noemt ze het. Gek woord trouwens, bedenkt ze zich, het zou eigenlijk een positieve betekenis moeten hebben. Zwaartekracht in een persoon is ten slotte letterlijk en figuurlijk uiterst gewenst. Anders zou een mens maar gaan zweven. Misschien is ‘zwaarmoedigheid’ meer het woord voor haar situatie. Dat het leven zo zwaar drukt, dat de levensmoed eruit gaat. Zoiets.
Nee, mevrouw Bulte moet stante pede op zoek naar uitkomst: een praatje in het park,
naar Flesseman, naar de Goodwillburgh. Dat valt nog niet altijd mee, hoor. Mensen vinden. Je wordt altijd maar geacht je met de dingen geheel zelfstandig te kunnen vermaken. Naar de bioscoop, naar het museum, of de bibliotheek. Allemaal volksvermaak, ja, maar je hoort er je eigen stemgeluid niet bij. Het blijft doodstil om je heen. Het gemoed wordt niet gelucht. Zwaarmoedigheid. Bijzonder hoe de taal dat zo uitdrukken kan.
Terwijl het rondtolt in haar hoofd ziet ze ineens Wilma en Jacob bij de Blauwe Druif zitten.
‘Stien, Stien!’ roepen ze.
Zo, wat zitten die gebruind met goud te blinken op het terras. Verheugd stapt mevrouw Bulte er op af. De laatste keer dat ze hen zag is zolang geleden, dat zich van binnen geen enkel obstakel vormt.
‘Nou ja, hoe is het met jullie?’
‘Ja goed. Wij maken het best. Kom er effe bijzitten. Dat is lang geleden!’
Al gauw weet mevrouw Bulte dat het paar de laatste jaren overwintert in Benidorm. Daar heeft mevrouw Bulte weleens van gehoord. Dat ligt in Spanje, weet ze, maar toch krijgt ze bij de naam Benidorm altijd associaties van een soort Open dorp met brede stoepranden. Een soort pretpark voor bejaarden, een dorp waar het altijd mooi weer is.
‘Fantastisch Stien,’ roemt Wilma ‘Er is elke avond Sangria en Karaoke.’
Mevrouw Bulte begrijpt niet goed waar ze het over heeft maar knikt ter aanmoediging.
‘O en we dansen,’ zegt Jacob ‘en we gaan vaak uit eten.’
‘Zo, zo,’ zegt mevrouw Bulte met een maag die bijna flauwvalt.
‘En straks gaan we naar IJmuiden, daar hebben we een zeeappartement.’ Wilma lacht.
‘We hebben net boodschappen gedaan, Stien. Zoveel eten. Dat geloof je niet! Jacob haalt altijd voor een weeshuis in huis, en wij zijn maar met zijn tweetjes!’
Mevrouw Bulte proeft zomaar opeens een verkoelende zoete tros druiven in haar mond.
‘IJmuiden, dat is wel ver weg,’ zegt ze zachtjes.
‘Welnee, we zijn met de auto. Wat dacht jij dan? Daar zijn we zo hoor. In een half uurtje.’
‘Zeg, waarom ga je niet mee? Je ken ook bij ons logeren, tenslotte.‘
‘O, nee,’ zegt mevrouw Bulte.’
‘Jawel, je komt mee,’ dringt Jacob aan. ‘We hebben mosselen en verse zoute haring.’
Het begint mevrouw Bulte te duizelen. Iets verrukkelijkers bestaat er niet op de aardbol.
‘En we hebben krielaardappeltjes met gesmolten boter.’
‘Zo, zo. Ben jij dan zo’n kok, Wilma?’
‘Nee, joh, ikke niet. Jacob! Die kookt! lekker, mens! Hè, ga nou mee. We hebben zoveel eten, Dat krijgen we alleen allemaal nooit op.’
Mevrouw Bulte gaat overstag. De gedachte aan al dat lekkere eten prevaleert boven haar
natuurlijke voorzichtigheid.
Ze moet wel lang wachten, maar dat houdt ze wel uit. Ze denkt dat over een uurtje haar wel
iets aangeboden zal worden.
Onderweg vertelt Wilma honderduit. Ze heeft iets jeugdigs gehouden, vindt mevrouw Bulte.
Dat enthousiasme over dat strandpaleis aan zee. De nieuwe snorfietsen die ze gekocht hebben. Mevrouw Bulte moet erkennen dat ze levenslust hebben. Wilma praat maar door. Nou, nou, nou. Het ziet ernaar uit dat deze twee mensen een lotje uit de loterij getrokken hebben. Het is allemaal even fantastisch.
Aangekomen schrikt mevrouw Bulte zich een hoedje. De woning blijkt maar een hele gewone doorzonflat te zijn. Het is er nogal kaal ook. En toch ontbreekt er niets. Het is net een compleet poppenhuis. Er hangt vitrage en er staat zo’n televisiemeubel. En er hangt een lamp aan het plafond, maar het is er toch vreemd. ‘Het is alsof ze in een showroom wonen,’ denkt mevrouw Bulte.
Er staat een groot plastic beige bankstel, dat wel zeven mensen kan herbergen. Wilma is er aandoenlijk trots op. ‘Ze doet of ze net de bruid geworden is en dit hun eerste optrekje is,’ denkt mevrouw Bulte.
Over eten wordt niet meer gesproken. Ook ziet mevrouw Bulte niemand aanstalten maken om iets te bereiden. In plaats daarvan wordt de keuken hartstochtelijk aangeprezen.
Maar mevrouw Bulte ziet niets anders dan een heel eenvoudige witte keuken. ‘Een speelgoedkeuken,’ denkt mevrouw Bulte. ‘Helemaal geen plek om uitgebreid te kokkerellen.’
Maar mevrouw Bulte toont zich enthousiast en roemt de rijkdom van het paar. Het valt niet mee, want er valt weinig opvallends te bezien. Ondertussen wordt het gat in haar maag alsmaar groter. Ze moet er bijna van boeren. Gelukkig krijgt ze na lang wachten een kopje thee. Als Wilma en Jacob zich even verwijderen om die beroemde boodschappen op te bergen, steelt ze gauw een handjevol koekjes. Ze stopt ze gauw in haar zak. ‘Ik steel niet graag,’ denkt ze 'maar dit is nood.’ Net op tijd, want het paar keert al weer druk pratend terug.
Wilma sluit beslist de koekjestrommel en zet hem in het televisiemeubel. Mevrouw Bulte
betast de koekjes in haar jaszak. Wat een tegenwoordigheid van geest heeft ze nog. Mevrouw Bulte complimenteert zichzelf. Ottelenooie. Waar blijft al dat eten nou? Krakend van de biscuitjes staat ze op en laat zich het toilet wijzen. Daar eet ze haastig de kaakjes op en drinkt uit een piepklein kraantje kleine slokjes water. Ziezo. Ze is toch weer even gesteld.
Het is allemaal haar eigen schuld, vindt ze. Want wat is de eerste regel des levens? Juist ja. Nooit met een lege maag ergens naar toe!
‘Nou ja’, troost ze zich zelf, ‘nu zullen ze wel zo gaan eten.' Dan neemt het wachten een einde. Het is natuurlijk kant-en-klaar voedsel, dat slechts even opgediend moet worden. Het is al negen uur s’avonds. Is dat geen mooie tijd om een kleinigheid te nuttigen?’
Maar dat dat er voor vandaag niet meer in zit, merkt mevrouw Bulte als de gastheer opeens aankondigt, dat mevrouw Bulte zich terug mag trekken in de trots van hun huis; de gastkamer. Het is een treurige kamer, waar de zon waarschijnlijk nooit binnendringt. Maar het is goed. Hij past precies bij het gemoed van mevrouw Bulte. Er staat niets meer in dan een opklapbedje (ja, kèurig hoor) en een soort gymnastiekapparaat.
Mevrouw Bulte strekt zich op het piepende geval uit. Morgen het ontbijt. Uren ligt ze wakker. Waarom is ze toch met die gekken meegegaan? Veel geblaat, weinig wol.
Maar ‘s morgens is het toch wel aangenaam in die lege, gelijkvloerse flat. Het licht is hier toch anders, bedenkt mevrouw Bulte als ze naar buiten kijkt. Moderner. Dat donkere, historische van de Amsterdamse lucht hebben ze hier niet. Daarvoor in de plaats hebben ze hier zo’n opgewekte zestigerjaren hemel.
Ze stommelt naar de keuken. Nou, Wilma was al op, hoor. En Jacob ook. Allebei in een indentieke badjas. En zie, er werd daadwerkelijk wat gerommeld in de keuken.
Verheugd zet mevrouw Bulte zich met al haar hoop, geloof en liefde aan het formicatafeltje en doet zo opgewekt mogelijk. Ook het paar heeft niets aan geestdrift ingeboet. Triomfantelijk zet Jacob èèn ei voor haar neus. Keurig in een daarvoor bestemd eierdopje. Mevrouw Bulte herinnert zich niet zoiets ooit bezeten te hebben.
‘Ja, we eten maar èèn eitje, hé,’ zegt Wilma. ‘Anders bederven we onze eetlust maar, want vanmiddag komt er zo'n uitgebreid maal.’
‘Als je het in een boek leest, geloof je het niet,’ denkt mevrouw Bulte. Ze zou het liefst naar huis willen. Maar ze moet nog wachten. Op de grote Bouffe.
Mevrouw Bulte komt bij de Slegte een zeer imponerende man tegen. Ze botst zomaar
tegen hem aan op de bovenverdieping. Daar komt ze praktisch nooit, want de trap die er heen voert, is zo eng, dat de lust hem te bestijgen haar ontbreekt. Vandaag wordt ze echter als het ware naar boven gestuwd door een groep jongeren die naar boven holt. Alsof ze onzichtbaar is, rennen ze gewoon door, zonder haar op zij te laten gaan. Ottelenooie, wat zijn ze ruw! Ze houdt zich maar goed aan de leuning vast en ze beklimt zo snel mogelijk de treden naar boven. Die kerels zijn natuurlijk veel sneller dan zij. Teruggaan, tegen de draad in, is nu onmogelijk. En zo belandt ze uiteindelijk boven.
Maar wat een paradijs! Hier staan pas echte boeken. Technologie en letterkunde. Niet die opgeblazen drukwerkjes die om de brij heen draaien. Hier gaat het om de kern! Dat doen ze natuurlijk expres, die boeken hoog en droog op een ontoegankelijke etage houden.
Heeft ze wonder boven wonder haar schenen vrij kunnen houden van stampende laarzen op die trap, botst ze twee minuten later heel ongelukkig in een stil hoekje tegen die man op.
‘Pardon, meneer!’ zegt mevrouw Bulte deftig. Ze is er zich van bewust dat haar kunstgebit akelig gelig is en houdt het bij een glimlach. Ze is ook zo onder de indruk van al die borden hier: rechtsgeleerdheid, filosofie en psychologie. Tjonge, jonge, dat je hier zomaar mag komen. Ze snuift de geur van de wetenschap op. Kennis vermengt met linoleum en houtsplinters. Maar wat is het verrukkelijk!
De man is één en al heer en neemt de schuld voor het op elkaar botsen volledig op zich.
‘Mooie boeken wel hier, hé, meneer?,’ zegt ze verlegen.
‘Er zitten best aardige bij,’ geeft hij vriendelijk toe.
O, juist zijn zo eenvoudige snit jas, in een wol van de hoogste klasse, verraadt zijn rijkdom.
Ook zijn spierwitte haar en ongebreidelde wenkbrauwen, versterken de indruk dat deze man uit de hoogste wereldrangen komt. Je kunt het aan iemand zien, bepeinst mevrouw Bulte hoe het hem vergaan is in het leven. Deze man heeft nooit materiële zorgen gekend.
Ze kan hem niet loslaten. Even vasthouden nog. Alles wat ze ooit verlangd heeft, heeft deze heer gratis en voor niets met de paplepel meegekregen.
‘Hoe is dat boekje daar, dat u in uw handen heeft?’ houdt ze .het gesprek op gang.
‘Ach, oude dingen, opnieuw gezegd. Wijsbegeerte, dan weet u het wel.’
Mevrouw Bulte weet helemaal niets.
‘Ach ja,’ zegt ze verlegen ‘Wie begeert het nu niet wijs te zijn?’ De man lacht onverwacht.
Wat een goed onderhouden gebit. Nog zijn eigen tanden, schat mevrouw Bulte.
Nu moet ze hem laten gaan. Anders wordt het te gek. Ze knikt ter begroeting en begint langs de rekken met boeken te schuifelen, maar er dringt niets meer tot haar door. Hoe oud zou zo’n man nu zijn’, vraagt ze zich af. Dik in de zeventig denkt ze. Toch schat ze hem geen man alleen. Hij zal wel ergens in Zuid wonend. Al jaren. Een professor in de wijsbegeerte.
Jammer, dat ze oud is.Zoiets had ze nu in haar leven tegen het lijf moeten lopen. Dan was veel anders gelopen.
Hoewel? De vrouw zijn van zo’n man behelst veel. Je moet mensen kunnen onderhouden op
feestjes en net zo welbespraakt zijn als hij. En dan zou ze natuurlijk een intellectuele vriendinnenschaar gehad hebben, allemaal gegoed publiek. Ze ziet ze gewoon voor zich. Maar op de een of andere manier staan de gedachten aan deze wijven met hun Okidokiclub
haar helemaal niet aan. Want dat soort rijken is juist zo benepen. O, leer mevrouw Bulte
het leven kennen! Dat gaat kamperen in de natuur en ze eten hutspot met rookworst. Even een
patatje voor de kinderen halen komt niet in ze op. Die moeten altijd hun kamer opruimen, wat zegt ze: de garage en krijgen pas zakgeld als ze aan bepaalde voorwaarden voldoen. Mevrouw Bulte weet niet waarom, maar ze gruwt van dat soort mensen.
‘Misschien omdat ze wel geld hebben, maar net doen of ze arbeiders zijn,’ denkt ze.
En ondertussen maar borrelen en reisjes maken, een tuinman hebben en kindermeisjes. Van die rare prioriteiten hebben ze. Je kunt er geen logica in ontdekken.
Mevrouw Bulte leest nog steeds geen titel, maar nu omdat ze verontwaardigd is. Niet dat ze de professor vergeten is. Daar gaat hij in zijn geschoren jas. Nou, ze mogen hem hebben. Voor geen goud zou ze met zijn vrouw willen ruilen.
Ze heeft het toch goed, zo? Ja, ze had wat meer verstandelijke vermogens willen hebben.
Dan had ze de wetenschappen kunnen doorgronden, maar zij mag toch ook rondlopen hier.
Wat is nu eigenlijk het verschil? Ze ademt, eet en loopt en dat is toch precies hetzelfde als wat hij doet? Mevrouw Bulte wordt weer vief. Maar die wetenschappelijke boeken torenen zo hoog boven haar uit en drukken met hun uitstraling zo sterk op haar hoofd dat ze er hoofdpijn van krijgt. Ze neemt gauw de trap naar beneden. Pootje voor pootje gaat het wel.
Zo, een wat luchtiger afdeling. Hier zijn kleine tafeltjes met aanbiedingen ingericht. Haar oog valt op een kleurig werkje: ‘Filosoferend Naar De Balans.’ Het is voor een habbekrats te koop. Mevrouw Bulte bladert het luchtigjes door, en ach, het lijkt haar wel wat. Allemaal tips voor een gestrande zoals zij. Denk vandaag geheel aan uzelf, leest ze. ‘Nou nou,’ denkt mevrouw Bulte.‘Het is niet erg christelijk, maar dat ben ik ook niet. En er staan toch leuke dingen in.’ Bloemen schikken, rommelmarkten, museumbezoek. Ja, waarom niet? Een opkikkertje.
Toch wacht ze tot de professor de zaak verlaten heeft voor ze zich naar de kassa begeeft. Het is tenslotte niet bepaald Aristoteles wat ze gaat afrekenen.
Iuvenes In Pace
Hé, de telefoon. Die heeft lang niet gerinkeld. Wie zou dat nu zijn. Mevrouw Bulte schuift moeizaam de papieren die op de bank liggen opzij en gooit daarbij de hoorn kletterend op de grond.
.Ja.’ zegt ze, terwijl ze hem bukkend aan zijn sliert oppakt. ‘Wie is daar?’
‘U spreekt met de firma Bech namens Iuvenes In Pace. Wij zijn opzoek naar ene meneer of mevrouw Bulte.’
‘Eh…, ja dat ben ìk!.’
‘Wij bellen u om u gratis te informeren over alle mogelijkheden voor uw uitvaart.’
‘Uitvaart?’ mevrouw Bulte begrijpt slechts na een paar seconden wat de man daarmee bedoeld en prijst haar grote woordenschat.
‘O, maar ik ben nog lang niet dood, hoor!’ zegt ze dan ook fier.
‘Nee, mevrouw en dat hopen we ook niet, maar bent u verzekerd voor de begrafenis? Veel mensen van uw leeftijd blijken onderverzekerd te zijn, wat nare verrassingen met zich mee kan brengen.’
‘Nou ik ben niet onderverzekerd, hoor!’
‘Bij welke maatschappij bent u verzekerd, als ik vragen mag?’
‘Eh, bij niemand,’ zegt mevrouw Bulte.
‘U bent niet verzekerd? Ik meende te begrijpen dat u niet onderverzekerd bent.’
‘Als je niet verzekerd bent, ben je toch ook niet onderverzekerd, mijnheer.’
‘Nee, dat is waar,’ grinnikt de man.
‘Mag ik u vragen naar uw leeftijd mevrouw…eh’
‘Bulte’
‘Bulte, ja hier zie ik het weer staan. Mag ik u vragen naar uw leeftijd mevrouw Bulte?’
‘Drie-en-zeventig.’ Ze spreekt zo groots en trots uit dat er wat speeksel op de hoorn spettert.
‘Vindt u het belangrijk dat de uitvaart geheel volgens uw wensen verloopt en dat wij de zorg daarvoor op ons nemen?’
‘Och,’ zegt mevrouw Bulte. ‘Ik vind een hoop dingen aan die nieuwe uitvaarten tegenwoordig lariekoek. Beschildere kisten en zo.’
‘Juist mevrouw, dat bedoel ik nou! Bij Iuvenes In Pace kunt u al dat soort dingen precies aangeven. Wij zij de enige maatschappij waarbij u zelf uw wensen geheel kunt samenstellen.’
‘Zo, zo.’
‘U begrijpt dat het voor uw nabestaanden buitengewoon prettig is niet met hoge kosten te worden geconfronteerd in zulk een droevig moment.’
‘Josefien!’ denkt mevrouw Bulte en ze voelt haar hart letterlijk steken.
‘En hoeveel kost dat als ik vragen mag?’
“Mevrouw, uitgaande van uw wensen die u zojuist aangegeven heeft…’
‘Heb ik iets gezegd?’ denkt mevrouw Bulte..
‘….en uw leeftijd in aanmerking genomen, komen we op een maandelijkse premie van Euro 37,50.’ Dat is laag mevrouw. Vindt u bij geen enkele andere maatschappij. Dan is het netjes geregeld en wij doen het allemaal voor u.’
‘Ja, maar de reden dat ik nog geen verzekering heb, is dat je er zulke vreemde verhalen over hoort, meneer,’ komt mevrouw Bulte los. ’Een buurman van mij had ineens met een groot bedrag de hele begrafenis verzekerd, maar toen hij dood ging, moesten ze toch nog 1000 euro hebben van zijn zoon. Nou, daar heb je toch ook niets aan.’
‘Mevrouw, wij benaderen u elke vijf jaar of er veranderingen zouden kunnen zijn ontstaan in de hoogte van de premie. Daar hoeft u verder niets voor te doen of na te denken. Dat doen wij! Mevrouw, alleen wij van Iuvenes In Pace hebben zo een aanbod in het pakket.’
‘Ach meneer, ik vind u bijzonder geschikt om een bloeiend bedrijf op te zetten, maar ik weet het niet. Wat als ik per ongeluk negentig wordt en het vuur over twintig jaar verschrikkelijk duur is geworden ? Moeten we dan bijbetalen?’
“In verband met de hoge gasprijzen, bedoelt u zeker!’ De man moet nu toch even hartelijk lachen maar hij herstelt zich.
‘U wenst, als ik het goed begrijp, gecremeerd te worden. Mag ik vragen waarom?’
‘Ach meneer,’ zegt mevrouw Bulte, ‘Ik ben zó verschrikkelijk lelijk. En die botten blijven dan maar weer in zo’n graf liggen.’ Ze moet er zelf om lachen.
De meneer ook.
‘Nou,’ zegt de meneer ‘Zo te horen bent u een heel mooi mens. En schoonheid zit van binnen.’
‘Welnee!’ spuuwt mevrouw Bulte vanuit het diepst van haar hart.
Ze wordt zo langzamerhand wel moe van de man. Hoe komt ze hier weer vanaf?
‘Dus wat zegt u, mevrouw Bulte. Zullen we het meteen maar even in orde maken?’
‘Nou meneer,’ zegt ze ferm. ‘Heel hartelijk dank voor uw telefonade. Maar ik moet het eerst allemaal met meneer pastoor overleggen.’
‘Maar mevrouw Bulte, laten we het nu even in orde maken. Dan gaat de verzekering per 1 mei in. Dan is alles netjes geregeld en dat is toch prachtig mevrouw Bulte.’
‘Ja, maar ik ga het toch liever even overleggen.’
Ik begrijp niet waarom u met uw pastoor wilt overleggen. Als u een uitvaart wilt in de kerk kunnen wij dat allemaal regelen.’
Mevrouw Bulte krijgt het er warm van.
“Meneer ik ben oude, alleenstaande vrouw. Ik moet overleggen anders krijg ik zulke problemen bij het biechten, daar heeft u geen idee van.’
‘Maar mevrouw Bulte, laten we het nu even in orde maken. Dan gaat de verzekering per 1 mei in. Dan is alles netjes geregeld dat is toch prachtig mevrouw Bulte. U hoeft alleen maar uw bankrekeningnummer te geven en wij maken het allemaal in orde.’
‘Meneer, zegt mevrouw Bulte met alle fermheid die ze in zich heeft. Ik geef u geen bankrekeningnummer. Dat moet je nooit doen. Daar wordt zo tegen gewaarschuwd.’
“Daarom ben ik er, mevrouw Bulte. Om u geheel te adviseren, zodat u per 1 mei alles mooi rond heeft.
‘Ja, u wil het mooi rond hebben.’ zegt mevrouw Bulte kriegel. ‘Maar ik wil nog wat andere belangstellenden horen.’
‘Maar mevrouw Bulte, zo’n aanbod vindt u nooit weer!’
‘Ik moet nu dringend weg,’ zegt mevrouw Bulte. ‘Vindt u het goed, als ik u nog eens terug bel?
Ik moet helaas oppassen op de kerk.’
‘Maar Mevrouw Bulte..ik ben nu al twintig minuten met u bezig en nog snapt u het niet.’
Even krijgt mevrouw Bulte spijt. Heeft ze het de aardige man zo lastig gemaakt?
‘Vergeef mij. Ik ben nu eenmaal ook nog eens heel dom, meneer! Laten we hopen dat ik niet in afzienbare tijd dood ga, want ik heb meer tijd dan de gemiddelde mens nodig om over de dingen na te denken.’
‘Daar wil ik u graag bij helpen, mevrouw Bulte.’
Het is of er een hoogspanningskabel om haar hoofd ligt. Mevrouw Bulte moet gauw een uitweg vinden. ‘Vuur moet je doven met een deksel.’ denkt ze en werpt de hoorn van zich af richting toestel.
Hè, hè, wat een stilte. Nooit heeft de stilte zoeter gesmaakt.
'Wat ben ik toch een stakker,' denkt mevrouw Bulte. Ze drukt al tien minuten op de knoppen van haar elektrisch wekkertje. Maar ze weet opeens niet meer hoe ze hem in moet stellen.
'Hoe is het mogelijk, dat een mens met zo weinig kunde en geest behept kan zijn?' vraagt mevrouw Bulte zich af. 'Dat zal in onze maatschappij maar weinig voorkomen.' In ieder ander tijdperk zou ze allang van de aardbodem weggevaagd zijn. Maar ja, die Drees, he? Die houdt de bejaarde mens maar steeds in stand.
'Toch is het ook niet mis, wat ik doe,' denkt ze. ‘Náást het leven staan in plaats van het te leven.’
En maar die genieën voorbij zien komen op teevee. Ze kwekken maar en ze kwaken maar, zonder honger en verdriet. En mevrouw Bulte is de eeuwige, stille getuige.
'Als ik in alleen maar een paar mooie trekken in het gelaat had gehad. Alleen maar dat.' Verstand had niet eens gehoeven. Maar nee, hoor. Geen grammetje aantrekkingskracht. Ze is al drieënzeventig jaar, mevrouw Bulte. Al drieënzeventig jaar net zo mooi als haar naam.
Mevrouw Bulte gaat met een tragisch gezicht voor de spiegel staan.
'Ik ben als een steen die nog veel afslijting behoeft,' zegt ze hardop. 'Water, water, maak mij glad.'
Maar daar doet het water tergend lang over. Want voor God speelt tijd geen rol. Die legt mevrouw Bulte rustig levenslang in een ijskoude rivier. Een bult min of minder zal Hem niet deren.
Maar is hier geen vergissing gemaakt?
Want dit steentje hier heeft gevoel, snuift mevrouw Bulte. Normaal gesproken denkt een steen niet. Een insect ook niet. Maar mevrouw Bulte doet dat helaas wel. Met dat kleine beetje hersens dat ze heeft, maalt ze de hele dag. En dàt is uiteindelijk de makke, bedenkt ze.
De televisie staat op een kanaal dat alle oude televisieprogramma's van vroeger herhaalt. Het is wonderbaarlijk. De doden bewegen zich springlevend op het scherm. Ze lachen en zitten daar net zo mooi als vroeger te wezen. Het maakt ze zelfs interessanter dan toen. Ze doen een beetje weemoedig, alsof ze wisten dat mevrouw Bulte er op een dag sprakeloos naar kijken zou.
Dat staat haar dus ook te wachten. Dat wegfloepen in het niets. Ze zeggen dat de dood de enige zekerheid in het leven is.
Nou, dat zal dan wel. Mevrouw Bulte weet het nog zo net niet. Het schijnt haar toe dat ze voor eeuwig op aard aan de kantlijn moet blijven staan.
Hoogbejaard is ze al en ze mankeert nog niets levendbedreigends. Tja, dat is dan toch weer een zegen, bedenkt ze. Maar ze merkt ook, dat ze het niet van harte denkt. Ze wordt een beetje kregelig van zichzelf. Wat is ze weer lijzig. 'Er zijn er die zonder armen en benen door roeien en ruiten gaan. Stien Bulte!' bijt ze zichzelf in gedachten toe.
'Het is je karakter. Dat is zo lauw. Oh, oh, wat is het lauw! Al heb je zó'n aardappelhoofd. Daar zit het hem niet in. Dante had toch ook geen toegang tot de hemel met die neus. Maar hij ging!'
Mevrouw Bulte moppert op zichzelf. Een levenslange muurbloem! Wat zegt ze? Een krabbeltje mos. Straks zit ze met een honderdjarig jubileum!
Ze zucht ervan. 'Wat overdrijf je weer!' gaat ze in het verweer. En waarom deel jij jezelf in bij de lagere soorten? Zo dom ben jij niet Stientje! Je voelt! Jij hebt voelsprieten. Je weet zoveel zonder te weten!'
Mevrouw Bulte zijgt neer in haar stoel. Ze heeft zichzelf al zo vaak de les gelezen. Het heeft nooit iets geholpen.
Bovendien zou iedereen, met dezelfde onoverkomelijke hobbels als zij in haar leven heeft gehad , toch allang van de brug gesprongen zijn.
Dat weet God ook. Daarom vergeeft Hij! En een vis die het koud heeft springt ook niet meteen aan de kant als een krokodil. Die evolutie gaat niet zo snel. En dat is wel, wat ze van zichzelf verwacht.
Mevrouw Bulte laat haar blik verstoord over de rommel glijden. Niets om over in paniek te raken.
Dat kan een normaal mens in uurtje bezijdigen. Maar mevrouw Bulte heeft de kracht niet, ook maar één stofje op te rapen. Ze sluit haar ogen en blijft stokstijf in haar fauteuil zitten.
'Ik ga hier net als Boeddha op antwoorden wachten', besluit ze.
Ze heeft een vieze smaak in de mond, merkt ze. Ze voelt hoe haar kunstgebit haar gehemelte irriteert. Haar gedachten gaan af en aan. Maar mevrouw Bulte houdt vol. Ze schenkt er steeds minder aandacht aan en wordt het steeds stiller van binnen. Af en toe gaat een zwart-wit mannetje door haar hoofd, maar dat negeert ze.
Het is vreemd, maar zij voelt al haar dunne haartjes op haar hoofd. Het lijkt wel of ze met mentholtalk bepoederd zijn; het is helemaal koel geworden rondom haar hoofd. De koelte lijkt haar haar naar boven te duwen tegen alle zwaartekracht in.
Dan voelt ze haar stijve spieren in haar schouders en nek en probeert zich zo week als een naaktslak te maken. Zachtjes zakt ze in elkaar. Maar ze merkt dat als ze zo te lang blijft zitten, wegdommelt.
Ze recht haar rug en begint te bidden: 'Lieve God, laat mij niet langer wachten. Lieve, lieve, lieve God. Ik weet dat je er bent.'
Er bekruipt haar vrijwel onmiddellijk een bevrijdend gevoel. Het is of een dekseltje van haar borst wordt gelicht. Ze ademt op.
'Lieve God,' gaat ze door. Maar nu klinkt het teveel als theater en daarom moet ze opnieuw beginnen. Bij de les blijven, Stien!' denkt ze verwoed. 'Het moet diep doorvoeld zijn.'
'Lieve God, geef me een teken, een teken dat jij me hoort.'
Haar maagje begint te knorren. Maar ze blijft geconcentreerd. Het gaat hier om een kwestie van leven of dood.
Plotseling dringt een sterke bloemengeur haar neusholtes binnen. Rozen. Zo sterk. Het is onmogelijk dat ze zich vergist. Mevrouw Bulte kijkt in het rond. Zij heeft geen rozen in huis. Geen enkele bloem. En de laatste druppel parfum is al maanden geleden verdampt. Toch is de geur ongelooflijk sterk.
Nog een paar maal snuift zij diep in en dan is het weg.
Trillend staat mevrouw Bulte op. 'Buitengewoon, buitengewoon,' mompelt ze.
Ze weet opeens met stellige zekerheid dat Zíj het middelpunt van het universum is. Toch kan ze er niet trots op zijn. Het is gewoon zoals het is. Ze is opeens zo veelomvattend als de schepping zelf.
Haar lichaampje dat altijd maar wat met haar mee schommelt maakt plaats voor een dijk van een lichaam. Ze is mooi. Ze is precies goed.
Ze schiet er van in de lach. Als me nou, ze is mooi! Mevrouw Bulte! Mooi! In Gods ogen is ze mooi!
Ze maakt een dansje in de keuken. Daar gaat juist buurvrouw Steen in haar rolwagen voorbij Ze knikt even zuur ter begroeting. Mevrouw Bulte schiet gauw de huiskamer in.
Met een bonkend hart gaat ze voor het raam staan. Was het niet allemaal maar verbeelding geweest? Waarom zou God haar antwoord geven als Hij zelfs de grootste overstromingen niet tegenhoudt? Is ze niet langzaam dement aan het worden? Ze kan tenslotte haar eigen wekker ook niet meer zetten.
De wolken buiten trekken onverstoord voorbij. Zo vertrouwd en toch zo onbenaderbaar.
Ze probeert de rozengeur weer te ruiken maar de lucht is weg. Opeens begint de wekker hoog te piepen.
Als ze hem met een paar slagen uitdoet, weet ze opeens weer, hoe ze je hem op het juiste uur kan zetten. 'Nee, God bestaat echt,' gaat het door haar heen. Ze voelt zich zo licht als een veertje.
'Dank U, God, voor de rozen,' fluistert ze. Ze weet het zeker. Ze heeft het even gevoeld: Gods liefde voor mevrouw Bulte.
‘Vrijmarkt’
Nee hoor, mevrouw Bulte is veel te moe. Ze heeft nergens zin in. Bah. Gisteravond had ze al naar de damesclub gemoeten. Was ze weer per ongeluk mevrouw Winters tegengekomen. En dat is zo’n opdringerige nieser.
‘Kom nou, Stien, we hebben je nodig. We geven een demonstratie in het Vondelpark. En jij moet koekjes en thee rondbrengen.’
Oh, oh, wat had ze zich weer op laten zadelen. Dat ze dan niet vliegensvlug een smoesje bedenkt, een vaartje. Maar mevrouw Bulte begint het altijd zo te duizelen, dat anderen haar aarzeling voor een gat aanzien, waar ze metéén in springen.
‘Als je niet komt, beschouw ik dat als een persoonlijke belediging,’ had Winters gezegd.
‘Nou ja, goed, zo’n buil zul je je niet vallen, Stien,’ had ze gedacht. ‘Je laat je neus even zien.’ Want dat van die thee en koekjes rondbrengen, daarvan voelde ze meteen al dat dat niet waar was. Daar heeft mevrouw Bulte teveel levenservaring voor. Alsof ze dat háár zouden laten doen. Die wijven vervelen zich toch dood. Ze had er wel minstens zes verwacht. En toen ze aankwam waren ze al met zijn achten. Ze had zich meteen opgelaten gevoeld. Maar ja, ze wilde geen gek figuur slaan. Dus ze was maar een beetje blijven hangen. Naar die breiwerkjes kijkend of de Heilige Graal erin verstopt zat. Van die idiote, malle poppetjes. Een kind zou zich een ongeluk schrikken van die dingen.
Mevrouw Bulte laat de armen slap naast zich hangen. Ze ligt lekker en toch doet alles pijn. Nee, ze beweegt zich niet. Geen zin vandaag.
Heeft ze zich nou in het park vergaloppeerd? Ze weet het eigenlijk niet. Wat haar steekt is dat ze op haar leeftijd nog steeds niet geleerd heeft zich uit bepaalde situaties te redden.
‘Jongens, Ik ga wel met het trammetje,’ had ze gezegd. Natuurlijk, zo was ze toch ook gekomen. Maar nee, dààr kon geen sprake van zijn en Winters ging meteen bij wildvreemde mensen bedelen of Bulte mee kon rijden.
Oh, oh, wat doen mensen elkaar toch veel aan! Harry had op Winters vragen nauwelijks merkbaar ja geknikt. Vaag kende mevrouw Bulte hem, een jongen van het Waterlooplein. De hele situatie stond mevrouw Bulte nogal tegen. Ze weet dat het alleen maar lastig is voor zo’n man. Maar goed. Mevrouw Bulte liet zich maar stromen. De minste weerstand geeft altijd de minste problemen. Maar nu had diezelfde Harry aan het einde van de markt tegen haar gezegd dat hij ineens zes personen te vervoeren had. En mevrouw Bulte (ze weet zelf niet hoe ze zo alert kwam) wist meteen dat er dus een te veel was. Soms werkten haar neuronen blijkbaar nog vliegensvlug. ‘Geeft niet jongen, ik neem de tram,’ had ze sympathiek gezegd. ‘Heb toch een abonnementje.’
Alles was in orde geweest als mevrouw Winters zich er niet onmiddellijk mee bemoeid had.
Opstandig ging ze bij iedere stand vragen of mevrouw Bulte mee mocht naar het centrum.
Mevrouw Bulte balt haar knuisten bij de herinnering. ‘Laat me toch,‘ had ze steeds gezegd. ‘Ik wacht gewoon even op lijn zeven.’
‘Neéé,’ zei Winters, ‘Wij krijgen jou in een auto naar huis.’ En zij maar als een dom schapepakket achter Winters aan die fervent de leiding genomen had.
Iedereen brak op en overal kreeg Winters nul op het rekest. Mevrouw Bulte werd steeds ongelukkiger.
‘Dit is mijn leven in een notendop,’ dacht ze.
‘Wat sta ik hier,’ had ze gedacht. ‘Ik ga gewòòn.’ En ze was zomaar weggelopen. En die wijven begonnen toen te roepen. ‘Stien! Stien!’ Het leken wel gongslagen.
‘Ik doe net of ik het niet hoor,’ had ze gedacht en ze liep driftig door.
Maar Winters weer achter haar aan, hoor.
‘Stien, we nemen een taxi’!’ riep ze. ‘Ik breng je wel naar huis.’
‘Maar jij woont hier vlak achter!’ had mevrouw Bulte vertwijfeld geroepen.
‘Nou, ik heb wel zin in een ritje,’ zei Winters vrolijk. ‘Ze is doodop,’ dacht mevrouw Bulte boos 'en ze doet heel gemaakt of ze nog hèèl elastisch is.’
‘Dat is helemaal nergens voor nodig.’ Ze probeerde het zo ferm mogelijk te zeggen ‘Ik ga altijd met de tram, daar is een halte. Hij komt over drie minuten!’
Maar Winters liet haar prooi niet los. ‘Ja, maar ik kom bij je op bezoek!’ Mevrouw Bulte raakte stante pede geëlektriseerd. Naar haar huis? Haar grootste, duistere geheim, Dat grauwe gangetje, dat gore behang en die kapotte stoelen. Met dat gemaakte nieser? Hier moest onmiddellijk ingegrepen worden.
‘Waarom nemen we niet gezellig een borrel in dat cafeetje daar en daarna neem ik het volgende trammetje’ Ze probeerde niet te gaan huilen, maar was eigenlijk al over de rand.
‘Goed dan,’ zei Winters. ‘Ik begrijp alleen niet waarom je zo doet.’
‘Hoe doe ik dan?’ vroeg ze zich verwilderd af. Mevrouw Bulte kon niet meer helder denken
‘Waarom ben je nu precies zo kwaad?’
‘Ik ben helemaal niet kwaad,’ zei mevrouw Bulte.
‘Jawel, je liep boos weg. Je bent helemaal rood.’
‘Ik houd er niet van andere mensen lastig te vallen. Ik wilde gewoon met de tram.’
‘Je moet jezelf niet zo wegcijferen. Je had tegen Harry moeten zeggen, dat hij je die plaats beloofd had. Dan laat je je toch niet wegsturen!’
‘Ottelenooie,’ dacht mevrouw Bulte, ‘waar ben ik in terec;ht gekomen?’
‘Iedereen zag je boos weglopen, zoiets geeft aanstoot. Zij konden er toch ook niets aan doen dat er geen plek was.’
Mevrouw Bulte besefte dat dit een van die momenten in het leven is waarin je niets anders kunt doen dan lijdzaam afwachten tot de tornado je weer op aarde terugwerpt.
‘Ik moet van binnen heel blijven,’ dacht ze. ‘Ik was echt niet boos. Ik wilde gewoon weleens opstappen. Je bent zo dominant, Wil. Daar wilde ik me aan onttrekken.’
‘O, dus nu is het mijn schuld!! Da’s helemaal mooi!’ Winters blies bijna.
‘Nee, natuurlijk niet. Ik begrijp dat je bezorgd om me was. Dat was heel lief van je,’ krabbelde mevrouw Bulte terug. Pieterdejandrie. Geen openlijke vijandschappen!
‘En je hebt gelijk,’ praatte ze snel door. ‘Ik had flinker moeten zijn met Harry. Hij zei alleen maar dat er zes personen waren. Waarom moet ik dan onmiddellijk denken dat ìk teveel ben. Waarom kan dat niet iemand anders zijn?’
‘Ja. precies!’ zei Winters met dikke instemming. Haar ogen die wat rood waren kregen een vreemde twinkeling. ‘Dat bedoel ik nou, je moet assertiever zijn. Waarom zou iemand je nou niet even naar huis kunnen brengen? Met de tram moet je toch nog een aardig stuk lopen.’
Mevrouw Bulte was niet gewend om zo te denken. Het stond zo ver van haar manier van zijn dat ze van de weeromstuit nog enige episodes uit haar leven aanhaalde die demonstreerden dat het haar aan het geringste zelfbewustzijn ontbrak. Ze ging door de knieën en Winters voedde zich met een glimlach vol minachting met haar verhalen.
Eindelijk kwam de tram, de verlossing. Mevrouw Bulte liet zich bewegingloos vervoeren terwijl zich in haar hoofd een tumultueus epos afspeelde. De reflectie van haar gezicht in het raam verraadde niets van de strijd van binnen. Tersluiks keek ze rond, maar er was niemand die op haar lette. ‘Ik ben weer geruisloos in het niets geworpen,’ dacht mevrouw Bulte.
Thuisgekomen wierp ze zich meteen op bed en werd wonderlijk genoeg snel soezerig. Alsof de wetenschap dat ze weer alleen was, haar omhulde als een barmhartige deken.
Maar de volgende dag weet mevrouw Bulte wat haar te doen staat. Want één ding staat vast; zodra je je in de menigte begeeft, word je door elkaar geschud door het lieve leven. En daarom zou zij zich eens lekker schuil houden vandaag. Geen bingo met Gerard. Geen ontmoetingen in Flesseman. Geen supermarkt. Vooral geen gesprekken met Jans. ‘Ziezo, zo doen de dieren dat ook,’ denkt mevrouw Bulte terwijl ze langzaam ademhaalt. ‘Het hol in en wonden likken. Ook zo’n een verstandige maatregel van de natuur.’
Wat zijn de dagen toch stekelig. Alles prikt. Nooit geweten dat de onverschilligheid der mensheid een oud mens zo kon plagen. Zelfs bij de dokter is er nauwelijks gehoor. Niet dat mevrouw Bulte daar veel naar toe gaat, hoor. Welnee. Leer mevrouw Bulte de dokters kennen.
Er is slechts één ding dat mevrouw Bulte nog kan redden. Mevrouw Bulte weet het en is ervan overtuigd. Het is allemaal zo logisch. Denk maar eens goed na. Hoe hebben de Joden eeuwenlange vervolging overleefd? Omdat ze zo slim waren? Welnee. De Indianen waren nog veel wijzer en die zijn uitgeroeid. Omdat de Joden nog steeds op de Messias wachten? Welnee. In wezen wacht iedereen daarop. Hoop doet overal leven. Maar dat is niet genoeg. Mevrouw Bulte zit heel ingespannen televisie te kijken. Ze heeft zojuist een buitengewoon nieuw inzicht gekregen in de menselijke natuur. Want op televisie ziet ze het plein met de Klaagmuur in Jeruzalem. Wat staan ze daar te snikken! Nee, het is geweldig! Wat een schitterende klaagmuur! Wat een uitvinding. Geen gebiecht, geen geoffer. Klagen moet een mens! Want een mens wil toch klagen. Zo is het toch. Daarin onderscheidt zich de mens van het dier. Dieren weten niks, die beseffen niks. Maar de mens wel en hij klaagt. Natuurlijk klaagt hij. Hij klaagt zijn lot aan. Hij klaagt over het feit dat hij de wereld ingeslingerd is. Want ach, het leven is verrukkelijk, maar een mens kan er maar beter niet wezen.
Had ze maar zo’n ding in huis. Een klein klaagmuurtje. Eénpersoons. Eigenlijk hoeft hij niet groter te zijn dan een meter breed. Mevrouw Bulte kijkt steels naar de deur. Zou dat een goede klaagmuur zijn? Onbeweeglijk blijft ze zitten. ‘We zijn hier niet van de gekken,’ denkt ze verbeten.
Maar na een kwartiertje staat ze op. Het laat haar niet los. Ze wil die deur proberen. Ze heft haar handen in weeklang. ‘Oh ooooh’ roept ze kreunend. ‘Oh ooh oooh.’
Ze moet het heel zachtjes doen. De buren kunnen van alles denken. Ze probeert het gemoed te luchten, maar die deur geeft niet mee. Dat komt omdat ze diep in haar hart wel weet dat het maar een gewone deur is. Het moet een echt muurtje zijn. Dat staat vast. Ze staat op en loopt zonder het te beseffen naar het halletje. Och, denkt mevrouw Bulte. Als ze verwezen naar de kapstok staart. Ze wordt als het ware geleid. Ze moet de berging in.
‘Oh ooooh,’ kreunt ze. Daar wederom. ‘Wat is het leven náár! Wat is alles náár! Waarom vergáát alles op aard?’
Hé, maar dat lucht wonderbaarlijk op. ‘Aah, aah’ gaat ze kreunend door. Ze probeert er bij te wiebelen zoals ze de mensen op tevee heeft zien doen, maar er staat allerlei rommel in de weg. Bah. De omgeving van een mens kan het spirituele helemaal weghalen.
Zou er geen klusjesman zijn, die even een klein klaagmuurtje voor haar metselt? De mensen nemen schuifpuien en uitbouwserres en zij wil toch alleen maar een heel klein klaagmuurtje.
Ja en je kunt er ook allerlei plaatjes opplakken, bedenkt ze. Een soort klaagplakmuur. Mevrouw Bulte pakt meteen de schaar. Ze heeft een grote foto gezien in de radiogids van een Indiaas kindje. Prachtig. Met van die donkere ogen. Die heeft ze dan alvast. In de ogen van dat kind staat alle Weltschmerz beschreven: het op aarde geworpen zijn in volkomen onnozelheid. Het niet weten wat de mens nog te wachten staat. De hulpeloosheid van het naakte lichtaam. Nee, die muur moet er komen!
Ze loopt naar de deur van de huiskamer. Hier moet hij komen te staan. Hier schuin in de hoek. En dan kan de televisie er wel boven. Meestal sluiten televisiebeelden goed bij een klaagmuur aan.
Nou, nou, ze heeft er rode oortjes van. Het is of het nu al oplucht, dat vooruitzicht op even heerlijk steunen en kreunen. Want een mens moet maar flink zijn. Je mag geen kik geven. Dat is toch helemaal tegennatuurlijk! Dat zijn overblijfsels uit de Victoriaanse tijd. Het is toch niet mogelijk dat een mens die door weer en wind moet, door lief en leed, door honger en dorst, niet eens mag klagen! Want dat wordt er van jongs af aan ingestampt. En hoe ouder je wordt hoe minder je mag piepen.
Maar als je je eigen klaagmuurtje hebt, kun je je pijn toch het universum in schreeuwen. En daarna de troost. Dat moet eigenlijk al klaar liggen. In een opening in de klaagmuur. Ze meent dat ook de joden lekkertjes in de muur verstoppen.
Ah. Eigenlijk is mevrouw Bulte een geboren psychiater. Maar zoiets als toegang tot de psychiatrie was er nog niet in haar tijd. Daar wist je niet eens het bestaan van af. Bovendien hebben ze in de psychologie ook vaak de plank misgeslagen. Reken maar! Die malle Freud. Want mevrouw Bulte heeft zo haar eigen gedachten over de dingen, hoor. Die was nou zo gek als een deur en de mensen hebben het nú nog niet door. De ideeën die die man had! Het schaamrood staat op haar kaken.
Weer zoiets waar een mens ten diepste om kan schreien. Het borrelt in haar omhoog. Daar zit een geheime martelkamer aan leed. Nee. Het moet gebeuren. Ze moet en zal dat muurtje hebben!
Dan maar naar de Woningstichting morgen. Ze is geen held in dat soort dingen. Maar wat moet, dat moet. En als zo’n klaagmuurtje direct weer afgebroken kan worden, zal het wel mogen, denkt ze.
Ze moet het nog wel even moeten oefenen. Even bedenken hoe ze morgen bij het loket zal staan. Een scenario komt automatisch in haar op:
Loketdame: ‘Mevrouw, wat kan ik voor u doen? (Zo’n opgedirkt nieser natuurlijk die denkt dat ze oneindig is.)
Zijzelf: ‘Ik wilde graag weten of het mogelijk is een kleine toevoeging in het huis te laten aanbrengen.’
Loketdame: ‘Ja, en waar gaat het om? Een pui, verbreding raam of vensters, of iets anderzijds?’
Zijzelf: ‘Ik wil een klein muurtje in de hoek.’
Loketdame: ‘U wilt geen hoek meer, nou dan lijkt het me handiger dat u een hoekmeubel neemt.’
Zij zelf : ‘U begrijpt het niet. Ik wil een èènpersoons klaagmuurtje voor persoonlijke doeleinden.’
Loketdame: ‘Een klaagmuurtje. Goed mevrouw. Staat genoteerd. Kosten voor de rekening van de huurder.’
Kosten voor de rekening van de huurder?
Daar heeft mevrouw Bulte helemaal niet aangedacht.
Oei. Dat zijn geen beunhazen die dat doen bij een Woningstichting. Misschien kost zoiets wel duizend euro!
Mevrouw Bulte kijkt naar het uitgeknipte portret dat haar vol zielsverbondenheid aanstaart. Wel ja. Een klaagmuur in huis. Zij heeft zich weer eens verloren in een illusie.
Dan maar de babyfoto laten wapperen uit de boekenkast. Paar boeken erop. Klaar. Mevrouw Bulte zucht. Wat is het leven toch stekelig.
Bewust
Hè, wat schreeuwt die teevee. Mevrouw Bulte zoekt de afstandbediening om het ding zachter te zetten. Waarom die altijd weg is? Ze tast wanhopig onder de kussens van de bank, op de grond. Het ding is van de aardbodem verdwenen. ‘Ze kunnen toch wel een akoestisch signaal installeren, die je vertelt waar dat ding is, als je op het knopje van de teevee drukt.’ denkt mevrouw Bulte. Ze maken haar niet wijs, dat ze dat allàng niet bedacht hebben. Maar er zijn natuurlijk belangen in het spel. De maffia van de reclame. Die prijst de hele dag gillend haar waren aan.
Luid leest de nieuwslezer de onderwerpen van het journaal voor. Ze gebruiken een galmende pauk om de sensatie kracht bij te zetten. Het is niet uit te houden. Uit dat ding.
Tuut tuut, wat een rust.
Mevrouw Bulte heeft een hekel aan het journaal.
‘In de Middeleeuwen gebeurde er ook van alles, maar de mensen wisten het tenminste niet,’ denkt ze. En de tegenwoordige mens daarentegen moet alles maar weten. Bah. Met een bord op schoot naar overstromingen kijken. Dat is toch onmenselijk. Mevrouw Bulte is nu eenmaal snel ontvankelijk. Dan weent ze even en smaakt haar tafeltje-dek-je anders. De dokter zegt dat dat juist goed is. Maar mevrouw Bulte heeft zo haar twijfels. Diepe emoties zijn gevaarlijk, dat weet ze uit ervaring. Een mens moet ten strijde.
Maar dat is juist hetgeen mevrouw Bulte zo moeilijk valt. Het zit niet in haar karakter. Ze heeft iets in zich dat haar dat tot lijden aanzet.
Hé, de stilte is erg drukkend vandaag.
‘In de leegte zitten,’ denkt mevrouw Bulte, ‘is niets voor mij.’ Dat geeft me een raar gevoel van onrust. Want voor je het weet, heb je je leven alleen maar geademd. In en uit. In en uit. Het is maar goed dat je niet hoeft na te denken om te kunnen ademhalen, bepeinst ze. Anders had ze de zeventig niet gehaald. Wat zeg ze, niet eens de dertig! Alles in het leven heeft ze toch als een kip zonder kop gedaan. Of was het èèn, een uitvloeisel van het ander? Dat alles heeft ze al duizenden keren overdacht, maar ze weet er geen duidelijk antwoord op.
‘Laat ik mijn leven opschrijven,’ denkt ze. ‘Ik schrijf mijn leven op en plaats mijn ziel tegenover de lamp der waarheid. Maar ik mag me nergens schuldig over voelen. Ik schrijf en ik kijk. Ik heb niets met mijzelf te maken. Laat ik bij het begin beginnen’:
Toen ik geboren werd, liepen bij ons de ratten over tafel.
Vader stal een brood en zat drie jaar.
Wij (Jans en ik) gingen naar het katholieke schoolje, waar we blokletters moesten
leren schrijven (Daarom schrijf ik deze wilde letters)
Maar daar ging ik na een jaar weg wegens katholieke misstanden.
De oorlog. Vader scharrelde altijd iets te eten.
Na de oorlog:
Op de kar mee met vader, groenten verkopen, weer of geen weer.
Eerste en enige liefde: Jan Brostra (wat die mij een leed aangedaan heeft is met geen pen te beschrijven)
27 jaar -In verwachting van Josefien, mijn leven verwoest, maar wat heb ik het lief gehad.
31 jaar- huwelijk met S.J.G. Grom
33 jaar gescheiden
34 (74) tot op heden: ademgehaald
‘Zo, dat is het stramien,’ denkt mevrouw Bulte. Het is zijn weinig woorden voor een lang leven. Ze zal eerst maar eens een boterhammetje eten. Dat moest Piet Paaltjes tenslotte ook.
‘Mijn worst, mijn heerlijke worst’, denkt ze terwijl ze het haar keukentje in gaat. En ze heeft er zulke heerlijke margarine bij. Het leven is een feest.
'En toch is het wel prettig,' denkt mevrouw Bulte. 'Zo'n kreet waarmee ze je bestaan proberen op te vrolijken.' Ze heeft een kuipje margarine gekocht bij de supermarkt, waar met grote letters het woord BEWUST op staat. En het is hen nog een beetje gelukt ook, denkt mevrouw Bulte. Ze is aangenaam verrast. Wat bijzonder toch tegenwoordig, dat ze dat soort dingen allemaal doen. Iedere keer als ze nu een boterhammetje smeert, ziet ze het staan: BEWUST. En dat is nu precies datgene waar mevrouw Bulte zo naar streeft. Een helder bewustzijn. En dat je dat dan zomaar inclusief op je brood smeert. Het is toch een wonder. Dat was er allemaal niet in haar tijd.
Het zal natuurlijk allemaal wel vernachelarij zijn, maar het brengt je toch op ideeën. Het zijn kleine speldenprikjes die je ego strelen. 'Ik koop niet zomaar een boter. Ik doe het weloverwogen. Want ik wens meer bewustzijn. Daarom koop ik deze boter.' Want mevrouw Bulte weet precies hoe een koe een haas vangt. Dat soort trucjes zijn zo oud als de wereld. Maar desalniettemin, het heeft iets opwekkends.
Trouwens het is een wonder dat ze boter heeft. Dat soort dingen vergeet ze ook wel. Want ergens vindt mevrouw Bulte dat een mens van alles moet kunnen genieten. Droog gaat het ook. Wel ja. Je moet er zo min mogelijk de aandacht op leggen. Op de primaire dingen van het bestaan. Wat je eet. Hoe je slaapt. In wat voor bed je ligt. Hoe de weersomstandigheden zijn. Het laat mevrouw Bulte koud. Laat het maar waaien, hoor. Mevrouw Bulte is met de essentie bezig. En als de omstandigheden dan mee vallen, is een mens toch weer gelukkig?
Zoals vandaag. Het zonnetje schijnt zo heerlijk binnen. Precies goed. Net genoeg om je erover te verbazen.
Mevrouw Bulte eet haar boterhammetjes in volstrekte stilte. Nu mooie muziek opzetten zou afbreuk doen. Schrijven wil ze niet meer.’
Laat het verleden het verleden, denkt ze’. Nee, het geluid van verkeer in de verte is haar genoeg. Ze is mooi niet alleen op aard. Mevrouw Bulte constateert het tevreden, al weet ze niet goed, wat dat in praktische zin voor haar inhoudt. Die auto's zijn immers ver weg. Met daarin unieke levens, volledige universums eigenlijk, bepeinst ze, waarin iedereen zijn eigen hoofdrol speelt. Dit soort misverstanden moeten haast wel deel uitmaken van een der allerdiepste wereldgeheimen. Want sta er maar eens bij stil: miljarden levens leven alsof zij het middelpunt der aarde zijn. En in werkelijkheid is er geenéén. Het is toch ongelofelijk!
Tjonge, die boter schijnt wel te werken. Zulke bewustwordingen overkomen je niet elke dag. Toch moet het wel betrouwbaar zijn. Het spul is veilig de gezondsheidszorg door gekomen. Dat wordt allemaal gecontroleerd in zo'n land als Nederland. Zo en nu nog even een kopje thee en dan is een mens weer helemaal gesteld.
Mevrouw Bulte heeft een brief gekregen van de dokter. Ze weet zelf niet waarom, maar ze is er nogal verguld mee. ‘Geachte mevrouw’ staat erop. ‘Hierbij nodigen wij u uit om een uitstrijkje te laten maken in het kader van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker. Wij verzoeken u een afspraak te maken bij de assistente.’
Kijk zoiets moet je nu hebben. Dat ze je zelf uitnodigen om naar de assistente te gaan. Geen getelefoneer, je moet er persoonlijk naar toe! En dat wil mevrouw Bulte al heel lang.
Gewoon eens praten over de dingen. Zij is geen pieper, maar je komt toch op leeftijd, hè. Maar dat is moeilijk hoor. Die dokters sturen je altijd maar met een kluitje in het riet. Oh, leer mevrouw Bulte de dokters kennen! Dat zijn ook maar mensen, hoor!
Daarom is zo’n brief een uiterst beschaafde manier om tot elkaar te komen. En kanker is onzichtbaar, hoor. Daar voel je in het begin niets van. Ja, zij weet ook wel dat een uitstrijkje niet zo leuk is als het klinkt. Maar men denkt toch maar aan haar. Men is bezorgd over haar. Dat moet een mens waarderen.
Ze bergt de brief goed op, want er zit een blauw formulier bij. Als hij kreukelt is niet zo erg, maar laten er nu eens een keer geen koffievlekken op komen. Dat staat weer zo wild.
Het duurt nog wel een anderhalve week voor mevrouw Bulte de stoute schoenen aantrekt. Die wind van Nederland, hè. Die beneemt je je zinnen. Maar vandaag trotseert ze hem. Ze loopt met het hoofd gebogen tegen de draaiende kolkwind in.
Bij de Rapenburgergracht steekt ze het Waterlooplein over. Hier moet die dokter toch ergens zitten. Al is mevrouw Bulte ergens maar één keer geweest. Ze kan het zo blindelings terugvinden, heeft ze het idee. En hier is ze verscheidene malen geweest. Maar toch kent ze de dokter nog niet zo goed. Haar vroegere dokter woonde nogal ver weg en toen heeft ze zich anderhalf jaar geleden bij deze praktijk aangemeld.
Ze wist toch laatst zijn naam niet meer, he? Maar dat was geen probleem, want toen ze een ponskaartje kreeg in het ziekenhuis wisten zij wel precies wie het was. U heeft dokter Evertsen, zeiden ze. Gewoon door haar postcode.
Helaas is ze niet zo blij met de nieuwe dokter. Er is geen klik. Al twee keer heeft ze hem gesproken en al twee keer deed ze heel vrolijk en onbezorgd. Op de een of andere manier kan ze haar ware gedaante niet aan hem openbaren. Maar ach, ze gunt hem zijn centen die hij voor haar krijgt. Dat is toch heerlijk voor zo’n dokter. Zo’n patiëntje wilen ze allemaal wel.
Maar vaak denkt ze aan hem. Dat ze toch eens met hem moet praten over haar wringende gevoelsleven. Niet dat ze een pilletje wil. Ze weet zelf niet wat ze wil. Ze voelt gewoon dat ze meer hulp voor zichzelf zou moeten vragen.
Mevrouw Bulte kijkt als een havik in het rond. Hier zou het toch moeten zijn. Ze wandelt een gebouw in waarvan ze gezworen zou hebben dat daar de dokterspraktijk was. Identiek. Maar nu hant er een groot bord over schuldsanering of zoiets. BD of BDD. Ze zou het liefste daarbinnen willen vragen waar de dokter nu opeens is gebleven, maar als ze drie verbitterde hoofden ziet, ziet ze er maar meteen vanaf. Teveel levenservaring, he? Ze weet nu al dat dat geen zin heeft. Je krijgt èn meewarige blikken èn nul op het request. Want niemand weet ooit iets, al wonen ze er náást.
Niet te geloven, het is werkelijk het huis ernaast. Dat had ze nu nooit gedacht. Het ziet er heel anders uit dan de vorige keer. Alleen in de wachtkamer weet ze het weer. Hier is ze ooit eerder geweest. Er zit zo’n vreemd doorgeefluik in, waarachter de assistentes zitten verstopt. Heel grappig. Een soort Jan Klaassen en Katrijn-poppenkast is het. Maar nu laten de hoofdrolspelers verstek gaan. Het is er uitgestorven.
Ze rommelt en kucht in de wachtkamer, loopt er rond, maakt veel lawaai, maar er is niemand te bekennen. ‘Als je nu een zwerver zou zijn, zou je hier ongemerkt heerlijk je dagen kunnen doorbrengen,’ denkt ze nog, want het is er lekker warm en er liggen mooie bladen.
Het wachten duurt wel lang. vindt mevrouw Bulte. Dat trekt je uit je concentratie. Het is toch iets waar een mens zich emotioneel voor moet opladen, voor zo’n gesprek met de assistente.
Gelukkig komt er nog iemand binnen. Mevrouw Bulte is niet langer alleen. De man groet vriendelijk en drukt op een klein, onzichtbaar belletje. Meteen staat er een assistente in het loket. Als je me nou! Katrijntje! Ze ziet er ook precies zo uit.
Natuurlijk laat mevrouw Bulte de meneer voorgaan. Hij heeft tenslotte de assistente tevoorschijn getoverd. Maar zodra zijn zaken geledigd, stapt zij flink naar voren. Nu is het haar beurt. De assistente reageert zowaar op de lijfelijke aanwezigheid van mevrouw Bulte, een aanwezigheid waar mevrouw Bulte zelf zo langzamerhand aan begon te twijfelen. Ze kijkt Mevrouw Bulte vragend aan. Mevrouw Bulte ziet dat als een uitnodiging tot contact en stapt naar voren. Nu ja. Het is zinloos voor de assistente om stiekem te verdwijnen. Mevrouw Bulte is nu immers ingewijd in het geheim van het onzichtbare belletje.
Verheugd met de brief in haar knuisje glimlacht mevrouw Bulte zelfverzekerd.
‘Ik ben door u uitgenodigd,’ zegt ze. ‘Hier staat het, ziet u wel. Het gaat om een uitstrijkje.’
Met zoveel geschut heeft de assistente niet gerekend. Toch komt de te verwachten bevestiging maar langzaam op gang. Ze aarzelt maar steeds en straalt zoiets verbaasds uit dat mevrouw Bulte begrijpt dat het niet zo makkelijk gaat worden als ze heeft gedacht.
‘Deze brief komt van een heel andere praktijk, mevrouw,’ zegt ze toonloos. Haar ogen kijken blauw-grijs door haar Katrijnebril.
O, nu ziet mevrouw Bulte het ook! Dokter Beijen staat erboven. Dokter Beijen! Dokter Beijen!
Vaag staat haar iets bij van een dokter Beijen.
‘Ik geloof dat dat mijn vroegere arts is geweest. Maar ik sta hier al anderhalf jaar ingeschreven, hoor.’
‘Dit is fout mevrouw. U moet zich laten uitschrijven bij dokter Beijen.’
‘Maar ik dacht dat de assistente zoiets te allen tijde doet, ten tijde van inschrijving. Er is mij in elk geval verzekerd dat ik niets hoefde te doen.’ zegt mevrouw Bulte.
‘Ja, maar daar gaat het op dit moment niet om,’ zegt de assistente prompt.
‘Maar ik kan toch ook wel een uitstrijkje krijgen via uw bureau?’
‘Jawel, maar dan moet u zich eerst laten uitschrijven bij dokter Beijen.’
‘Maar is dat dan niet het werk van de assistente?’ vraagt mevrouw Bulte hardop af.
Ze begrijpt niet waarom Katrijn haar niet even hierbij kan helpen. Even de zaken recht zetten, zeg maar, die ze zelf veroorzaakt heeft. En dan tegelijkertijd even het uitstrijkje in de eigen gelederen laten plaats vinden.
Maar de assistente is onvermurwbaar.
‘Dus ik krijg geen uitstrijkje?’ zegt mevrouw Bulte teleurgesteld.
‘Nee, er is iets misgegaan. Nu kan er verwarring ontstaan bij declaraties en zo.’
‘O.k.’ zegt mevrouw Bulte die ook de minste niet wil zijn. ‘Ik ben bereid dokter Beijen persoonlijk van mijn uitschrijving te informeren. Vanavond nog. Maar kunt u mij dan niet verder helpen met dit baarmoederlijk onderzoek?’ en ze zwaait met het kostbare, blauwe formulier.
De assistente knikte nauwelijks merkbaar van nee.
Een diep verdriet welt op in mevrouw Bulte. Woede ook. Die vrouw loopt toch zelf ook tegen de vijftig. ‘Wat u niet wilt, dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet!’
‘Dus ik kan hoog en laag springen, ik krijg geen uitstrijkje…’
Het antwoord is een stilte die niet logenstraft.
‘Weet u wat ik doe, mevrouw?’ zegt mevrouw Bulte. ‘Ik zoek gewoon een andere dokter!” Hier is het niet in de haak!’ Zij doet zich flinker voor dan ze zich voelt.
Juist komt de dokter uit zijn schuilkamer..Ze herkent hem meteen. Hij heeft een beetje een hondekop. Maar het heeft geen enkele zin hem in deze discussie te mengen. Welnee. Leer mevrouw Bulte de dokters kennen. In ieder geval zal hij de hand boven het hoofd van Katrijntje houden. Dat win je gewoon niet. En als je het wint, heb je geen leven meer. Ze wandelt verwoed weg. ‘Laat maar,’ denkt mevrouw Bulte. ‘Ik zoek werkelijk een ander.’ No problem! Ze stapt verwoed in de waaiende wind. Je maintendrai!’
Zijn zij nu gek of is zij het? Dáár zijn assistentes toch voor. Om je te helpen. Zij kan toch wel even een belletje plegen? Is dat nu zoveel moeite? Nu moet mevrouw Bulte weer helemaal op stap. En het baarmoederlijk onderzoek gaat aan haar neus voorbij. Dat weet ze nu al. Want bij de ene wordt ze uitgeschreven en bij de andere doen ze niet aan uitstrijkjes. Terwijl zo’n onderzoek landelijk is. Dat heeft mevrouw Bulte allang door. Katrijn stuurt geen brieven naar patiënten. Zo zit het en niet anders!
Hoe nu weer een nieuwe dokter te vinden. Dat is dan de derde. Straks is ze bij drie artsen ingeschreven. Want die assistentes vertikken het, hoor. Nu ja, als het maar een beetje aardige dokter is. Eentje die je uit zichzelf vraagt hoe het met je gaat. Dat zou toch een zegen wezen. Eéntje die ook eens tussen de regels dóór kan lezen. Dan is mevrouw Bulte wel bereid die handpoppen van de receptie te doorstaan.
Soms zijn de dingen gewoon niks. denkt mevrouw Bulte. De dingen kunnen zelfs tot diep lijden aanzetten. Je kunt je nog zo verheugen, stiekem naar de kapper gaan, een nieuw bloesje uit een onuitputtelijke berg tweedehands goed trekken en je mooi opdiggelen, maar uiteindelijk is het altijd maar afwachten of de avond brengt wat je hoopt. Hoe vaak heeft mevrouw Bulte haar hoofd niet gestoten. Daarom begrijpt ze mevrouw Leenschat-Bodegrave zo goed. Dat is zo een dame. Het kriebelt iedere keer in mevrouw Bultes maag als ze haar ziet. En echte dame die al verscheidene malen zonder blikken en blozen naast haar heeft plaats genomen in het restaurant. Ze is een dichteres. Misschien wel de enige, echte van Nederland. En die zat gisteravond naast háar. Ze had haar haar zo mooi opgestoken. En aan iedere beweging zie je dat het upper-upperclass is. En daar houdt mevrouw Bulte zo van.
Maar ja, zoals ze al zei. Soms zijn de dingen niks. Dan is het of alles tegen je samenspant. En toch is Flesseman beroemd hoor. Het werd zeer aantrekkelijk aangekondigd als de Grote avond van het snelle Buffet. Maar dat snel hadden ze beter weg kunnen laten. Het wachten duurt veel te lang. Ze zijn hier nu al anderhalf uur en dan wordt het moeilijk om jezelf een houding te geven, want wie ben jij dat jij wel in het niets kunt zitten. Bediend worden heeft altijd iets beschamends, dat moet met de hoogste discretie snel afgewikkeld worden.
Mevrouw Leenschat-Bodegrave heeft het nog moeilijker dan zij en kijkt voortdurend om zich heen. Het liefst zou mevrouw Bulte haar willen wiegen.
‘Er is duidelijk tegen mij gezegd, uiterlijk half zes!’ zegt mevrouw Leenschat-Bodegrave.
‘Ach, mevrouw, dat zijn zo de mysteries van het leven. Het valt nu sociologisch niet meer te achterhalen waarom mensen verkeerde informatie geven. Maar het gebeurt zo dikwijls, he?’
Mevrouw Leenschat Bodegrave knikt bleekjes maar geeft geen antwoord. Haar handen omklemmen stevig haar tasje op schoot.
‘Het zijn nog maar kinderen,’ zegt mevrouw Bulte vergoeilijkend. Ze kijkt naar die mooie, slanke meisjes in hun overdreven lange schorten.
‘Flesseman is nu eenmaal geen gewoon restaurant. Hij is in het leven geroepen voor de bejaarde mens. Zodat hij ook eens een uitspatting kan maken.’
‘Ja, dat weet ik wel,’ zegt mevrouw Leenschat-Bodegrave. ‘Dat vind ik ook helemaal niet erg. Maar ik moet op mensen kunnen rekenen. Waarom word ik hier in de lure gelegd? Waarom zegt men niet gewoon kwart over zes. Zelf kwamen ze pas om zes uur.’
‘Ja, dat is zo. De tafel is tenslotte gereserveerd.’
Maar mevrouw Bulte wordt nu volkomen overstemd. Een hoempapa orkest heeft in de zaal plaats genomen en speelt haar repetoire. Mevrouw Bulte hoort wel dat ze het goed doen. Maar het geluid is zo hard dat het haar sleutelbeenderen bereikt en trillingen veroorzaakt in het hele lichaam. Ze ziet dat mevrouw Leenschat-Bodegrave het liefst op zou veren om weg te lopen.
‘Het is dat ik vreselijke trek heb. Ik heb de hele dag niets gegeten om hier op tijd te kunnen zijn, anders liep ik nu weg.’
‘Laat het over je heen gaan.’ zegt mevrouw Bulte. Alles over je heen laten gaan. Niets kan je werkelijk schaden.’
Maar mevrouw Leenschat-Bodegrave antwoordt niet meer. Ze laat haar prachtige coiffure hangen.
‘Nou, daar zal strakjes wel een gedicht uit voortkomen’, schreeuwt mevrouw Bulte in haar oor.
Mevrouw Leenschat-Bodegrave knikt, maar mevrouw Bulte voelt dat het meer een soort afschudden is. Ottelenooie, straks wil ze haar vriendin niet meer zijn.
Daarom zegt mevrouw Bulte niets meer en strijkt over de mooie linnen servetten voor haar.
Eindelijk, eindelijk stopt de muziek.
Iedereen is inmiddels van een drankje voorzien, behalve de tafel van mevrouw Bulte en mevrouw Leenschat van Bodegrave. Weer zo’n vreemd verschijnsel waarvan je naar de oorzaak in het duister mag tasten.
Mevrouw Leenschat van Bodegrave snakt naar wijn. Maar de hele zaal is vervuld van zichzelf en bestelt en lacht en drinkt. Waar is de bediener die bij hun tafel hoort?
Mevrouw Bulte maakt oogcontact met een jongeman, die het ranke lichaam van een kind heeft, maar waarvan ze het hoofd toch al in de twintig moet schatten. Hij ziet haar en wil op haar toelopen als hij door de bulderende tafel voor hen, aangehouden wordt. Meteen keert hij rechtsomkeer om onmiddellijk hun wensen te vervullen. Een jongen van goede wil, dat wel.
Een diep medeleven welt in mevrouw Bulte op. Het lijkt haar een jongen met een ongelukkig IQ.
Eindelijk worden ze bediend door een collega. Mevrouw Bulte neemt kleine nipjes. Wie weet wanneer ze weer wat krijgen.
Mevrouw Leenschat-Bodegrave zit nog steeds afwezig te kijken. Ze heeft zich heel kranig gehouden, maar kan de diepe onrust die haar overvallen is niet meteen van zich afschudden.
‘Dames en heren,’ roept een leidingevende. ‘Vanavond hebben wij buffet, zoals u misschien al wist. Er is Waldorff salade, zalmsalade, aspergers en vlees en allerlei.Om een pandemonio te voorkomen, stel ik voor dat wij om de beurt naar het buffet lopen om op te scheppen. We beginnen bij deze tafel en hij wijst op de tafel het verst verwijderd is van de tafel van mevrouw Leenschat van Bodegrave al na wij slingerend tafel na tafel door de zaal zullen gaan, uitkomend bij deze tafel hier. Hij raakt even het servet van mevrouw Bulte aan.
Nou, dat is toch fijn, he. Iemand van de leiding weet dat wij bestaan.’zegt mevrouw Bulte. Maar ze zijn wel weer de laatsten, beseft ze.
Verschrikt kijkt mevrouw Bulte naar het gezicht van mevrouw Leenschat van Bodegrave. Zou zij nog wel in staat zijn deze stoelendans te doorstaan?
‘Iedere keer weer is het zo. Het is niet te geloven, het zijn altijd dezelfde mensen die misverstanden creëen. Ik kan niet op ze aan. Half zes hadden ze gezegd. Half zes’ zegt mevrouw Leenschat-Bodegrave in trans.
‘Zal ik dan een bordje voor je opscheppen, zegt mevrouw Bulte ‘Dan blijf jij lekker zitten.’
Mevrouw Leenschat van Bodegrave schudt nauwelijks merkbaar van nee.
‘Nee, het gaat wel weer.’
Dat zelfs de grootste dichteressen wel eens last hebben van overmacht, denkt mevrouw Bulte. Daar heeft ze nog niet bij stilgestaan. Nu, ja, morgen slingert er een dijk van een gedicht uit. Dat geeft troost.
Maar mevrouw Leenschat van Bodegrave zwijgt in alle toonaarden over de gedenkwaardige avond. Alleen een goede collega Kees Engelhart die over het voorval leerde schrijft een opbeurdend versje:
WAAR DE MENSEN KOMEN
De man die nooit verschenen is
Zit thuis kalm aan tafel
Te drinken en ook te mijmeren
Over waar hij niet aanwezig was
Wat het betekent voor de man
Die nooit verschenen is onder
De mensen te zijn wanneer
De afspraken niet juist blijken
Onrust betekent het
Een plaats geschikt om
Niet aanwezig te zijn
Rare voeten
Arme mevrouw Bulte. Ze heeft zo’n oud silhouet. Toch dribbelt ze een beetje. En ze lacht.
Dat moet raar zijn, als je al zo oud bent. Als je de jaren die je nog resten op èèn hand kunt tellen.
Morien helpt de zware bak met water naar de kamer te zeulen. Zo kan de oude buurvrouw
daar lekker haar voetjes in weken.
‘Zo,’ zegt mevrouw Bulte en ze stapt met haar voeten in het water. Wat heeft ze een rare tenen met bulten en rondgegroeide nagels.
‘Doe het zout er maar bij, Morien,’ zegt ze ferm.
Morien strooit een half pak zout in het water.
‘Aaaaaaah,’ roept mevrouw Bulte genietend. Vreemd vindt Morien. Zo snel kan het zout toch nog niet werken?
‘Ja, kind, een voetenbad houdt me op de been.’
Morien kijkt naar het water en de witte kronkelvoeten.
‘Soms,’ zegt mevrouw Bulte, ‘begin ik er bijna aan te wennen.’
‘Aan je gekke voeten?’ vraagt Morien.
‘Nee, aan het feit dat ik ben.’
‘Maar u bent er toch al honderd jaar?’
‘Welnee, drie en zeventig. Maar dat is net zo ongelooflijk. En nog altijd kan ik niet in mijn stoel zitten met het gewicht van iemand die weet, dat hij er is.’
‘Maar ik weet nu al dat ik er ben,’ zegt Morien ‘en ik ben pas negen.’
‘Dat is benijdenswaardig’ zegt mevrouw Bulte. ‘Ik vind het nog steeds vreemd’
Morien denkt na. ‘Nu ja, soms als ik alleen op het schoolplein ben en ik over de heg kijk, dan zie ik de winkels. Dan denk ik, waarom ben ik toevallig hier en niet toevallig in die winkel daar?’
‘Precies,’ zegt mevrouw Bulte, ‘waarom ben ik nou deze mens? Waarom ben ik geen beroemde actrice? Of een lid van het kabinet? Dat is toch eigenlijk heel vreemd.’
Morien vindt daar niets vreemds aan.
‘U bent gewoon mevrouw Bulte.’
‘Maar ik ben eigenlijk mevrouw Bulte helemaal niet. Ik bedoel dat ik voor mijn gevoel een heel ander mens ben. Een bijzondere vrouw.’
Morien probeert het bijzondere uit mevrouw Bulte te voorschijn te kijken, maar het lukt haar niet.
Opeens balt mevrouw Bulte haar vuisten. ‘Ik ben het eigenlijk spuugzat om mevrouw Bulte te zijn. 'Bah!‘ Mevrouw Bulte stampt zo hard dat het water uit de bak golft.
‘Ho, ho!’ roept Morien.
Ze droogt gauw het tapijt met een handdoek.
Mevrouw Bulte zegt heel lang niets meer. Ze denkt na over haar diepe gevoelsleven.
‘Weet jij al wat je later wilt worden?’ vraagt mevrouw Bulte opeens. Ze zit helemaal voorovergebogen met haar handen in het water en krabt aan een uitsteeksel op haar voet.
Morien haalt haar schouders op.
‘Misschien iets met dieren. Of stewardess. Dan krijgen ze allemaal een bordje eten.’
‘Ja, kind,’ zegt mevrouw Bulte met een zucht. ‘Jij bent er gewoon, en dat is te benijden.’
Vandaag zal Gerard komen. Mevrouw Bulte heeft al de hele dag gesopt. Maar omdat ze niet
goed ziet, zitten er nu overal waaierige strepen op de kastmuren en ook een haal op de televisie.
Ze heeft ontdekt dat koffiefilterzakjes lekker schoonmaken en haar tafeltje blinkt onder de kerststerren.
Dringg! Daar zal je hem hebben. Gerard is een kennis uit het bejaardencentrum. Hij is al vier en tachtig jaar. Daar maakt mevrouw Bulte zich wel eens zorgen over. Is hij niet te oud voor haar?
Maar Gerard is wel heel royaal en ze gaan vaak likeurtjes drinken en o, dan loopt hij zo trots
met haar aan zijn zijde.
‘Dag jongen,’ zegt mevrouw Bulte ‘kom gauw binnen.’
Hij ruikt stevig naar sigarenrook. En hij heeft een buil op zijn hoofd. Maar die zit er al jaren En als mevrouw Bulte iets over het hoofd kan zien dan is het wel een bult.
‘Zo Stien, het zit er hier vrolijk uit.’
Gerard blijft even voor een kastje staan, waar kleurige kunstplaten op staan.
‘Ja, vind je Gerard? Het zijn allemaal maar frutseltjes hoor.’
‘Dat zie ik, Stien. Heb je dat zelf geverfd?’
‘Maar Gerard, dat is van de Cobra!’
‘Nou, ik ken haar niet persoonlijk.’
Gerard kijkt zo serieus dat mevrouw Bulte het onderwerp maar laat varen.
‘Zo, ga zitten, dan krijg je koffie.’
‘Goed,’ zegt Gerard eenvoudig en laat zich op de bank vallen. Zijn handen glijden over de
fluwelen stof. Alsof hij een magneet in zijn hand heeft, vinden zijn vingers meteen een schaar die tussen twee kussen geklemd zit. En ook nog twee piepkleine houten poppetjes.
‘Kijk eens wat ik in je bank vind?’ roept Gerard triomfantelijk als mevrouw Bulte met de koffie binnen komt. ‘Een schaar en nog andere troep! Nou vraag ik je! In de bank!’
‘Nou ja, hoe bestaat het,’ zei mevrouw Bulte verbaasd. ‘Je brengt geluk. Hoe lang ik daar al
niet naar gezocht heb!’
Maar ze denkt: ‘O, hemeltje. Dat hoort natuurlijk niet, een schaar in de bank, als je een keurige mevrouw bent.’
‘Zo, zullen we dan maar eens gaan’ zei Gerard. ‘Als je er vroeg bij bent, heb je een plaatsje
vooraan.’
‘Maar dat maakt toch niet uit bij de bingo!‘ werpt mevrouw Bulte tegen.
‘Natuurlijk maakt dat uit,’ zegt Gerard geërgerd, ‘dat snapt zelfs een klein kind. Het is altijd
beter vooraan.’
‘Nou Gerard, dan zal ik maar meteen mijn jas aantrekken.’
‘Ja, doe dat. Of wacht even. Wou je die jas aandoen?’
‘Ja,‘ zegt mevrouw Bulte verbaasd, ‘dat is een echte camel.’
‘Er zit een vlek op.’
‘Zit er een vlek op?’
Mevrouw Bulte doet heel verbaasd. Die vlek zit er al zo lang dat ze hem
helemaal vergeten is.
‘Nu ja, met een sjaaltje erover,’ mompelt mevrouw Bulte.
‘Nee,’ zegt Gerard ‘Zo moet je niet rondlopen. Die vlek halen we eruit!’
‘Heb je zeep?’
‘Lieve jongen, ik breng hem wel naar de stomerij,’ roept mevrouw Bulte. Stel je voor dat Gerard in het gootsteenkastje wil kijken. Of in de badkamer. Ze heeft alleen een zakje soda, dat heel hard geworden is.
Gerard loopt met grote passen naar de badkamer. In een ogenblik heeft hij de soda te pakken.
‘Hier gaat het ook mee,’ zegt hij.
Onderzoekend kijkt hij om zich heen. ‘Heb je geen afwasborsteltje?’
Mevrouw Bulte begint helemaal te bibberen van de schrik.
‘Ik gebruik altijd sponsjes,’ zegt ze. ‘Maar laat ik die nu net niet in huis hebben.’
Vliegensvlug trekt ze haar dunne regenjas aan. En nog vlugger haar roze sjaaltje.
‘Zo kom, we gaan Gerard,‘ zegt ze ferm. We verliezen nog ons plaatsje.’
‘Heb je je tas?’ vraagt Gerard.
‘Ja schat, die heb ik.’
‘Alles bij je? Je portemonnee?’
‘Jaaahh’
‘Een kammetje?’
‘Jaaaah’
‘Je tramkaart?’
Mevrouw Bulte omsluit de tas steeds steviger.
Gerard staat op maar hij kijkt er heel bedenkelijk bij.
‘Nooit in de tas van een dame kijken, Gerard,’ zegt mevrouw Bulte koket.
‘Voor vandaag laten we het zo,’zegt Gerard.
‘Maar morgen wordt het tijd dat we de puntjes op de i zetten.’
‘Goed Gerard,’ zegt mevrouw Bulte kleintjes.
‘Sleutels?’
‘Jaaaaaaahh.....’
‘Wat zijn de mensen toch, he? denkt Jans Schraaling-Bulte. Dat asociale dat ze over zich hebben. Het is toch al zo’n onderneming zo’n treinreis, want die brengt hoe je het went of keert, toch risico’s met zich mee. En dan zijn er bovenop nog je medereizigers die je de reis bemoeilijken.
Maar goed, ze is weer zo flink geweest en ze is op die trein gestapt. Maar het mag natuurlijk niet meevallen, he. Meteen schreeuwmuziek, kéi- en kéihard, zomaar in de trein. Het zijn zulke nare klanken. Mevrouw Schraaling-Bulte raakt helemaal van uit het lood. Want je hebt er geen verweer tegen. Gelukkig is haar zuster bij haar op het perron opgestapt, zodat zij de deur van de trein dicht kon trekken. Zijzelf was daar al niet meer toe in staat. Het enige wat ze nog kon doen is stilzwijgend een afkeurend gezicht trekken,zodat die jongelui het toch even voelen. Ze blijft ze strak aankijken. Godzijdank komt de conducteur na een paar helse minuten en maakt een einde aan de herrie. Maar ze blijven hard lachen, heel dom.
Wat ziet Stien er weer overdreven uit. Mevrouw Schraaling is er verbijsterd over maar zij dwingt zichzelf er niet op te reageren. Stien heeft zo’n gebloemde blouse aan met glitters, met daaronder ook weer wat vreemds van zwarte zijde met van die punten. Ze doet altijd allerlei lagen over elkaar aan. ‘Mens, denkt ze dan, gedraag je toch eens naar je leeftijd. Je hebt bent al drieënzeventig.’
Twee vuurrode stippen lipstick op haar wangen. Daar wijst ze haar toch nog even op. Je moet de mensen op de dingen wijzen. Dat hoort ook zo. Maar Stien die doet meteen weer gek. Ze begint met spuug de boel een beetje uit te smeren. Het is niet om aan te zien. Hoe ze daar nu zit met van die vuurrode konen. Mevrouw Schraalings-Bulte zegt maar niets. Het is toch water naar de zee dragen. Op het perron natuurlijk onmiddellijk dat sigaretje uit die tas. Dat is zo lelijk, dat haar zuster rookt. Daarom zegt mevrouw Schraaling het ook even tegen haar:‘Moet je weer roken?’
‘Een klein haaltje,’ zegt haar zuster
‘Ja,’ wat moet ze anders zeggen, denkt mevrouw Schraaling Bulte ‘Dat zegt een mens die zich verontschuldigt.’ Want ze weten dat het slecht is, maar ze kunnen geen weerstand bieden. Dat is toch niet te begrijpen, wel iets weten maar het toch doen! Geen enkele zelfbeheersing! Ze zit bij zich zelf te overleggen hoe ze dat nog even kan duidelijk maken. Maar het hoeft niet niet eens. Haar zuster heeft aan haar gelaatsuitdrukking genoeg.
‘Al zijn uw zonden zo rood als scharlaken, zij zullen u vergeven worden!’ zegt Stien Bulte.
Nou ja. Dat is dus wat ze erop te zeggen heeft. de ‘christelijke’. Ze heeft nog nooit een bijbel ingekeken. Laatst sprak mevrouw Schraaling-Bulte een vrouw van de Jehova en het spreekt toch wel aan. Ze vieren bijvoorbeeld nooit verjaardagen. Nou, daar hebben ze groot gelijk in. Maar bij haar zuster hoeft ze heus niet met de bijbel aan te komen. Die verdiept zich niet in zulke zaken.
‘Maar goed, Jans’,denkt mevrouw Schraaling bij zichzelf ‘laten we geen ruzie maken’. Tenslotte gaan we naar Josefien, die zo’n Center Parc bungalowtje had gehuurd om een weekje in Nederland te zijn. Josefien is een verstandige vrouw, die niet dat fladderige van haar moeder heeft. Hoewel, het wel overdreven om in zo’n Center Parc te gaan zitten. Wat moet dat allemaal niet kosten? Maar zij heeft het vermoeden dat die vriendin van haar daar achter zit.
‘Komt die malle meid straks ook?’ vroeg ze daarom.
‘Wie?’
‘Die vriendin van haar.’
Dat is geen malle meid, dat is een dierbare vrouw.’
Daar had je het weer. Het nooit iets kunnen toegeven. Stien is zo’n tegenspreekster.
’Je kunt zowel lief zijn als mal zijn,’ legt mevrouw Schraaling haar zuster uit.
“Iemand die zo overdreven is, noem ik een beetje mal.’
’Ze heeft gewoon een goed hart.’ ‘Een goed hart,’ roept mevrouw Schraaling schamper.
’Altijd maar kaarten sturen, dat is toch eigenlijk heel raar. En dan al die cadeaus die ze meeneemt. Nee, ik vind het raar!’
Maar haar zuster blijft stuurs voor zich uit te kijken. Mevrouw Schraalings mond vertrekt. Ze probeert nog even tegen beter weten in de conversatie op iets algemeens te brengen, door op het gerenoveerde station van Assendelft te wijzen, maar vindt geen enkele weerklank. Natuurlijk niet! Wat wil Jans Schraalings ook eigenlijk. Stien kan gewoon geen interesse opbrengen voor wetenswaardigheden. Ze is er niet scherp genoeg voor. De trein rolt verder. Nog een station en dan zijn ze er. Goed opletten, dat ze dadelijk op tijd uitstappen want Stien laat zich rollen naar sint Juttemis. Ze heeft ook een hele rare tas, ziet mevrouw Schraaling opeens.
Ze omklemt de hare met haar gemanicuurde nagels. ‘Jans moet wel zien hoe piekfijn ik er uit zie. Dat moet haast wel. Ze heeft zo’n mooie, fijne broek aan. Die heeft ze al vijftien jaar, gelooft ze. Het is wel jammer dat er altijd van die ‘knieen’ in lubberen, maar dat zie je alleen als ze opstaat. Hij kan nog prima mee. Ze weet dat Stien soms wel vier jassen heeft. Dat hoort niet, dat overdrevene. Nergens voor nodig.
‘Hoe vind je dat ik eruit zie?’ vraagt ze daarom koket. ‘Schattig, he? Weet je nog, deze broek, die hebben we ooit tweedehands gekocht toen Johan nog leefde. En nòg ziet hij er als nieuw uit. Want wie nieuw koopt is een dief van zijn eigen portemonee!’ Ze zwaait erbij met haar wijsvinger. Ziezo, heeft ze meteen de sfeer ook in één klap gered. Want met Sjans is het slecht kersen eten, als je niet uitkijkt, hoor. Maar zie, Jans beaamt dat ze er pauk uitziet. Dat moet ook wel, want zelf bakt ze er niets van, met die flodders van haar.
Gut, is dat zijden sjaaltje wat ze om heeft ook weer een nieuwe? Het is toch ook van de gekke.
‘Ben je weer bij de kringloop geweest?’ vraagt mevrouw Schraaling haar zuster streng.
‘Ikke wel., zegt het genie ‘Geld moet rollen.’
‘Zeg maar niets, zeg maar niets,’ denkt mevrouw Schraaling-Bulte hoofdschuddend. Ze kijkt maar uit het raampje.’ Met zulke figuren valt toch niet te praten.’
‘Het is volbracht,’ denkt mevrouw Bulte. Daar is haar huisje weer.
Ze is op visite geweest bij Gerard.
‘Nee, ik ben zeer tevree’, denkt mevrouw Bulte. ’Het was een triomf. Oh, oh, oh, wat kun je
lekker koken, Stien. Hup, hup, Chili Con Carne met appelmoes.’ Het was eigenlijk toveren
geweest.
De kinderen van Gerard stonden paf, denkt mevrouw Bulte. De ene grappige opmerking
na de andere had ze gelanceerd. Gegierd hadden ze. ‘Wat heb ik dat toch, hé? Die humor’ denkt ze hoofdschuddend.
‘Ziezo,’ denkt mevrouw Bulte terwijl ze deur opent. ‘Altijd op het hoogtepunt afscheid nemen’.
Wat hangt er toch altijd een muffe geur in het gangetje. Maar kijk aan. Het licht doet het nog. Mevrouw Bulte ploft op de bank. Twee volgestouwde plastic tassen bungelen nog aan haar polsen.
‘Wat vreemd,’ bedenkt mevrouw Bulte opeens. ‘Alles is precies, precies zoals op het moment dat ik het huisje verliet.’ Haar blik gaat over de geopende post op tafel: rekeningen, die ze volkomen vergeten had. Een bordje met wat brood. Te zenuwachtig geweest om te eten. Zeven schoenen op de vloer. Die had ze te voorschijn gehaald, maar was toch weer op haar oude klompschoentjes vertrokken, uit angst voor pijn en ander leed.
‘Alsof de tijd gestold is,’ denkt mevrouw Bulte. ‘Alsof ik dacht, nu maak ik een deurtje in de tijd en ik treed even naar buiten. Achter dat deurtje is het leven opwindend, alles is anders en de tijd is onuitputtelijk. Maar als ik weer terugkom is er nog geen minuut verstreken.’
Mevrouw Bulte laat de tassen van zich afglijden.
‘Even een krabbeltje’, denkt mevrouw Bulte. Maar mevrouw Bulte kan in het hele huis geen
pennetje vinden. Wel een potlood. Mevrouw Bulte krast op de binnenkant van een boek.
Ze moet dat krachtig doen, want het potlood is bot en geeft bijna geen grafiet af.
Oh wonderlijke tijd
Was er maar een deur
Die ik af en toe kan openen
Zodat de onverbiddelijke klok
Mij af en toe vrijaf geeft.
Ik zal zingen en dansen
Lieve tijd en zo zal ik je
Liefhebben
‘Ik heb te lang naar een pen gezocht,’ denkt mevrouw Bulte.
‘Dat moet stante pede, zo’n gedicht en nu zit er een rare draai in.’ Ze ontdoet haar gezwollen voeten van haar schoenen en masseert haar voetpalmen op het stenen keukenvloertje. Op het aanrecht ligt nog een halfleeg zakje oploskoffie. Ze strooit het restje in een beker en houdt die even onder de kraan. De poeder is nog niet goed opgelost, maar dat deert mevrouw Bulte niet.
Het gaat ten slotte om een kleine versnapering. Teveel omstandigheid zou nu haar gevoelsleven verstoren. Ze moet glashelder alles wat er vandaag gebeurd is, de revue laten passeren.
‘Nee, Je was geweldig,’ Mevrouw Bulte kan tot geen andere conclusie komen. Gerard zat maar steeds cynisch te grijnzen, maar veel te zeggen had hij niet. En oh, oh, oh, wat zat hij daar op te vlassen. ‘Maar ja’, snuift mevrouw Bulte, ‘koken, gasten ontvangen, daar draait Stientje haar hand niet voor om. Dat is een gave, dat kun je niet leren.’
Mevrouw Bulte gaat vandaag naar de markt. Elke vrijdag komt er een vlak bij haar huisje,
Ze wil plantjes halen. ’Laten we het geluk binnenhalen,’ snuift ze. Ze voelt dat er een duistere gevoelslaag op de loer ligt, die haar wil inpakken zoals een spin een sprinkhaan. Ze balt haar vuisten en maakt boksbewegingen. ‘Weg jij! Weg jij!‘ Dat zegt ze tegen het gevoel dat zich in haar borstkas wil zetelen en ze slaat wild om zich heen.
‘Ha, ha, het leven is verrukkelijk!! Kijk eens hoe blauw de lucht is! Energie, energie,’ mompelt ze en ze begint in verhoogd tempo de kopjes naar de gootsteen te brengen. ‘Hup, hup,‘ zegt ze tegen zichzelf. ‘Vort paardje! vort!’
Ze legt de kussens op hun plaats, de tijdschriften op een stapeltje.
Hè. Mevrouw Bulte schrikt en tuimelt een beetje. Dààr ligt opeens haar bril. Onder de krant.
‘Zie je wel,’ denkt ze, ‘God helpt de onnozelen.’
‘Ik ga heerlijk door de stad dwalen,’ denkt ze. ‘En ik koop twee schattige plantjes die me fortuin brengen.’
Mevrouw Bulte stapt stevig door. Ze hoort van verre een koopman schreeuwen. Het heeft iets eeuwigs dat geluid. Zo was het vroeger ook en was er toen niet precies van datzelfde lenteweer? Het is alsof je almaar in rondjes loopt,’ denkt mevrouw Bulte. ‘Daarom kunnen de kleine dingen des levens je niet meer bevredigen. Er is geen climax en terwijl je daar op wacht gaat de nachtkaars uit.’
‘Pieterdejandrie, wat zijn dit voor gedachten! Ik moet remmen met een ijzeren remblok!
Denk je eens in, Stien’ spreekt mevrouw Bulte zich zelf toe, ‘dat je nu dood zou zijn. Dood als een pierlala. En je ruikt niets en je hoort niets en je ziet niets en je voelt de wind niet die langs je wangen strijken, zou je dàn niet tandenknarsen? Kijk, die mensen daar, die lopen toch maar fijn over de markt. En ik... Mocht ik toch maar èèn minuutje…mocht ik nog maar èènmaal een heel klein minuutje…’ mevrouw Bulte wordt er akelig van.
‘Maar ik kan wel,’ beseft mevrouw Bulte. Ik ben er. Ik mag!’
Mevrouw Bulte wordt helemaal licht van binnen. Ze danst een beetje.
De kramen stralen opeens iets vrolijks uit. Er liggen mandjes voor een euro. Mevrouw Bulte
zwelt op. Die gaat ze met plantjes versieren. ‘Doe er maar twee, koopman,’ zegt mevrouw Bulte deftig en vist uit haar tas een handvol muntjes. Er zit precies een twee-eurostuk bij.
Ze loopt met haar buit door tot het midden van de markt.
Verse haring, zò uit de Noordzee staat er op een bord. ‘Jawel,’ denkt mevrouw Bulte, ‘een harinkje.’ Zoiets kan eentje die hemelt niet meer nuttigen.’
Mevrouw Bulte voelt zich ongelooflijk rijk. Ze gaat zich te buiten aan twee zoute haringen.
‘Dat was even een opknappertje,’ denkt ze. ‘Het is alleen jammer, dat ik dit niet meer met die ouwe kan delen. Kom op, vader, zou ik gezegd hebben. Het is zo goed voor de hersenen.’
‘Nu ben ik net zou oud als hij, toen hij doodging.’ De gedachte komt met een zeker tumult bij haar op. Hoe vreemd. In haar jonge jaren had ze zichzelf niet als een bejaard iemand voor kunnen stellen. ‘Je ziet jezelf altijd als sterk en krachtig. ‘Dat is een regel van de natuur,’ denkt mevrouw Bulte stellig. ‘Als je zou weten, wat je te wachten staat, als je ouder wordt, heb je natuurlijk geen moment rust meer. Dat zou de energie weghalen.’
‘Maar daar zit ik weer te filosoferen,’ denkt mevrouw Bulte. ‘Ik heb vandaag, geloof ik, het jojo-effect. Ik ga maar als een stuiterballetje op en neer.’
Ze kijkt tersluiks naar een kind in een kinderwagen. Wat een gaaf jong bloed. De nieuwe generatie.
Het meisje kijkt terug: recht in haar ziel.
‘Hoe bestaat het toch? Zo klein kind en toch al zo compleet. Nee,’ snuift mevrouw Bulte terwijl ze haar mandjes stevig omklemt, ‘Het leven is hoe dan ook een wonder.’
Mevrouw Bulte is per ongeluk met de tram verkeerd gereden. Heel soms overkomt haar dat ineens, dat ze verstrooid met lijn negen door de stad rijdt en niet merkt dat ze de verkeerde kant op gaan. Want ze zit dan zo naar die geweldige stad te kijken en krijgt dan altijd dat gelatene over zich. Zo van, de tram brengt me wel thuis. Maar nu merkt ze opeens dat ze juist heel ver van huis is. Ze gaan helemaal naar Watergraafsmeer. Nog een paar stappen en ze zijn in Haarlem. Ze wordt er helemaal warm van. Ottelenooie. Ze heeft maar een euro op haar ov-kaart staan..
O, wat een spanningen allemaal. Autoriteit, jawel. Mevrouw Bulte weet het wel. Daar heeft ze zo’n panische angst voor. Komt nog van pa, die afwisselend huilde of met zijn vuist op tafel sloeg.
‘Stientje, nooit, nooit met de politie in aanraking komen. Nooit, hoor je me. Gajes is het, ze hebben een sterke criminele inslag.’
‘Nee, pa,’ zei ze dan altijd gedwee, ‘dat zal nooit gebeuren.’
‘Ach vader,’ denkt ze, ‘Ze gaven je drie jaar voor het stelen van een brood. Het heeft je eigenlijk gebroken. Maar het was ook zo’n malle tijd, de jaren dertig. Dat komt nu allemaal niet meer voor.’
‘Kom op,’ denkt mevrouw Bulte flink. ‘Ze schieten je niet dood. Het komt allemaal weer goed.’ En ach, stelt ze zichzelf gerust, die trammen gaan altijd in een kringetje. Komt ze vanzelf weer thuis. Maar eerst moeten ze naar het eindpunt. Uitstappen is funest. Dan moet ze meteen bij het weer opstappen een kaartje laten zien. Daarom blijft mevrouw Bulte maar zitten waar ze zit en tuurt naar buiten. Eindeloos duurt de rit. Wat een mensen, wat een huizen. Eindelijk arriveren ze bij de laatste halte. Ja, ja. De tijd kan ook een genade betekenen.
Maar mevrouw Bulte heeft pech. De tram gaat niet meteen verder. Ze moet uitstappen van de chauffeurs. Ze klimt met tegenzin uit lijn negen. Gelukkig letten ze niet op of affcheckt. En de deuren gaan onverbiddelijk dicht. Ze schaamt zich een beetje voor die jonge kerels. (Ze begrijpt ineens wat vrouwen zo aantrekkelijk vinden aan mannen, iets wat ze toen ze er de leeftijd voor had, nooit zag). Een oude vrouw is ze en één zonder klaarblijkelijk doel. Ze voelt zich zo ontheemd, dat ze als een klein kind tegen ze begint te praten. Ze zegt een beetje bibberig dat ze de verkeerde kant opgegaan is.
Nu komt er een menselijke trek op het gezicht van de chauffeur. Hij zegt geruststellend dat de tram over tien minuutjes weer terug gaat.
Ja, dat had mevrouw Bulte uit zichzelf ook wel begrepen. Maar moest ze nu opnieuw piepen? Dat was de kwintessens.
Ze heeft precies zeven eurocent in haar zak. Ottelenooie! Wat een spanningen allemaal. Het leven en zijn spektakels. Nee. Gelukkig is ze niet. De hemel staat helblauw boven de gebouwen, maar zelfs die goddelijke ingreep, maakt het niet prettig hier, met die sombere gebouwen, die al een verbitterde uitstraling moeten hebben gehad toen ze gebouwd werden.
‘Alles is prima,’ houdt mevrouw Bulte zichzelf voor, ‘er is hier zuurstof in overvloed. Het komt allemaal op zijn pootjes terecht. Het is toch niet strafbaar hier op het bankje te zitten? Nou, dan. Nee, het delict komt strakjes pas. Als de heren weer terug komen.’
En ja hoor, (hoe vreemd is het fenomeen tijd toch) daar zijn ze. Een van hem heeft een venijnige trek op zijn gezicht. Of hij iedereen wil laten terugbetalen voor het feit dat hij hier dwangarbeid verricht. (Want daar komt het uiteindelijk op neer, denkt mevrouw Bulte.) Als hij haar aan een haak kan nagelen, zal hij het niet laten.
Mevrouw Bulte stapt moeizaam weer in. Ze doet er heel lang over. Ze kijkt niet eens in de richting van het controleurshokje. Logisch, ze kan zo weer terug op haar electronische kaart. Die heeft zij bij het opstappen al gepiept.. Ze probeert er zelf diep in te geloven. Ze zijgt neer op een stoel (pal naast die van de controleur) en houdt zich heel oud en onnozel. Bovendien, ze weten van haar leed. Ze zullen haar niet verdenken. Niet iemand die zo dicht bij de controleur gaat zitten. Het duurt en het duurt. Nog rijden ze niet weg. Nog komen er geen andere passagiers die hem afleiden. Nog vraagt hij niet naar haar plaatsbewijs. Het hart van mevrouw Bulte klopt luid, maar het lijkt of zij verstrooid naar buiten kijkt.
Eindelijk schokt de tram vooruit met een belletje. Nu zal hij niets meer vragen. Mevrouw Bulte probeert de spanning met getuite lippen weg te blazen. Eindelijk kan ze van haar ritje genieten.
‘Het leven is me weer genadig geweest,’ denkt ze als ze bij de Artis aankomen.
Nog knikken haar knieën als ze uitstapt. ‘Bedankt meneer., zegt ze tegen de controleur. Hij knikt haar met nietszeggende ogen toe.
Ze zit wel vrij hier, vindt mevrouw Bulte. Als je vrouw Steen, die zure van hiernaast niet meerekent, heb je hier geen enkele bemoeienis van buitenaf. Maar vanavond zingen ze weer en dat is toch altijd een aanslag op je levensruimte. Het gaat, als je je niet bewust afwendt, tot op het bot.
Ze houden het goed vol, de soldaten van het Leger des Heils. Ze zijn al anderhalf uur bezig met hun christelijke liederen. Hoge noten galmen in de tuin van het bejaardencomplex,
waar mevrouw Bulte vlak naast woont. De boodschap moet natuurlijk zo duidelijk mogelijk naar God, begrijpt mevrouw Bulte.
‘Laat die stakkers toch zingen, Stien’, denkt ze. ‘Wees maar mild met het mensdom. Alles begrijpen is alles vergeven.’
Maar ze wordt er toch een beetje naar van. Het regent, gelooft ze, ook nog.
‘Wat is de mens toch een kuddedier,’ bepeinst ze. ‘Van die absurde dingen die een mens doet om in een groep te mogen.’
Al een kwart eeuw is mevrouw Bulte alleen met kerst. En dat is en blijft een teken van een falen. Natuurlijk. Daar draait mevrouw Bulte voor zichzelf geen doekjes meer om.
Maar ze weet uit diepe ervaring, dat de tijd net zo goed met kerst weg tikt en dat dat geleuter over gezellige feestdagen allemaal bluf is.
Wat dat betreft vindt ze het fijn, dat ze drie en zeventig is. Dan heb je de levenservaring om
overal de betrekkelijkheid van in te zien. Ze zit genoeglijk en hoeft niets.’ Ze voelt de stof van de bank onder haar handen. De enige die ze mist, is haar vader. Ja, niet dat die zo’n lekkere was. Eigenlijk heeft hìj haar leven getorpedeerd. Maar nu ze zelf oud is, weet ze wat het hoogste goed op aarde is: de liefde van een ouder voor zijn kind. De rest is helemaal geen liefde.
‘Laat je toch niets wijs maken,‘ mompelt ze.
Eindelijk hebben de huilerige klanken afgenomen en is de stilte ingetreden. Ziezo. Ze hadden er zelf ook genoeg van, gelukkig.
Op televisie is weinig te zien. Terwijl met kerst meestal wel aardige programma’s komen. Ze denkt opeens aan pa en moe. In dat kleine donkere straatje. Ze ziet alles weer zo voor zich. Ze ruikt het zelfs. De geur van het beschimmelde plaatsje achterom. Ach, die hebben het toch ook niet makkelijk gehad in dat ongelukkige huisje. Aan kerst deden ze thuis niet. Welnee, daar was moe veel te zenuwachtig voor. ‘Weg met die malle kerstballen,‘ riep ze dan opeens. Ooit zette ze de boom met kerstballen en al op straat. Alle ballen gebroken. Maar oudjaar vierden ze wel. Toen had ze die avonden als benauwend ervaren. Nu moet ze er glimlachend aan terug denken.
De televisie stond aan en was een bron van geluk. Haar zus kwam ook met haar kleintjes. Die kregen advocaat met slagroom. Omdat moe er niet aan gedacht had om gebakjes te halen.
Opeens is de herinnering zo intens, dat hij overgaat in het heden. Die ouwe zit gewoon naast
haar. Ze hoort hem rochelen. Hij had altijd veel sputum.
Ze begint hardop een gesprek.
‘Ja pa, het dierbare leven… ik ben er nog.’
Ze zegt het heel zachtjes, alsof ze angst heeft dat hij echt kan horen hoe ze opeens hardop
praat. Ze moet zich echter uiten. Ze zou zo graag alles nog eens met hem doornemen.
‘Ja, ik vind dat zelf ook vreemd,’ gaat ze door. ‘Een mens leeft door, terwijl zijn basis opgehouden heeft er te zijn. De tijd werpt je in een nieuwe vorm. Alleenstaand. Toen je stierf was ik net als jij zo dood als een pier. En toch blijft een mens in leven.’ Ze brabbelt maar wat. Maar dat geeft niet. Dat schept moed. Pa kent haar diepste geheimen.
‘Nu ben ik van jouw leeftijd.’ Hier stokt mevrouw Bulte en kijkt naar zichzelf in een spiegel. Ze kijkt naar haar ogen en haar gele, valse tanden. Onvoorstelbaar hoe een mens verandert en toch dezelfde blijft.
‘Je kunt je ouders nooit inhalen,’ bepeinst ze. ‘Nooit met hen als gelijkwaardige spreken.
Langzaam ben ik oud geworden. Ik merk er zelf weinig van.’
‘Wat vind jij nou van oude mensen?’ Haar stem klinkt samenzweerderig.
De stilte in kamer blijft en mevrouw Bulte gaat daarom verder met haar bekentenis.
‘Ik vind ze moeilijk. Eh.. Ze zoekt naar woorden. ‘Ze zijn zo...nuchter. Lopen met hun foto’s te wapperen en hun bezittingen te tellen. Het is allemaal zo banaal. Daarom geven ze een bezadigde indruk, pa. Ze doen geen gekke dingen meer. En ze zijn zo trots. Oh, oh, oh, ze hebben nooit ergens spijt van. Hoe zit dat nou psychologisch? Leg jij dat eens uit, pa..’
‘Ze maken de balans op, pa,’ geeft ze zelf het antwoord. Ze kijken terug in plaats van vooruit. En niemand wil graag toegeven gefaald te hebben. Dus ze moeten het hebben van hun kinderen, die zo goed terecht zijn gekomen en hun kleinkinderen die zo goed kunnen leren. Maar wat heeft dat met henzelf te maken? Waarom zijn ze in het leven geworpen? Waarom hebben ze moeten beleven, wat ze beleefd hebben? De oorlog, ruzies, dronkenschap. Was het dan allemaal zegen?’
‘Ik geloof ze niet, pa…‘ Ze fluistert nu bijna. ‘Vooral niet als ze zeggen dat ze zo een beste man hadden. Van goud zou hij geweest zijn. Maak dat toch de kat wijs… Dat is de kern, pa.
Dat is de eenzaamheid. Dat iedereen liegt. Daarom zou ik weleens met je willen overleggen, pa. Hoe zie jij die dingen?’
Eindelijk is het zover. Mevrouw Bulte weet vandaag iets wat ze in theorie al twintig jaar weet. En mevrouw Bulte maar denken, dat het met haar ontwikkeling treurig gesteld is. Maar daar is ze dan. Tot de kern aangekomen.
Mevrouw Bulte schrijft alles in het zwierige letters op. Langzaam en peinzend. Het is net of alles haar zojuist op haarscherpe wijze duidelijk geworden.
HET HEEFT GEEN ENKEL NUT BIJ HET OORDEEL VAN ANDEREN STIL TE STAAN.
Deze zin schrijft ze in extra grote letters op een stuk papier en scheurt het af. Ze prikt het op een spijker aan de muur. Ziezo. Nu zal ze het voor eens en voor altijd onthouden.
'Oordeel niet. Niet ten goede en niet ten kwade,' denkt mevrouw Bulte. Je moet zelf alles doen zoals je denkt dat het goed is.
Het is het ego, he. Dat wil maar gecomplimenteerd worden. En als het niet gecomplimenteerd wordt is de boot aan. Dan mag het werk dat we gedaan hebben ook geen naam hebben. Maar als je op de mensen moet wachten, ho dan maar. Ze heeft het levende bewijs in handen. Jawel! Want er is niet veel dat mevrouw Bulte kan, maar ze heeft toch (zoals ieder mens) enkele uitschieters. Want mevrouw Bulte kan al haar hele leven rijmen en dichten. Zonder haar hemd op te lichten. Ha, ha. Zo, uit het vuistje. En dan zijn er toch altijd weer mensen, die de lagere school niet eens doorlopen hebben en op een heel laag pitje staan, die haar talent aanvechten, negeren, beledigen.
Ze voelt een soort woede in haar opkomen die ze niet onmiddellijk te blussen valt. Ze kijkt naar het stuk papier.
HET HEEFT GEEN ENKEL NUT BIJ HET OORDEEL VAN ANDEREN STIL TE STAAN.
Stelletje idioten. Af en toe ontmoet je een laag pitje dat dan toch vaag iets beseft. Oh, wat kan jij goed rijmen. Maar dat wordt dan meestal gevolgd door een: Je zou voor de Sinterklaas moeten rijmen, Stien. Kun je wat mee verdienen. Van Willem Wilmink hebben ze nog nooit gehoord. Nee, en als ze van hem gehoord zouden hebben dan denken ze ze dat ze dat zelf beter zouden kunnen. Hoe de mens toch in elkaar zit.
HET HEEFT GEEN ENKEL NUT BIJ HET OORDEEL VAN ANDEREN STIL TE STAAN.
Het was juist zo leuk vanmorgen. Mevrouw Bulte dacht een streepje voor te hebben toen ze op de bejaardensoos spreekwoorden moesten weten en zinnen moesten maken die rijmden. In groepjes van drie. Nou, juist diegenen die nog nooit een pen van dichtbij had gezien, die namen de leiding, hoor. Tot je graf zit je met ze opgescheept, want ze zitten overal. Als je je normaal gedraagt en niet heel bazig wordt, rollen ze zo over je heen.
Ik dank je de koekoek
in mijn onderbroek
dat zeiden ze. Terwijl het zo mooi
Ik dank je de koekoek,
voor al wat de mens zoekt
had kunnen zijn. Begrijpen ze niet. Nee, dat is niet goed, zeiden ze. Geen gevoel, he? Mevrouw Bulte laat haar armen slap langs ze lichaam vallen.
Rondom de klok
doe ik rondjes rond je rok
Dat is toch geweldig? Nee, mocht niet.
Rondom de klok
ruzie met de kok.
Ohh! Geen enkele poezie!!
En de leiding had haar wel wat meer kunnen ondersteunen. Maar ze willen democratisch wezen, he.? Want ze hebben zelf er ook geen verstand van. Welnee. Ze weten niet eens wie Shakespeare is. Niet dat zij het goed weet, maar die lui hebben gestudeerd. Nou, wat hebben ze dan gestudeerd, vraag je je af. Ze lieten mevrouw Bulte in de eerste ronde afvallen! Het is toch om te gillen. Ze zouden Vondel niet eens hebben laten meedoen. Mevrouw Bulte weet alle spreekwoorden zo uit het vuistje.
Maar deze ochtend heeft mevrouw Bulte tot een nieuw inzicht gebracht. Al dat subtiele onderuitschopt worden waar ze al haar hele leven mee kampt. Haar zus. Die zogenaamde levenspartners van haar. En de hele rest van de wereld.
Die schopten niet om dat ze het beter wisten. Nee, hier moet ze even goed over nadenken. Dit heeft verstrekkende gevolgen. Het gaat hier niet om talent of dichtkunst. Dit gaat over dominatie!
Zoals bij de apen, daar is ook een hiërarchie. En mevrouw Bulte hoeft niet lang na te denken over haar plaats in de hiërarchie; geheel onderaan.
Ze heeft zich haar hele leven de kaas van het brood laten eten. Zo is het en niet anders. Misschien is het wel helemaal niet zo dat zij als een beperkt mens op aarde rondliep. Misschien was zij wel helemaal niet zo beperkt. Mevrouw Bulte klemt haar kiezen op elkaar. De eerste de beste die langs kwam nam de leiding over: Zo moet je de sla wassen. Zo moet je stofzuigen. Allemaal onzin. Mevrouw Bulte beseft ten volle dat zij haar het leven heeft laten wegnemen. Ze stond erbij en ze keek ernaar. Schimmen kun je er de schuld niet van geven.
HET HEEFT GEEN ENKEL NUT BIJ HET OORDEEL VAN ANDEREN STIL TE STAAN.
Ze leest het briefje nog maar eens, maar de woorden dringen niet meer goed tot haar door. Daar is ze te boos voor.
Dat malle ego heeft veel op zijn geweten, denkt ze. Bij iedereen, ook bij mij. Al ben je een gedrocht. Je wil je maar manifesteren ten koste van anderen. En wie het hardst roept, wordt de winnaar. Maar een mens moet sterk genoeg zijn om onrechtmatige aanvallen van zich af te slaan.
Ze neemt een pen ter hand en schrijft:
Leven zonder pijn
Dan vraag je het onmogelijke
Dat is hetzelfde als ongeboren zijn
Men draagt tijdens het leven
Vreugde Verdriet en Pijn als een bouquet pioenen
Zo’n ruiker hebben er miljoenen
Niemand heeft slechts de rozen
We willen allemaal even zijn
in de speeltuin van het bestaan
En ach,
De blauwe plekken van de ziel
Zullen weer verkleuren
Tot het warme rood van ons bloed
En darrelend komt dan de Vreugde
Een warm gebeuren
En is alles even goed
Daar wordt geen mens wijs uit, denkt mevrouw Bulte, die moeizaam opstaat. Alles tintelt in haar en een zwaartekracht wil haar weer in de stoel trekken. Het is of ze door water moet waden, zo moeizaam gaat het lopen. Het zit hem in de borst, voelt mevrouw Bulte. Ze kan niet vrij ademhalen. Ze zouden zo’n zuigertje moeten maken, zoals ze hebben voor mensen met astma. Even zuigen en hup, de bevrijding. Losgehaakt van die ongelukkige gevoelens. Dan maar even diep adem halen. Daar moet ze echter weer even bij gaan zitten. Staande begint alles te tollen.
‘Wat trek je je de dingen toch altijd aan!’ berispt ze zich zelf. Ze zijgt neer en vult de borstkast met levensmoed. Ze tuit haar lippen of ze alles er uit blaast. ‘Wees toch immuum voor de dingen!’
HET HEEFT GEEN ENKEL NUT BIJ HET OORDEEL VAN ANDEREN STIL TE STAAN.
Hè, en dat malle papiertje kan ook weg.
Mevrouw Bulte is helemaal uit de dagelijkse sleur gesprongen. Ze is in de duinen. Gek, hoe de duinen geduldig op je wachten. Al kom je er geen tien jaar. En ben je er dan ineens, dan is het precies zoals je ze achter gelaten hebt. Met van dat rulle zand onder je voeten. Het trekt je helemaal in een andere dimensie.
Het is erg warm voor de tijd van het jaar. Mevrouw Bulte heeft een diepe achting voor de zee, maar ze heeft er zoetzure herinneringen aan. Als ze aan zee is kan dat immense water haar erg beklemmen. Kijk de mensen toch eens lopen. Als miertjes in korte broek. beklimmen ze het betegelde pad, dat naar de zee leidt. Mevrouw Bulte klautert ook langzaam omhoog. Onder haar ligt de grote weg met de veilige bushalte. Gelukkig is het al in de namiddag. De zon zal haar wel niet meer verbranden. De zee ligt duizenden meters ver weg. Daar begint mevrouw Bulte niet aan.
Bij een paadje staat een bordje met vrolijke kwinkletters: Camping Dennenschut. Zou ze daar eens een kijkje nemen? Daar hebben ze vast van die campingwinkels. Maar het is nog beter.
Er is een soort verweerd terrasje bij de restauratie. Nou, nou, wat zit je hier lekker. Mevrouw Bulte vindt een plaatsje in de schaduw onder een hoge dennenboom. Het is er niet duur. Ze krijgt er een glaasje prik voor een euro. Ze snuift de geur op en luistert naar het geklierewier van kinderen op het speelplaatsje.
Niemand die aan haar vraagt of ze hier op de camping logeert. Gek, eigenlijk. Een oudere dame zal toch niet gauw in een tentje plaatsnemen.
Hoewel, ze ziet wel twee vijftigers die een kruiptentje hier opgezet hebben. Mevrouw Bulte heeft ze goed in de peiling. Zware beheimschrijvers, van die benauwde burgers. De man schat ze tegen de zestig maar de vrouw lijkt haar stuk jonger Ze gaan zeker een stukje fietsen; al geruime tijd zijn ze met fietsen in de weer. Het blinkt van jewelste in de zon. Als ze weg zijn, blijft hun tentje haar intrigeren. Rondom de tent ligt er geen krummeltje rommel. Weinig voorwerpen die haar iets meer zou kunnen zeggen over deze mensen.
Alleen een rieten matje in de voortent. ‘Wat mal,’ denkt mevrouw Bulte. ‘Er liggen hier miljarden zandkorrels!’ En wat ze nog gekker vindt, er staat een stoffer en blik op. Het staat allemaal millimeter precies op de juiste plek.
‘Het is gewoon kunst,’ denkt mevrouw Bulte. Het stoffer-en-blik is net een klein, nijverig vrouwtje dat met nederig, opgevouwen handen wacht op het uitvoeren van haar taak.
Instinctief weet mevrouw Bulte opeens, dat er in dit tentje vreselijk geleden wordt. Door de vrouwelijke partner, denkt mevrouw Bulte. Want die man is maar steeds bezig. Hij doet alles met maximale aandacht. Daar heeft hij lol in. En wat kun je tegen perfectie inbrengen? Niets. Zij schikt zich daarin. Wat kan ze anders?
Alleen al zo’n tent op zetten. Het moet uren geduurd hebben. Mevrouw Bulte zucht met een bezwaard hart. Ze had graag met de vrouw gesproken. Een riem onder haar hart gestoken. Een seintje gegeven dat iemand in dit dichtbevolkte universum van haar lijden afweet.
‘Waarom doe jij je dit ?’ zou ze haar vragen.
‘Angst voor de eenzaamheid.’
‘Ja, kind, daar weet ik alles van. Maar zou je het niet heerlijk vinden, zonder al die ballast te leven? Niemand die je begrenst.’
‘Ach, toen ik Egbert tegenkwam was ik net gescheiden. Ik was een slappe pop geworden zonder botten in mijn lijf. Ondertussen ging ik naar mijn werk. En boodschappen doen. En de vaat. Het klinkt raar maar met Egbert kreeg ik mijn ruggengraat enigszins terug. Ik kreeg weer houvast onder mijn voeten.‘
‘En nu ben je bang dat je het niet zult redden zonder hem.’
‘Ja.’
‘Dus je zwijgt.’
‘Ja.’
‘Wat is de mens toch een psychologisch dier,’ denkt mevrouw Bulte. ‘Hij lijdt niet zozeer door concrete situaties, maar door menselijke angstmechanismen. Verlatingsangst,’ diagnosticeert ze. Is ze zelf ook door heen gemoeten. Soms nog wel op kleine momenten. Maar dan weet ze, dat ze eigenlijk iets doet dat niet aan een ieder gegeven is; pontificaal alleen staan. Blijven functioneren terwijl geen mens je ondersteunt. Is dat niet het hoogst bereikbare? Zat ze in diepste wezen niet in de eindexamen klas?
En dan zit er ook een groot voordeel aan het alleen zijn. Je wordt niet beknibbeld en beknarst. Heerlijk. Staat je stoel scheef ? Laat hem scheef staan! Mevrouw Bulte zwelt op.
Zo’n stakker kan het toch maar mooi niet. Alleen zijn. Die moet nou fietsen, waar ze helemaal geen zin in heeft. En hersens heeft ze hoor! Het lijkt haar een advocaat. Mevrouw Bulte kijkt tevreden naar de hemel die roze kleurt. Zo, over een klein kwartiertje gaat de bus. Ze doet precies waar ze zin in heeft.
'Alles ligt weer als een gefileerd scholletje bij me open,' denkt mevrouw Bulte. Open en bloot brandt het ondraaglijk van binnen.
Mevrouw Bulte kan nauwelijks ademhalen, zo drukt de pijn op haar gemoed. In potentie ligt dit verraderlijk gevoel altijd naast haar hoofdkussen. Maar mevrouw Bulte probeert het geen kans te geven.
Ze heeft in haar kleine bestaan toch nog verscheidene verplichtingen. Naar de dokter. Naar de verjaardag van Bep. (Beetje zonde van het geld, die dure bloemen. Als een lege gave waren ze geofferd en als een leeg offer werden ze aanvaard.) haar kind ontvangen.
Ze moet zich toch jofel houden. Tot gisteren. Toen was ze ineens ingeklapt. Na dat telefoontje van Josefien. Dag en nacht denkt ze aan haar. Al gaan er maanden voorbij zonder bericht. Het is je kind. Ze wil haar zo graag helpen. Want Fien die zit tot over haar oren in de schulden.
Mevrouw Bulte tuit haar lippen. Er komt geen geluid uit. Ze kan er zelfs geen mening over hebben. Wie is er niet blind in de liefde? Ze had wel gezien dat haar dierbare kind er met ogen open in liep. Die hele onderneming van haar was als een ontilbare, zware steen die wel naar beneden moest rollen. En maar hopen dat die steen tegen alle zwaartekracht in zou gaan zweven! Welnee, de diepte in! Ze had het met geen mogelijkheid tegen kunnen houden.
Josefien naar de mond gepraat. Het geluk van het moment laten prevaleren. Want een mens is laf, laf!
Maar er zijn dingen die je zelf moet ervaren. Mevrouw Bulte moet het loslaten. Haar dochter is een volwassen vrouw. En de appel valt nooit ver van de boom. Nou ja, ietsjes verder wel. Josefien heeft gestudeerd. En ze functioneert in de normaliteit van de maatschappij. Iets wat uitzonderlijk is in de familie. En als je alle relaties bij elkaar optelt van mevrouw Bulte is het de som van een fractie van die van Fientje. Geen domme vrouw, haar Josefien. En aan geld valt nog wel te komen.
'Positief denken!' draagt mevrouw Bulte zich op. Dadelijk gaat ze een lot kopen. Ze denkt zich het hele huis vol geld. 'Trek het naar je toe!' mompelt zij. 'Trek het naar je toe!' Ze maakt er graaiende bewegingen bij.
Waarom blijft die verschrikkelijke pijn? Die moet weg. Anders werkt het niet. Muziek opzetten. Dansen moet ze.
'Hier kind. Even respijt. 500.000 euro.'
Ze zet de radio aan. Een pittig deuntje van de pop de la pop. Dat maakt niet uit. Dansen zal ze!
Ze ziet opeens een Frans chalet voor zich. Dat wil Josefien natuurlijk het liefste. En met die gekke vent van haar is dat geld zo op.
'Nee, Josefiena,' denkt ze nadrukkelijk, 'Het is 5 miljoen!'
'5 miljoen? Mamma!'
De vreugde! De vreugde! Josefien en zij dansen! Alle problemen opgelost. “Mamma, je bent geweldig! Trouwens met 5 miljoen pakt ze zo een vliegtuig om op bezoek te komen.
Zelf houdt mevrouw Bulte ook wat geld. Er moet tenslotte een heerlijk logeerbed komen. Met schone, nieuwe lakens. En lekkers in overvloed!
O God, laat het gebeuren! Haar liefste gaat ten onder! Zonder centen is het geen leven voor Josefien. En die vent van haar smeert hem natuurlijk. Want leer mevrouw Bulte de kerels kennen! Liever had mevrouw Bulte dit alles zelf meegemaakt dan haar kind zo te zien lijden.
'Mediteren! Kom op!' spoort zij zichzelf aan. 'Het lot is mij gunstig gezind. Geld! geld! geld! Bakken vol die uit het plafond naar beneden rollen. Positief denken! Het gaat gebeuren.' Mevrouw Bulte balt haar vuisten.
'Ja, kind,' denkt ze. 'Het huwelijk is een weg die een mens moet gaan. Om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat je alleen toch beter af bent!' Mevrouw Bulte danst. Ze trippelt met haar oude lijfje.
Quick step. Quick step. Ze hijgt. Maar ze zet door. Dadelijk moet ze het juiste lotje kopen.
De muziek stampt ritmisch als een moeder die haar kind wiegt. Ze begint zich al iets beter te voelen. Die akelige pijn zakt weg. Hoe snel slaat het gevoel over in een gevoel van vreugde!
Zo prachtig als die vrouw ook zingt. Ze kan het niet verstaan. Maar je hoort de levensrijpheid in haar stem. Mevrouw Bulte laat zich helemaal gaan. Tranen biggelen over haar wangen terwijl ze de muziek inzuigt. Koude rillingen krijgt ze ervan.
Haar gevoel is bij Josefientje die 1000 kilometers ver zit.
Hoe betrouwbaar zijn je gevoelens dan eigenlijk, vraagt mevrouw Bulte zich af. Vooralsnog is er niets veranderd aan de
situatie. En toch al een heel ander gevoelsleven. Mevrouw Bulte ervaart nu een diepe vreugde.
'Lieve kind, alles gaat gewoon door,' denkt ze. 'Ga naar de kern, Fien! Het zonnetje, een kopje thee met een beschuitje. Alles kun je diep genieten.'
Het is allemaal maar een illusie, schat. Nooit hebben ze zich zo verbonden gevoeld. Josefien begrijpt het. Samen springen ze over de rotsen. De afgrond bestaat helemaal niet. Noch de bergtop. Er is niets anders dan het lieve bestaan zelf. En niets kan dat verstoren. Hoe rijk en heerlijk is alles toch. Daar heb je verder niets voor nodig, dierbaar dierbaar kind!
De pen glijdt over het papier. Een nieuw schrijfblok. Daar heeft mevrouw Bulte zichzelf op getrakteerd. Jawel! Ze is niet bang er iets in op te schrijven. Je scheurt die vellen er zo weer uit. De eerste de beste zin die in haar op komt schrijft ze op.
Wat wil je?
Mevrouw Bulte fronst het voorhoofd. Ze heeft geen idee. Alles is er toch, wat knaagt er dan nog?
ik wil jouw stem en liefde
ik wil jouw liefde voor mij
ik wil niet dat dit verleden tijd is
maar nu
Ja, maar wat zou je nu willen?
Ik zou willen vliegen
Ik wil vliegen en dansen en draaien
ik wil gewichtloos zijn
en lachen als een gekieteld kind
Maar wat zou je willen, iets dat kan?
Mevrouw Bulte heeft er geen antwoord op. Het lijkt wel of ze als ze dit zou weten, achter alle dingen zou komen. Achter de grote geheimen van het bestaan. Maar er is niets dat mevrouw Bulte zichzelf verschaffen kan, dat de verlossing kan brengen. Wat zou ze willen? Wie is het eigenlijk die deze vraag stelt?
He, nou zit ze eindelijk met een papier op schoot en nu gaat het niet.
'Je moet dieper! Dieper, er is zoveel leed op de wereld. Ga toch diep!' beveelt mevrouw Bulte zichzelf. Zij wil iets beschrijven, wat zij niet beschrijven kan. Het gevangen zijn. Gevangen in het leven. Maar ze begrijpt zelf niet waarom ze zoiets beschrijven wil.
'Denk aan alle goede jaren die je nog wachten,' denkt ze stijfjes. Het is toch niet slecht hier. Er is toch geen oorlog. Waarom ontspan je je niet. Er komen toch geen gewapende mannen die je doodschieten. En ook al zouden ze komen? Op de een of andere manier zul je wel redden. Zelfs in de dood.'
Hè, wat een vreemde gedachten heeft ze toch!
'Kijk Stien,' spreekt ze zich zelf hardop toe. 'Het menselijke vermogen is uiterst flexibel. Je bent nog steeds niet gek geworden. Dat is jouw prestatie. Wie zou er niet gek worden?
Het bestaan is toch te gek voor woorden. Maar je bent kalm gebleven. Je kunt nog steeds functioneren. Nu ja, laten we zeggen, niemand heeft nog steeds iets aan je gemerkt. Je doet geen gekke dingen. Je hebt een koel, analytisch vermogen. Kijk maar. Het is zondag, 21 september 2008. Dat weet je, want dat staat hier in de krant. Mevrouw Bulte buigt over de krant met haar leesbril in de hand om te zien of ze het wel goed gelezen heeft.
'Ja.'
'Dan alles is toch goed,' besluit ze zwakjes.
Mevrouw Bulte zou het liefst in beweging komen en voor zichzelf een lekker kopje koffie zetten. Maar er komt geen beweging in haar lijf. Geen millimeter verschuift haar voet. De koffie van vanochtend brandt nog in haar slokdarm. Eigenlijk zou ze nu muziek moeten opzetten. Waarom beweegt ze niet? Zo gaat het leven wel erg traag. Een zonnestraal verlicht de kamer. Toeval of God die weet dat ze hier zit te sippen?
Mevrouw Bulte stelt voor hoe de zon haar lichaam verlicht met wilskracht. Ze stelt zich voor hoe de levenskracht terugkomt in haar benen en armen. Dan zet ze zich met al die goddelijke energie in beweging. Moeiteloos verheft ze zich van haar stoel.
'Het is weer gelukt, denkt mevrouw Bulte tevreden. Zie je. Weer een teken dat alles goed is.'
Toch is dat tegelijkertijd het probleem,' bedenkt ze. ' Dat gewichtloze gevoel maakt dat ze niet echt bestaat, maar meer in een film rondzweeft. Daar wordt ze een beetje eng van.
'Ik moet concrete dingen gaan doen,' grijpt ze in. 'Kom op Stientje, er is genoeg te doen. Er ligt veel rommel op de tafel. Ze grijpt naar de suikerklontjes.”Dit zijn de suikerklontjes, en suikerklontjes horen in de keuken.” zegt ze hardop en legt het doosje op het aanrecht. Ze gaat gauw terug naar haar warme kamer. Daar neemt ze een haarborstel in haar hand.' Dit is een haarborstel' zegt ze hardop een een haarborstel hoort in de badkamer.'
'Ze schuifelt naar de badkamer, waar eigenlijk geen goede plek is om dat ding neer te leggen. Er zitten trouwens heel veel grijze haren in.
'Al mijn erfelijke belasting zit er erin,' denkt mevrouw Bulte, terwijl ze naar de badkamer schuifelt. Dat idee heeft iets wonderlijk magisch en tegelijkertijd is het haar grootste bewijs van onschuld. Zij is niet aanspreekbaar.
'Het is allemaal gegaan zoals het moest gaan. Ik heb eerbied voor mijn grijze haren', zingt ze zachtjes. Maar dan stokt het van binnen terwijl ze nog zingt. Waarom een mens daar eerbied voor moet hebben is haar een raadsel.
Ze zou eigenlijk nog een haar van pa moeten hebben en deze naast die van haar leggen. En die weer naast die van zijn vader. Wat zouden historische onderzoekers daar wel niet in kunnen vinden? De rode draad van onvermogen.
Want de mens plant zich maar voort, maar of dat allemaal zo gelukkig is, is nog maar de vraag. Nu, voor God maakt het niet uit. Voor hem het een nieuwe soapserie die weer allerlei verwikkelingen heeft. Een smakelijke roman voor God om te lezen. Dat mag je God niet kwalijk nemen. Zo heeft Hij ook nog een beetje lol van zijn schepping. Maar voor de mens is het minder. Die arme rolt maar van rol tot rol. Shakespeare zei het al. De wereld is een toneel en alle vrouwen en mannen niet meer dan toneelspelers. Dat mag een mens niet vergeten dan valt het bestaan nog wel mee.
Maar dat de ouders eerder dood gaan dan hun kinderen dat is niet goed geregeld. Sorry God, schudt mevrouw bulte haar hoofd. Dat moet anders. Je vader en moeder zouden je levenslang bij je moeten zijn. Al zijn ze maar ergens in een schuilbunkertje, maar dat plots klaps weg is onmenselijk.
Straks is Josefien ook alleen over. Mevrouw Bulte zou alles er voor over hebben om haar het leed van rouw te besparen. Maar dat is een onmogelijke zaak. Immers, je kunt niet weten hoe het is om alleen over de wereldbol te sjokken tot het zover is dat je er volkomen alleen over sjokken moet. Zo is het toch? Er haar erop voorbereiden kan dus niet. Het enige wat ze kan doen is haar aan te sporen moedig haar levenspad voort te zetten. En dat zal ze ook wel doen. Josefien is een verstandige vrouw.
Eigenlijk ben ik op mijn best als ik haar verwennen kan. Zo'n een genot als het is om haar te zien genieten. Mergpijpjes daar is Josefien gek op. Eigenlijk heeft ze een heel arsenaal snoep en gebak waar ze gek op is. En daar heeft mevrouw Bulte toch maar mooi voor gezorgd. Toen Fientje klein was kreeg ze alles wat mevrouw Bulte haar maar geven kon. Zodat Josefien zichzelf later goed zou kunnen troosten. Want daar gaat het uiteindelijk in het lieve leven om. Troost. Dat soort wijze levenslessen heeft ze haar als falende moeder dan toch maar meegegeven.
Zondag over twee weken komt ze. Mevrouw Bulte heeft het eigenlijk heel druk. Ze moet haar lieve kind ontvangen. Ze zal zorgen dat het er hier heel gezellig uit zal zien. En schoon, want Josefien is precies, hoor! Die wil elke dag schone kopjes. Het is maar het beste als ze niet teveel in de keuken komt. Dan kan mevrouw Bulte haar helemaal verzorgen. Ze zal de heerlijkste spijzen in huis halen. Dan mag Josefien helemaal zich zelf zijn. ‘Ga maar liggen, kind. ‘ zal ze zeggen. ‘Wat zijn jouw wensen? Je zegt het maar. Je kunt alles van me krijgen. Wat zou je willen?’
Gerry woont in een huis, waar het stof vanzelf wegloopt. Een huis dus dat in het menselijk bestaan een utopie is. Maar Gerry bezit er één hoor. Mevrouw Bulte heeft het zelf mogen aanschouwen.
O, Ze kent Gerry al jaren. Ze heeft nog wel op Gerry gepast toen ze een jaar of zes was. En nu is het een vrouw, die toch ook al tegen de vijftig loopt.
Maar Gerry heeft het best getroffen. Nou, nou, wat heeft Gerry het best. En dit is toch al haar derde echtgenoot. Ze woont als het ware op ‘Drakensteyn’. Het enige wat ontbreekt zijn de lakeien. Mevrouw Bulte is er beduusd van. En als kind was Gerry een janker, hoor. Altijd in de contramine. Maar ze moet onzichtbare wapens ingezet hebben. Iets wat zich alleen aan mannen openbaart. Want voor mevrouw Bulte zit er smaak nog kraak aan Gerry.
Ach ja, de onnozelen kunnen soms hoog vallen. Dat weet mevrouw Bulte uit ervaring, ook al is het haarzelf helaas niet gebeurd. Zelf is ze toch ook een gebrekkige. Een kind van drie kan beter huishouden dan zijzelf. Dat is het noodlot dat haar al haar hele leven achtervolgt. ‘Een mens hoeft niet rijk te zijn,’ denkt mevrouw Bulte, ‘als hij maar een zekere normaliteit bezit. En dat is mij helaas nooit gegund geweest.’
Na de bezichtiging van Gerry’s villa is het net of mevrouw Bulte in een kartonnen schoenendoos woont. Twee piepkleine kamertjes en een keukenblok. Ze kijkt rond met de ogen van een vreemde. Nou ja, het is hier wel bijzonder. Rommelig, een stilleven van het leven zelf.
Want dat huis van Gerry is wel hyper, maar er zit geen ziel in. En dat heeft mevrouw Bulte wel hè, een ziel. o jawel!
Mevrouw Bulte snuift; kunst en huishouden gaan nu eenmaal niet samen. Dat is als olie en water. Het is het een of het ander. En zij is het ene. Zie je wel, daar kriebelt het weer.
‘Meteen schrijven,’ denkt mevrouw Bulte. Maar als ze naar de gootsteen loopt dringen zich urgenter zaken aan haar op. De koffieprut heeft zich aan het roestvrije aanrecht vastgekleefd en er liggen nog vieze vorken en messen. Ook de tafel ligt vol allerhande waar.
‘Die tafel moet leeg’, denkt ze. ‘Het gaat altijd om de eerste indruk.’ Meteen begint ze de deurtjes van de kastjes dicht te klappen. Want hoe het kan, kán het, maar die staan altìjd open. Een van de grootste mysteries in haar leven. Zij weet zeker dat zij ze niet open laat.
Ze begint plastic tasjes in de la te proppen en schuift vier laden dicht. Er piept nog een reep theedoek uit, maar die negeert zij. Wat denkt dat rothuis wel, dat zij zich laat kisten?
In dit huis zit de niegus, de pech.’ denkt mevrouw Bulte. ‘Ik schuif altijd als een miertje heen en weer met spullen. Maar er is geen eindpunt.’
Ze voelt iets broeien van binnen. Een gedicht dat wil springen. Een woord komt in haar op:
‘huis-vrede-breuk ’ Zij grijpt naar een schriftje, maar als ze een pennetje pakt begint de bank ineens heel hard te lonken. Goed, goed. Ze komt al hoor. Eerst even de foulards recht trekken.
Pieterjandrie! Hoe is het toch mogelijk. Nu liggen plots al de boeken schots en scheef! En overal liggen foldertjes, die ze altijd meeneemt uit openbare gelegenheden.
“Het lijkt wel of het huis de mazelen heeft,’ denkt mevrouw Bulte.
Alles wat niet essentieel is, moet weg van mevrouw Bulte. Grote, lege vlakken geven een idee van opgeruimdheid, weet ze. Ze valt op haar knieën en begint de folders en op de grond gevallen gedroogde bloemetjes bij elkaar te graaien.
Ze merkt dat ze het schrift en de pen op een onhandige manier nog in haar handen heeft.
‘Houd de poëzie vast,’ denkt ze. Ze voelt hoe haar hart begint te bonken. Maar de zinnen springen vanzelf naar buiten. ‘Neerwaarts ten onder gaan. Het gedicht zit er nog, maar het is al aan het verbleken,’ denkt mevrouw Bulte bitter. Nu ze alles vanuit een ongewoon laag gezichtspunt bekijken kan, trekken allerlei voorwerpen haar aandacht: gekleurde kunsteieren rollebollend op de grond, een witte pantoffel, een blikopener, (daar lag dat ellendige ding!) en een nooit opgestuurde brief. ‘Jeminee,’ denkt mevrouw Bulte. Wie hier binnen komt, zal denken dat zij een maand ziek gelegen heeft. En niets is minder waar.
Ze denkt aan de witte wachtkamer van Gerry. De zon begint fel door de ramen te schijnen en verlicht duidelijk een laag vuil. Hoe bestaat het? Het is toch pas drie dagen terug, dat ze met spiritus in de weer was? Het wordt mevrouw Bulte allemaal teveel. Ze laat zich moedeloos op de bank vallen. ‘Vecht toch niet langer, Stien. Je kan het niet.’
‘Puh! Gerry heeft geen boek in huis. Die zit de hele dag in de leegte. Daar heb ik nu eenmaal teveel geest voor.’
‘Hoewel….ze zeggen dat je huis de spiegel is van je ziel. En alles staat hier schots en scheef.’
O jee, het begint mevrouw Bulte te duizelen.
‘Halt! Halt! Even remmen!’ denkt mevrouw Bulte. ‘Laat je niet door dit huis overmeesteren. Kijk naar het plafond!’
Mevrouw Bulte staart omhoog. ‘Zie je wel, het plafond is een groot, fijn, wit, lèèg oppervlak.’ Ze vleit haar hoofd in de kussens.
‘In neerwaartse beweging de balans vinden.’ Ziezo, het borrelt weer. Zo achteroverhangend op de bank bevalt het haar wel. Ze ziet niets dat haar afleidt. Alleen de kroonluchter breekt storend het Nirwana. Hoewel? Dat zij dat nog niet eerder opgemerkt heeft. Drie vlekken. Zijn dat soms enorme spinnen?
Nee, er is geen uitweg. Netheid is dodelijk voor de kunst. Mevrouw Bulte kan geen andere conclusie trekken. Ze sluit bedroefd haar ogen.
In neerwaartse beweging zoek ik de balans
Alleen ik kan mijzelf stuiten
Wie zegt wat waar is
En niet waar is
in dit huis vol rommel en zielenleed
Huisvredebreuk pleeg ikzelf
Als ik haar verguis
Mevrouw Bulte schrijft het snel in grote, zwierige letters op. Als ze opkijkt van haar schrift, is de rommel geen millimeter geweken. Maar had ze net niet alles opgeruimd? Hoe kan zoiets toch? Dat is nou de makke van dit huis.
De dolle Mina ‘s hebben de wereld ontwricht, denkt mevrouw Bulte. Ze ziet het duidelijk om zich heen. Al die opgeschoren jongeren die langs haar raam lopen. Ze hebben nooit een theepot met een Mariakaakje gekend. Dat zie je op een of andere manier aan de hoekigheid van hun kleding. Als kleine dreinende kinderen schreeuwen ze in het niets. Ontberende klanken stoten ze uit. Niet dat zijzelf zoveel ervaring heeft met Mariakaakjes. Welnee. Maar ze gelooft wel in de logica van de massa. En als men massaal des middags thee drinkt, dan is daar gewoon een goede reden voor.
Sinds kort houdt mevrouw Bulte zich bezig met de psychiatrische geest. Nou, daar is wat aan het handje, hoor! Mevrouw Bulte snuift. De helft van de mensheid schijnt geestelijk ontwricht te zijn. Er staat in de Groene Amsterdammer een heel artikel over in. Mensen die nog nooit naar de psychiater geweest zijn, moet je met een lantaarntje zoeken. Rijendik staan ze te wachten voor een deur die niemand binnen wil gaan. Dat moet toch een oorzaak hebben. En aangezien alles in de vroege jeugd geschiedt, moet hij daar liggen.
Mevrouw Bulte heeft het altijd al tegennatuurlijk gevonden, dat een kind na een paar weken van de borst wordt gestoten omdat de moeder zich in haar mantelpak moet hijsen.
Ja, het mag wel, maar de moeilijkste taak op aarde wordt haar tevens in de schoot geworpen Ga er maar aan staan, de stekels van het leven verwijderen voor anderen zonder zelf eens een kussentje te krijgen. Want zo was het vroeger. Maar respect daarvoor heeft de vrouw niet gekregen. Want reken maar dat ze het wat makkelijk vinden, hoor,die kerels, om lekker bediend te worden. Zo’n bolwerk geef je niet gauw op. Daarom dacht de vrouw, wacht maar, wat jij kan, kan ik ook. Maar het liep scheef. En nu zit de vrouw met een dubbele rol. Ze moet en uit werken en thuis ligt de boel op hen te wachten…
Ach ja, soms bereik je het tegenovergestelde van wat je wil. Zo is het lieve leven nu eenmaal. Mevrouw Bulte zucht terwijl ze roerloos in haar stoel zit. Ze is zelf een oude vrouw en hoeft gelukkig niet meer, maar in de tegenwoordige tijd hadden ze haar laten sneeuwruimen, hoor! Met blauwe, opgezwollen handen.
Mevrouw Bulte kijkt naar haar vingers. Onberingd is onbemind. Nog steeds kan ze niet aan het alleen zijn wennen. Het is of er een levenslange vloek op ligt. Zijzelf was bepaald geen Dolle Mina. Of toch wel wat dol, maar over dat aspect denkt mevrouw Bulte liever niet. Maar verder was zij een lieve zorgzame vrouw. En toch lukte het haar niet om een trouwe gemaal te bemachtigen.
Wat aan zich verwant is, zoekt elkander…het klinkt zo eenvoudig. Maar wie is er nu aan haar verwant? Ze is er te sloom voor.
Gerard geeft ook geen toenadering. Niet dat ze nog enige diepgang bij hem hoopt te vinden, hoor. Welnee, het is meer een bergje. Alleen de buitenkant is voor hem belangrijk. Hij weet van de hoed en de rand. En dat botst met de aard van mevrouw Bulte. Vraag mevrouw Bulte hoeveel een ritje met de tram kost en ze weet het niet, vraag haar hoe de afstandsbediening werkt en ze weet het niet. Ze weet zo weinig. Het is een bitter lot niet alert te zijn. Maar Gerard bloeit juist op bij dat soort dingen. Hij zwelt er van. Nee, Stientje, dat is de hendel niet, de hendel zit daar! Druk maar op het groene knopje. Nee, niet dat knopje, dat is ander ding. Maar verder is Gerard een leeg vat. Hij weet niets over de zieleroerselen van een mens.
Mevrouw Bulte probeert hem steeds op te zwepen tot medemenselijkheid. Dat is een van die belangrijke taken van een vrouw. ‘Gerard,’ zegt ze dan, ‘Het is onvoorstelbaar, hoe goed jij kunt tafeldekken. Er ontbreekt werkelijk niets!’ Daar groeit een man van. Anders worden het helemaal stumpers. ‘Kun je dat uit je hoofd uitrekenen! Zo bijzonder!’
Dat vindt hij vanzelfsprekend, hoor, dat je voor hem het toneel opgaat. Maar voor haar schrijfsels heeft hij geen enkele belangstelling. Hij schaamt zich er zelfs een beetje voor. Nooit mag ze iets van hem voordragen.
Maar mevrouw Bulte wil geen pijn voelen. Een mens mag niet kinderachtig zijn. Juist daar komt de kracht van de vrouw om de hoek kijken. Een vrouw geeft geen krimp. Zij is de muze en laat haar eigen talenten ten onder gaan ten bate van de man. Heb je in de geschiedenis ooit een vrouwelijke Rembrandt gezien? Een vrouwelijke Mozart? Michelangelo…Mevrouw Bulte snuift. In de geschiedenis waren er maar weinig vrouwelijke uitspringers. Een enkeling misschien, maar dat was dan adel. Toch hebben vrouwen evenveel talent als mannen. Dat moet haast wel. Dat zal wel wetenschappelijk bewezen zijn. Maar de vrouwen maakten een offer ten bate van de natie, ten bate van het nageslacht.
Wel zonde eigenlijk, van al dat talent. Mevrouw Bulte fronst haar voorhoofd. Maar in een collectief licht gezien, hebben ze een sterke gemeenschap gesmeed. Kom daar vandaag de dag maar eens om. Mevrouw Bulte heeft rode koontjes. Ze heeft nu eenmaal vreemde gedachten die ze niet denken mag. Rebelse gedachten. Laat de schone Femke Halsema ze maar niet horen. Dat is zo’n bijzondere vrouw. Ze heeft iets van Liz Taylor. Maar alleen uiterlijk. Innerlijk is het een dijk van een vrouw. Het grenst tegen het onwaarschijnlijke dat zoiets op aard bestaat. Zou zij een romanfiguur zijn, dan zou geen mens het geloven. Maar ze bestaat echt en nog wel in het publieke oog. Nou, dan zijn die dolle Mina’s toch niet zo verkeerd bezig geweest. Al je zulke mensen kunt produceren. Mevrouw Bulte staat op en zet de televisie aan. Eens kijken of ze nog meer van dat soort produkten tegenkomt. Dan zal ze die ook eens aan een grondige mijmering onderwerpen.
‘Het is uiterst vreemd en toch is het gewoon de natuur,’ denkt mevrouw Bulte. Ze heeft gemerkt dat haar hele generatie aan het uitsterven is. Haar zus nog geen klein jaar terug, haar broer, dronken Lily Overveen, Gijs van Tea. Opeens is de koek op, bepeinst ze. Mensen die bloeiend in het leven stonden. En waar gaat dat nou allemaal naar toe, al die levens? Die kunnen toch niet zomaar weg zijn. Naar de hemel, dat gelooft ze niet. Dat is een smoesje om het volk mak te houden. Mevrouw Bulte slaat halfslachtig naar een vlieg met de krant. Maar de vlieg wil niet dood. Nee, dat wil niemand, denkt mevrouw Bulte. En daarom verdringt men de gedachte aan het einde met veel materie. Maar zij wil het niet langer verdringen.
Ze gaat in de fauteuil zitten. ‘Even relativeren,’ denkt ze. Het is doodstil om haar heen.
En dan glijdt ze weg. Het moment is dan eindelijk aangebroken, fantaseert ze. Ze gaat dood. En ze weet het. Ze is volkomen helder. (Dat is vreemd. Normaal gesproken is ze altijd een beetje doezelig.)
‘Een mens zit zijn levenlang in de wachtkamer, zonder te weten welk nummertje hij getrokken heeft,’ denkt mevrouw Bulte. ‘Dat houden ze geheim. De hoge heren van het hospitaal.’ Ze stelt zich voor hoe het leven in het ziekenhuis is. Een enkeling sterft aan ouderdom, maar sterven doet hij toch. Sterven doen ze allemaal. O, de dokters zijn uiterst vriendelijk. Bij elk pijntje wordt een vijf sterren service geleverd. ‘Komt u maar, mevrouw Bulte. Probeert u de knieën maar te strekken. Gaat het wel? We gaan dit ook in het water doen, hoor, dan gaat het allemaal wat makkelijker De zusters zijn overdreven vrolijk. ‘Goeiemorgen mevrouw Bulte! Dit zal misschien een wat tintelend gevoel geven… ‘ En ondertussen merk je niet, wat voor ziekenhuis dit eigenlijk is. Iedereen is ten dode opgeschreven. Mevrouw Bultes hart begint te bonken. Het heerlijke, lieve leven wordt op een gegeven moment toch weggedraaid, denkt ze bitter. Maar waarom? Mevrouw Bulte beseft dat ze een van de grootste filosofische wetenschappen aan het overdenken is.
Ze grijpt naar een bloknoot. En schrijft:
Opeens is het moment dan daar
het sterfkamertje is al klaar
buiten is het nog volop dag
koud wappert ver een haringvlag
De dokter, niet voor de duvel bang
hoor ik lachen op de gang
ik denk aan sterven, hoe dat moet
het oplossen van mijn zweet en bloed
mijn hart tikt door, het staat niet stil
ook nu nog niet, nu ik het wil
ik sterf dus langzaam, zoals het hoort
met die lamme Petrus voor de poort
bestaat er een hemel of een hel?
ik hoop van niet, dat snap je wel
ik ben nu toch wel doodsbenauwd
dat ik daar straks word uitgejouwd
Geen dokter legt me iets mild uit
zoals ze doen bij elke spuit
hoe ik straks in dat gat zal gaan
of ik zo ophoud te bestaan
Ik ben zo moe, ik houd me groot
nooit eerder lag mijn ziel zo bloot
‘Ottelenooie,’ denkt mevrouw Bulte. Ik ben toch wel een groot dichter. Ze leest het nog eens
over. Tjonge, tjonge. Maar er zit een wat schrijnende smaak aan. Zoiets wil natuurlijk niemand lezen. Jakkes! Wat een naar gedicht.
‘Ja, houd maar weer op, ‘denkt ze opeens geïrriteerd. ‘Jij ook altijd met je hersenspinsels. Je moet in het heden leven, Stien Bulte. Dat zei Krisnasmutti ook altijd. Een mens wordt in het leven geworpen en dan lééft hij, al moet hij het kruipend doen. En als de mens vrij goed leven kan, nou dan zal de dood ook wel leefbaar zijn. Zo is het Stien, geef je nu maar gewoon over.
Overgave. Dat is de kern.’
Ze neemt eerst maar eens een lekker kopje koffie. Hé, wat grappig. Noemen ze dat ook niet een bakkie troost?
Mevrouw Bulte heeft fijne boekjes gekregen. En daar is ze tuk op. Heerlijk. Ze heeft ze van
Amelie. Amelie is een beetje een intellectueel. Die weet van zoveel dingen. Hoewel mevrouw Bulte zeker weet dat zij ze zelf niet leest. Daar heeft Amelie het geduld niet voor.
Het zijn bijzondere boekjes. Mevrouw Bulte kust ze met beide handen. Fijne dichtbundeltjes
van de modernste dichters van Nederland. O, mevrouw Bulte heeft er nog wel meer, hoor. Nog uit de jaren vijftig. Lucebert. Daar was mevrouw Bulte stilletjes verliefd op. En Campert en Achterberg. Want mevrouw Bulte heeft een brede interesse, hoor. Ze voelt het gewoon als iets bijzonder is. Daar hoef je het allemaal niet voor te snappen.
Ze slaat het boekje open en begint zomaar in het midden:
Onderweg is een reiziger altijd
‘Buitengewoon waar’, denkt mevrouw Bulte. ‘Een reiziger is nergens echt thuis. Dat is het
moeilijkste in het bestaan, als je niet thuis bent, je ergens toch volkomen thuis kunt voelen.’
Ze leest peinzend verder:
‘Ja, ja, dat is zo!’ denkt mevrouw Bulte. Ze zit rechtop in haar stoel. een mens slààgt immers er in om reis te gaan, op reis gaan is zo verschrikkelijk moeilijk. De uitvoering ervan ten minste, overpeinst ze want de gedachten eraan zijn licht als zeepbelletjes, maar het daadwerkelijk gaan is heel zwaar. De menselijke geest werpt allerlei obstakels op. Voor een mens echt op reis gaat is er heel wat water door de zee gegaan. Hoe zou dat psychologisch in elkaar zitten? Daar moet mevrouw Bulte toch eens over nadenken.
Mmm. Het zijn wel kleine priegellettertjes. De lettertjes dansen een beetje voor haar ogen.
Maar dat maakt het juist levendig. Alsof ze niet langer in het gelid willen, maar aangewakkerd door het verhaal, ook op reis willen.
Wanneer hij zondag vertrokken is en het is nu
Zondag een week later beschouwt hij landschappen
Die hij nog niet eerder heeft gezien
O jee, nu springen ook steeds de woorden door elkaar. Het is wel moeilijk lezen, want de zinnen beginnen niet op hun eigen regel. Er gloort een hoop in mevrouw Bulte. Zou zij nu ook niet zoiets kunnen schrijven? Het ziet er zo eenvoudig uit. Het is toch Nederlands en zijzelf kan putten uit dezelfde woordenschat. Nu ja, in bescheiden mate dan.
Ze leest de rest langzaam hardop. Mevrouw Bulte vindt dat ze een mooie stem heeft.
Het is een bedauwde ochtend in het voorjaar
De omgeving waarin hij zich bevindt is gehuld in
Ochtendschaduwen
Later die morgen neemt de zon in kracht toe
De schaduwen verdwijnen en nevelslierten
Veroorzaakt door het dampende vocht in het gras
En op de bladeren van de struiken
(hier hapert mevrouw Bulte even, ze snapt het niet helemaal.)
Kringelen omhoog
Zijn blik verruimt zich
En zware zoete geuren dienen zich aan
‘Zo, zo,’ denkt mevrouw Bulte.
Voor hem ziet hij een heuvelachtig landschap ontluiken
Hij ziet groepjes bomen en een slingerende landweg
Waarover boerenkarren naar de velden gaan
De grote wereldruimte ligt voor hem
Wie er in geslaagd is op reis te gaan is een reiziger
Hij is niet thuis
Hij is een reiziger
‘Ja, jongen’, denkt mevrouw Bulte meewarig. ‘Dat valt niet mee. Maar je lèèft toch maar. Je
bezichtigt iets, wat je helemaal niet bezichtigen màg. Terwijl jij thuis hoort te zijn, loop je
stiekem in een Italiaanse prent rond als een ontdekkingsreiziger. Je hebt het lot verslagen. Is dat niet het allerhoogste? Ze leest hardop verder met een overdreven keurige televisiestem. Ze voelt zelf dat ze dat buitengewoon goed doet:
Tegen het middaguur de zon staat hoog en het is erg
Warm begint hij plotseling te huilen
Hij vindt het niet leuk meer om op reis te zijn
Luid snikkend zet hij zich tegen een boom
Driftig stampt hij met zijn rechtervoet op het gras
Hij wil naar huis hij wil geen reiziger meer zijn
‘O, God, hij wil naar huis,’ denkt mevrouw Bulte. Hij heeft blaren en wil hij even op de bank liggen. Maar dat kan nu niet. De natuur zit hem te dicht op de huid en zijn ogen branden, en hij kan nergens rust vinden. O, o, wat naar nu!’ Mevrouw Bulte ziet het tafereel voor zich; de felle zon, die vijandig prikt en het water dat overweldigend glinstert.
Ze kijkt rond in haar dierbare kamertje en beseft dat zij wèl een lekkere bank heeft waar hij
even op zou kunnen rusten. Een van de grootste rijkdommen op aarde. Ze is een beetje naar
van geworden, maar leest verder:
Tegen de avond terwijl de schaduwen langer en
Langer worden bedaart hij en staart peilloos
Naar de slingerende landweg die voor hem ligt
Uiteindelijk wanneer het volledig donker
Geworden is dommelt hij langzaam in
En de diepe genezende slaap
Die hem door de nacht voert
Neemt al zijn verdriet en woede weg
Stommelend loopt mevrouw Bulte weg. Ze moet vreselijk plassen. Dat moet ze altijd als ze
ergens helemaal vol van is. En het gekke is, dat zij niet weet wie die reiziger dan wel is. Niets, niets weet ze van hem. En toch is hij haar zo ongelooflijk vertrouwd. Dat is nou het geheimzinnige van de kunst, vindt mevrouw Bulte. Je kunt je vinger er niet opleggen. Hoe heeft die gozer dat voor elkaar gekregen? Ja, zucht mevrouw Bulte. Kunstenaars, hé? Mensen worden niet zomaar gedrukt. Daar moet je wat voor in je mars hebben. Zijzelf krabbelt maar wat. Dat mag geen rechten hebben.
Maar nu heeft ze wel een klein sleuteltje gekregen. Een sleuteltje tot de kunst. Jawel! ‘Het zijn kleine schilderijverhaaltjes!’, denkt ze triomfantelijk. Want ze is ook niet achterlijk. ‘Dank je wel, Engelhart!’
‘Die naam is natuurlijk een pseudoniem ’, denkt mevrouw Bulte. ‘Niemand heet zo.’ Dat ligt er wel weer wat dik bovenop. Maar goed. Vergeven en vergeten. Morgen gaat ze het ook proberen.
Nu niet, daar is ze te uitgeput voor. Ze kan zelfs geen gedicht meer lezen. Je gaat ook geen drie Nachtwachten na elkaar bezoeken. O, wat ligt ze heerlijk op haar bank. Het grote wereldruim kan haar gestolen worden.
‘Ja, ja meneer, het valt soms allemaal niet mee, niet?’
Mevrouw Bulte gaat in het park naast een meneer zitten, die een beetje boosaardig met zijn
armen over zijn borst gekruist zit.
‘Och,’ zegt hij en hij zwijgt.
Hij heeft een piepklein kruisje van goud in zijn revers. Christelijk noteert mevrouw Bulte meteen.
‘U bent een beetje ongezeglijk vandaag. Geeft niet, hoor. Niets menselijks is mij vreemd,’ zegt mevrouw Bulte vriendelijk.
Als de man zwijgt, zegt ze:‘Was dat niet een uitspraak van Christus?’
De man haalt zijn schouders op. ‘Zal wel,’ zegt hij nors en blijft met zijn blik een jogger volgen die voorbij rent.
‘Ja,’herneemt mevrouw Bulte tegen beter weten in, ‘Ik weet weinig van de Bijbel, want ik ben na een jaar van het christelijk school gegaan, maar sommige uitspraken herinner ik me nog wel.
‘Zo, dat is mooi,’ zegt de man.
‘Al zijn uw zonden zo rood als scharlaken, zij zullen u vergeven worden! Dat vond ik toch zo’n diepe wijsheid!’
‘Ken ik niet.’
‘Heeft me ook wel door het leven geholpen. Want wie zondigt er niet? Maar dan zei ik, Stien, al zijn je zonden zo ròòd als scharlààààken…’
‘Ja, ja,’ zegt de man.
Mevrouw Bulte begint de man af te schrijven. ‘Dit is een heel benepen kereltje,’ denkt ze.‘O, kijk hem maar eens goed aan.‘
De man neemt nu een katoenen zakdoek uit zijn zak. Tot op de millimeter gewassen en
gestreken. Mevrouw Bulte krijgt visioenen. Een echtpaar op de fiets. Een huis waarin niets
ontbreekt.
De man wordt steeds roder in zijn gezicht. Hij houdt de tanden stevig op elkaar en gebruikt de zakdoek om zijn schedel af te wissen.
Hij rochelt binnensmonds.
‘Bent u wel helemaal in orde?’ vraagt mevrouw Bulte.
De man rochelt verder, maar zwaait met zijn zakdoek. Stien begrijpt, dat hij iets wil zeggen.
Als de hoestbui voorbij is, komt het er eindelijk uit: ‘Lou-te-rings-berg,’ zegt hij stikkend.
‘Ik begrijp het,’ zegt Stien zacht. ‘U komt uit Limburg?’
‘Welnee, ik kom van hier vlakbij,’ roept de man geïrriteerd. ‘Ik had het over de Louteringsberg, de plek in het vagevuur, waar we allemaal gelouterd zullen worden.’
‘Gelouterd. Ja, meneer, dat heeft u mooi gezegd. Het leven is een loutering.’
‘Nee, niet het lèven’ , roept de man nadrukkelijk. ‘Na de dood, mevrouw, dan begint het pas.
Dan worden we allemaal gelouterd. In een soort hel, maar het is nog lang niet de echte hel.’
‘Staat dat allemaal in de Bijbel?’
‘Natuurlijk.’
‘Maar dat is afschuwelijk,’ denkt mevrouw Bulte. De schoonheid van het park krijgt opeens iets beduvelends. Al deze heerlijke zuurstof, zonlicht en kleuren, het is niets anders dan een soort reclamespot voor iets heel onkooshers.
‘Nou, meneer dan ga ik maar,’ zegt mevrouw Bulte. Ze staat wat wankel op en loopt vervreemd door het park van illusie. Bij de uitgang komt haar de geur van kroketten en patat tegemoet.
Daar kikkert ze wat van op.
‘Ach,’ denkt ze. ‘Die man kent de Bijbel helemaal niet. Dat bestaat niet. Zo onmenselijk kan
God niet zijn. Jezus nam zelfs de grootste zondaar op.’ De mensen in het park veranderen zich voor de ogen van mevrouw Bulte in louter zondaren. Een diepe liefde welt op in haar gemoed.
Ze wil alles en iedereen in een bad van vergiffenis aan haar hart drukken. ‘Al zijn jullie zonden rood als scharlaken, hoor stakkers. Zij zullen jullie vergeven worden,‘ roept mevrouw Bulte bijna hardop.
Als je niet meer op je eigen gedachten kunt vertrouwen, denkt mevrouw Bulte verbitterd, wat is het leven dan nog? Ze ligt al een half uur onbeweeglijk op bed. Al worden haar benen wel erg koud, ze heeft geen zin om een deken over zich heen te leggen.
Nee, Stientje, denkt ze, het is goed mis met je. En er is ook geen perspectief dat dat ooit beter zal worden. De
onnozelen mogen dan zalig zijn, mevrouw Bulte is net niet onnozel genoeg. Ze wéét dat er een weeffoutje in haar zit.
Iedere keer als ze haar mond opendoet is het of ze in een brandgevaarlijke hooischuur met lucifers speelt. En ze heeft nogal dat spontane, he? Was ze nou nog een zwijgende introvert, dan zou ze
minder aanstoot geven.
Van de week kreeg ze weer een uitbrander van Gerard. En dat kan er zo zwaar inhakken. Het is gewoon absurd. Kijk nu, hoe ze er al dagen bijligt.
En hoe mevrouw Bulte het ook probeert. Ze kan met de beste wil ter wereld zijn gelijk niet zien. Toch staat dat gelijk levensgroot tussen hen. En ja, mevrouw Bulte weet het wel. Ze mag haar eigen gedachten niet geloven. Volgens haar omgeving mag ze dit gerust als een feit aannemen: Zij heeft altijd ongelijk.
Een W.F. Hermans was ook niet bang zo een soort stelling te poneren. En dat was niet een van de minsten, hoor!
Laat ze zich er maar bij neerleggen. Mevrouw Bulte doet het altijd fout. En al zou ze het niet mis hebben, zolang anderen haar met valse argumenten kunnen benevelen en zij zich daar niet tegen beschermen kan, blijft de uitkomst hetzelfde; Ze is een zware kneus.
Hoe nu verder? Het lijkt net alsof dat ze haar levensboek afgesloten heeft, maar er nog een warrig hoofdstuk bij moet van het lot.
Ze zal eerst maar eens een kopje thee zetten. Muziek aan. Ze moet het allemaal nog even verwerken. De echte pijn heeft ze de afgelopen dagen gehad. Nu is er alleen een gevoelloos vacuüm over, waarin ze nauwelijks adem kan halen.
Ze zou wel eens een hersenonderzoek willen. Een scan. Dat kunnen ze tegenwoordig best. Het zal wel helemaal vermolmd zijn in haar schedel. Grote gebieden beschimmeld. Kijk, dan is een mens toch niet toerekeningsvatbaar? Waarom straft iedereen haar dan steeds?
Ze kan het toch nooit goed doen. Of haar woorden worden verkeerd geinterpreteerd, of ze vergeet zelf na een seconde wat ze gezegd heeft, waardoor er verwarring ontstaat of ze begrijpt de ander niet. Het is altijd wat. Dat is toch geen leven zo?
Lief zijn voor jezelf, Stientje, denkt mevrouw Bulte. Jij weet immers dat je het niet kan helpen. Wees maar je eigen mantelzorger. Wees je eigen zorgboerderij. Wieg jezelf maar zachtjes.
Zo is het toch. Er is geen schaamte in het oud zijn. In het krom zijn, In het onmenselijk lelijk zijn. Mevrouw Bulte probeert zichzelf moed in te spreken.
Kom Stien, probeert ze het opnieuw, je bent deel van de wereld. Al is een boom verzuurd en zijn de takken kaal, het is nog steeds een boom. Zo is het leven. Het is onderdeel van het bestaan. En als een ander dat niet ziet, als die maar zit te vitten op het gevallen blad, dan is dat zijn probleem.
Mevrouw Bulte kijkt met wijdgeopende ogen, die nog maar mooi van alles waar kunnen nemen, de kamer rond. Kijk, zegt ze tegen zichzelf. Dit is het leven. Al die moleculen die de materie gevormd hebben tot die kleding op de stoel, de spiegel en de gordijnen zijn er het statige bewijs van dat je bestaat. Daar heb je eigenlijk geen gedachten voor nodig.
Mevrouw Bulte kijkt en kijkt en begint nu ook duidelijk te horen. De klok tikt de seconden voorbij. Zie je, denkt mevrouw Bulte, alle zintuigen doen mee om de boodschap over te brengen. Je bestaat, maar het is niet voor eeuwig. Maak er dus wat van Stien.
Maar ik krijg altijd zo op mijn kop! tuimelt een tegendraadse gedachte opstandig in haar op en ze zet ongegeneerd een pruillip op. Gemenerikken.
Toe maar, denkt mevrouw Bulte. Doe er nog maar een schepje bovenop. Je bent toch al zo een kneus. Ga jij je nou ook nog verliezen in zelfgekozen kindsheid?
Nee, schudt mevrouw Bulte haar hoofd, maar haar lippen blijven boos op elkaar geklemd.
Nou dan! gaat ze onverstoorbaar verder.
Je moet hier niet in blijven hangen! Ze zweept zich zelf op, maar geen teen komt in beweging.
Kom op. Maak dan dat kopje thee. Dans!
Maar mevrouw Bulte wil niet. Liever ligt ze in een holletje onder een dekentje. Ze trekt zelfs het dekbed van het voeteneind af en gaat er helemaal onder liggen.
Ze probeert zich zo klein mogelijk te maken. Ze voelt de warmte van haar eigen armen. Ze ervaart zelfs het libido van haar eigen lippen.
Lekker helemaal bij jou, denkt ze, maar dat is weer zo’n gedachte in het luchtledige. Bij wie dan? Dit is van de gekke, denkt ze. Met een schok trekt ze de deken van haar gezicht weg. Wie zal je hier van redden als je het niet zelf doet? Op bed liggen zal je niet helpen. En de bevrediging komt nooit en te nimmer, hoor! Je kunt de tijd niet inhalen. Kom toch, meisje. Laat God maar over je oordelen. Misschien is hij wat genadiger dan het mensdom. Hij kent immers het hele verhaal. Kom maar, kom maar en het is of ze zichzelf zachtjes bij de hand neemt als ze door de gang schuifelt.
He, zie je wel, het is best gezellig in de huiskamer. Weet je wat, ze zal de televisie aanzetten. Gaat ze eens lekker naar anderen kijken. Eens zien of die dan zo scherp zijn.
He nee, driewerf nee, wat zijn dat voor gedachten! Dit moet ze onmiddellijk de kop in drukken. Jouw gedachten zijn immers maar een illusie, Stien Bulte, zegt ze streng tegen zichzelf. Wat jij denkt zal geen enkel wezen op aarde een millimeter transformeren.
Zoals ook de gedachten van anderen mij nooit hebben kunnen transformeren, denkt mevrouw Bulte opeens. Ze roepen maar wat en ze hebben maar wat raak gedacht. Ha ha. Ze veert weer op.
Zo is het Stien, denkt ze mild. Laaf jezelf maar met je gedachten, want een ander kàn het niet, zelfs al zou hij het willen.
Wat is den Helder toch een vreemde stad, denkt mevrouw Bulte. Ze komt er nu al meer dan veertig jaar maar het is nog steeds of ze in een legostad van een spelend kind terecht is gekomen, dat maar niet kan beslissen hoe de hoofdlijnen van de stad er precies uit moeten zien. Iedere keer als ze er komt wordt er druk gebouwd en afgebroken. En ze is al heel wat keer geweest omdat ze meermalen per jaar naar haar zuster gaat. Ze loopt in de ijskoude winternacht naar Jans haar woning. Het is vrij schaars verlicht op de gracht, maar het heeft toch iets van de allure van een gracht in Haarlem of Groningen. Maar ga je de hoek om dan sta je in eens in Beverwijk, in een te optimistische brede winkelstraat, die decennia na de bouw nog steeds niet goed in zijn jas past. De uitbundige verlichting van de reclameborden heeft bovendien iets ongepast in de verlatenheid van de avond zodat men er zo snel mogelijk door heen wil wandelen.
He, denkt mevrouw Bulte, dat Jans vanavond perse naar klaverjassen wilde. Ze hadden toch samen uit kunnen gaan? Werd notabene de stadsdichter geinstalleerd in de gallerie van Den Helder.
Mevrouw Bulte is in haar nopjes. Wat een gegoed publiek. De creme da la creme van Den Helder. Haar hart gaat uit naar deze mensen, die door te ver doorgevoerde pioneersdrift per ongeluk in het uiterste Noorden terecht gekomen zijn, waar ze afgesneden van de beschaafde wereld, coute che coute de cultuur in ere willen houden. Het zijn volgens mevrouw Bulte allemaal dichters. En het zaaltje zit stampvol hoor! Dat is toch bovengemiddeld veel. En daar nog bovenop een eigen stadsdichter! den Helder heeft meer dichters heeft dan inwoners, bedenkt ze. Dat is een uiterst charmant idee, dat mevrouw Bulte in verrukking brengt maar haar persoonlijk niet verder brengt want mevrouw Bulte hier helaas bijna niemand. Zo kent ze meneer Leibrand slechts van een uitvergroot gedicht op de stadsmuur en de nieuwe Jack Beneker helemaal niet. Daarom is het zo interessant om zo’n avond mee te maken. Wat een stem! En dat terwijl de toegang gratis is!
Kees Engelhart is ook aanwezig, o zaligheid der zaligheden. Hij staat een beetje achteraan maar mevrouw Bulte weet het wel. Hij staat te praten met een succesvolle snel-dichteres, Mevrouw Bulte meent dat ze Berty heet. Ja, dat zijn pas mensen! Ze staat zo dicht naast hen tijdens de pauze, dat ze hen bijna aan kan raken. Ze lijkt wel een groupie! Maar ja, er het woord toerichten, dat gaat natuurlijk niet. Het lijkt wel of er een druk op haar bol staat die alle rationele gedachten op rigoreuze wijze uitschakelen. Maar wat wil je ook, de belangrijkste meneer van het stel zei, ten overstaan van iedereen, dat Kees Engelhart de enige echte dichter van den Helder was! Nou, dan heeft mevrouw Bulte er toch een beetje verstand van. Van hem kent ze zijn proza!
O, wat zou ze hem graag aanspreken. Als Jans meegegaan was, dan was dat gelukt. Maar als je zo alleen bent, dan durf je dat niet. Alleen mevrouw Leenschat van Bodegraven kent ze daar en daarmee heeft ze na afloop nog leuk gebabbeld.
Mevrouw Bulte weet het niet zeker, maar het scheen haar toe dat mevrouw Leenschat van Bodegraven een beetje teut was. Er sloeg steeds een warme walm uit haar mond. Dat vond mevrouw Bulte helemaal niet erg. Mevrouw Leenschat is nu eenmaal een vrouw van de wereld. En zelfs aangeschoten blijft ze heel beschaafd.
Maar Stien laat zich niet verleiden tot drankjes. Ze zou niet durven, zo brutaal een glas aan haar mond te zetten en daar te gaan zwieren of ze de wereld in haar zak heeft. Driewerf neen, ze komt toch voor de poezie! En poezie kwam er voorbij hoor. Het ene gedicht naar het andere werd gereciteerd. Ottelenooie, er kwam bijna geen eind aan.
‘Nu komen we bij het kardinale punt,’ fluisterde mevrouw Leenschat van Bodegraven opeens, terwijl de ceremonie nog aan de gang was, ‘Het is Brumming.’ Haar ogen flikkerden boosaardig.
Mevrouw Bulte begreep er niets van en knikte maar wat.
‘Brumming staat het niet toe.’
‘Wat staat Brumming niet toe?’
‘Hij staat niets toe.’
‘Engelhart is toch de aangewezen persoon.’
Wat brabbelde mevrouw Leenschat van bodegraven toch. Kees Engelhart zag er zeer patent uit.
‘laat het hen dat maar zelf uitzoeken.’
‘Hij is geen vrij man meer. Die Brumming bepaalt alles. Hij moet hem een wurgcontract opgelegd hebben.
Welnee, Engelhart gunde het een ander heel hartelijk. Hij lachte geanimeerd. Dat zag mevrouw Bulte op een kilometer afstand.
Mevrouw Bulte vond de gedichten van de nieuwe stadsdichter erg mooi en dan zo mooi voorgedragen met die stem en muzikale omlijsting.
‘Wil jij soms geen echte gedichten? Zei mevrouw Leenschat en ze keek mevrouw Bulte recht in de ogen aan.
Mevrouw Bulte schrok. Die ogen leken te vragen of ze wel bereid was voor de goede zaak te sterven.
Sst zei ze daarom. Want nu kwam nog iemand voordragen. Het was een knappe man met een potsierlijke ketting om. He, wat jammer dat Jans dit nu miste. Jans hield wel van een kettinkje. En over een mannenborst maakt het nog meer bijzonder. Mevrouw Bulte maakte op uit de entourage dat het om een ambstketen moest gaan. O God, de burgemeester! Ja, die grijze massa deed het nog!
Maar het was tegelijkertijd moeilijk te geloven. ‘Laat mij nu maar de stad besturen en de dichters dichten.’ zei hij. Zo een zin is alleen voor te stellen in een kindervoorstelling, waar in de koning geen gene heeft voor zijn rol. En hij had het over rijmen en Sinterklaas. Het was gruwelijk. Zo zie je toch maar, he.denkt mevrouw Bulte. Die hele dichtkunst gaat zo’n man de pet te boven. En hij is de burgemeester van een stad vol dichters!
Steels keek mevrouw Bulte naar Kees Engelhart die zich bescheiden op de achtergrond stond. Nu als het werkelijk de schuld is van die ene Brumming, dan begrijpt mevrouw Bulte het wel hoor. Dichters moeten schrijven en niet in zo’n poppenkast gehuldigd worden door mensen die in geen honderd jaar de essentie begrijpen. Mevrouw Bulte snuift. Nee, dat heeft die redacteur goed begrepen.
Wat moet een dichter met een stropdas? Daar heeft mevrouw Bulte meteen nare associaties bij. Het hele tafereel leek zich af te spelen in de tijd van Dickens. En mengeling van volksvermaak, kunst en hypocrietie gaven die gedenkwaardige avond een karikaturaal tintje. Maar heeft Shakespeare het al niet gezegd, we moeten allemaal het toneel op en het spel moet worden gespeeld. Laten we dan maar mild zijn in het lieve leven. Met die nieuwe troubadour zal het in Den Helder er zeker niet op achteruit gaan. Nee, het is een echte aanwinst.
Vandaag zit mevrouw Bulte lichtelijk in de benauwenis. Ze houdt het vol door bewust adem te halen. In uit, in uit.
Ze tuit haar lippen en laat de lucht als een fluitketeltje ontsnappen.
Wat haar stoort is dat de voorwerpen in de kamer maar steeds zo onbeweeglijk blijven staan en nooit zelf eens ergens aan draai aan geven. Dat is toch zo naar. Kijk hoe het deksel van de pan op de grond ligt, op haar knop nog wel en toch geeft zij geen kik. Uitgetold ligt zij met haar hoepelrok in de lucht. Verder liggen de brieven en de kledingstukken ineengedoken als schuldige proppen op de bank. En dan de hele tafel vol met een allegaartje van objecten. Er valt geen lijn in te ontdekken.
Alleen buiten beweegt er wat. Mensen die langslopen en bladeren die zachtjes heen en weer wiegen. Anders zou je nog gaan geloven dat je in een soort van doodskist woont, waar alle dingen je roerloos uitlachen. Wij zullen jou vandaag eens volledig negeren, Stientje Bulte, lijkt de kersencompôte te zeggen. Met het etiket half van haar weggedraaid is het alsof het potje haar opstandig de rug toekeert.
Mevrouw Bulte zucht, staat dan wankelend op en bukt om een deksel op te rapen. Hoe die daar nu terecht gekomen is? Ze kan zich niet herinneren iets te hebben laten vallen. Ze gooit het deksel kletterend in het gootsteenkastje. Ziezo. En dat is één. Maar, o, o, wat is het hopeloos. Ze laat zich snel weer in de stoel vallen. Hier is wel een uur flink werken nodig. Bukken, strekken, met water in aanraking komen. Misschien je wel verbranden. Hoe heerlijk zou het zijn als de kopjes vanzelf gingen rinkelen!
Stel je voor, Stien, zegt ze tegen zichzelf, dat je maar even met je ogen hoeft te knipperen en dat alles goed zou zijn. Zou diezelfde verstildheid in het huis je dan ook zo’n verstikkend gevoel geven? Ze knijpt heel hard haar ogen dicht en opent ze weer.
Ze ziet hoe de tafel glanzend leeg is en haar uitnodigt er een boekje op te lezen. Haar aanrechtje blinkt opeens geheel ontdaan van afwas in de dageraad. Ja. Daar wil ze wel een aardappeltje bakken. De bank vrij van bulkgoederen nodigt haar uit er languit op te gaan liggen.
Dit is een duidelijke uitkomst van een duidelijk experiment. Zo zit het dus. Jij voelt je tegengewerkt, Stientje, omdat je spulletjes zichzelf niet in het gareel zetten, denkt mevrouw Bulte, maar ach, dat kunnen die stakkers toch helemaal niet!
Kom op. Aan het werk. Je krijgt twintig minuten. Met muziek. Niet te mooi, want dan verlies je je erin. Maar een vrolijk deuntje mag vandaag. Ze draait energiek aan de radio. ‘Doe iets!’ klinkt het zachtjes. Hé, dat is eng. Het is alsof de radio precies weet wat er in mevrouw Bulte omgaat. ‘Doe iets! Van tederheid. Doe iets, wat niemand begrijpt,’ klinkt het.
Oh, oh wat schitterend mooi! Mevrouw Bulte krijgt er warme wangen van. Ze probeert met man en macht zich uit de stoel te verheffen. Het lukt haar al om op het ritme heen en weer te bewegen.
En ja hoor, daar staat ze rechtop. De stoel blijft koppig achter. Het is maar goed dat onze lieve Heer het zo geregeld heeft, bedenkt mevrouw Bulte. Stel je voor dat alles zichzelf maar bij de eerste de beste luim in beweging zou zetten. Je zou ze zien vliegen! Dat roerloze is juist een teken van dienstbaarheid. Ze wachten geduldig totdat jij ze met liefde, met LIEFDE, een plaatsje geeft. Een eigen plekje. Zodat ze er mogen zijn in deze wereld.
Mevrouw Bulte is ontroerd door haar eigen gedachten. Dat geldt in zijn diepste wezen toch ook voor haar! ‘Door anderen te dienen krijgt de mens zijn plaats.’ Is dat geen bekend spreekwoord? Ze haalt diep adem en gaat aan het werk. “Jongens, zegt ze tegen haar bruine schoenen, die in het gangpad liggen ‘In het meterhok! Dat is jullie voortaan jullie plaatsje!’ En zo gaat ze voort, ze benoemt hardop ieder voorwerp en vindt er liefkozend een plaatsje voor. Zo creëert ze haar eigen maatschappelijk werk. Mevrouw Bulte is verwonderd hoe snel haar huisje zichzelf opruimt. ‘Als je me nu, wat een ontdekking! Keurige huisvrouwen zijn eigenlijk alleen maar een beetje gek,’ schudt zij haar hoofd. Buiten beginnen de vogels te zingen.
‘Dag van de myopia’ ziet mevrouw Bulte in een krantje staan. En op de volgende pagina; Wereldzieltjesdag. Iedere dag wordt er wel iets gevierd. Het zijn de nieuwe fenomenen van deze tijd. Soms is mevrouw Bulte verwonderd en ook wel dankbaar dat ze nog steeds leeft en iets van de komende eeuw mag proeven. Want straks wordt dat heel gewoon. ‘Elke dag, Bejaardendag’ of nog beter, misschien komt er voortaan een heuse Stientjesdag in Oktober. Dan delen ze bij de HEMA Stientjetaarten uit van sinaasappelbavarois. Mevrouw Bulte grinnikt. Er is toch een gewiekste zakenvrouw in haar verloren gegaan. Dat zal ze leren altijd haar verjaardag te vergeten.
Maar ach nee, die dagen zijn wel grappig, maar ze hebben ook iets vermoeiends. Je krijgt er zo een jachtig gevoel ervan alsof je je agenda moet volstouwen met verschrikkelijk belangrijke dagen waarvan je er niet éen mag missen. Zoiets is toch meer iets voor de Koningin. Al die lintjes zijn handenbindertjes, hoor. En dat zoiets nu ook voor het volk beschikbaar is. Mevrouw Bulte verbaast zich er over. Het is het toppunt van de welvaart. En toch, als je alle dagen en nachten van het jaar zou bijhouden, zou je misschien wel een beetje kunnen doordraaien. Kijk, hier staat het weer een. Dag van de Huisomroep. Een aap zou er mee kunnen vlooien. Maar hoe kan het toch, he? Misschien hebben verschillende instellingen op precies dezelfde dag hun feest. Nou, dat zou zoiets zijn als twee Oscar-actrices die dezelfde jurk aan hebben. Dat schijnt men toch zo gênant te vinden. Hoeveel mevrouw Bulte daar ook de logica niet van inziet. Waarom zou een mens niet dezelfde jurk aan mogen hebben? Maar ach, er is zoveel waarvan mevrouw Bulte de kwintensens niet snapt.Zij is zich daar bewust van hoor en ze zal daarom niets ter discussie stellen.
Tenminste niemand anders schijnt het dom te vinden. Maar in haar eigen huis mag mevrouw Bulte toch wel denken wat zij zelf wil? Al die dichters van het jaar, het krioelt ervan! Zelfs bij haar geliefde uitgeverij de Manke God zijn ze aangestoken met het virus. Th.Brumming hoofdredacteur van de eeuw. Puh! Hoe vallen zulke dingen te vergelijken? Alsof God een dag van de roos gecreëerd heeft. Of een dag van de lelie. Nee, hoor, elke dag heeft zijn eigen kwaad. Er zijn toch wel duizenden bloemsoorten. Dat is het kwalijke van de zaak. Er zullen altijd vergeet-mij-nietjes niet voren geschoven worden en in de schaduw moeten blijven van het geweld van een Rododendron van het jaar. En voor wie zijn al die wedstrijden zonder feitelijke krachtmeting nu eigenlijk? Wie heeft er profijt van? De winnaar. De rest staat te klappertanden in de kou. De enige oplossing is dan maar je eigen dag te bedenken..
Het is of de mensen geen onderscheidingsvermogen hebben. Mevrouw Bulte zal het maar niet hardop zeggen. Maar ze vond het van begin af aan al raar. Het is begonnen met die beertjes, weet mevrouw Bulte. Daar keek toen nog iedereen van op. Dag van de knuffelbeer. Mensen kwamen van heinde en verre met hun beer. De beer werd verheven tot nationaal knuffeldier. De beer mocht mee naar Artis, de beer mocht zijn Paddingtonjas aan, de beer kreeg zijn eigen slaapliedje. Ook werden er koekjes gebakken. Het was gewoon absurd. Toch waren er wel honderduizenden die zo gek waren om te geloven dat de beer als het ware leefde. Omdat ze zelf met die beer als een soort nepmoeder door de peutertijd gesleurd hadden. Dus hoe onschuldig is zo’n dag? Maar mevrouw Bulte wil er niet eens over speculeren. Voor je het weet vinden de mensen je een beetje vreemd.
Hè, heerlijk, die zonnestralen, denkt mevrouw Bulte. Ze ligt nog op bed, maar de zon staat al hoog aan de hemel. ‘Wat ben je weer lui, Stientje Bulte. Kijk, de zon eens, die laat geen dag verstek gaan.’ Maar mevrouw Bulte ligt zo heerlijk. De hele kamer straalt iets paradijselijks uit. Ach, de zon komt gewoon even op bezoek. Hij omvat haar gezicht met twee warme handen. Mevrouw Bulte gluurt door haar halfgesloten oogleden die rood en helgedempt licht doorlaten. Hee, nu herinnert ze zich iets. Zo lag ze als klein meisje ook op zolder. Haar geheugen moet indertijd digitaal een foto hebben gemaak, want ze ziet alles nog zo voor zich. Het hout, het ijzeren bed. De robuuste po van pa onder het bed. Toen had die kamer al iets existentieels, want knipperen in de zon heeft iets van kiekeboe spelen met het bestaan zelf, denkt mevrouw Bulte. Dat een kind zoiets kan voelen. Ze weet het opeens weer precies. Dan kietelde er iets in haar, een gevoel van deemoedigheid en grandeur, van vreugde en van herkenning, bloedjong was ze nog.
Dat ze nu zeventig jaar later weer precies dat gevoel kan krijgen. Alleen die zon en zij, samen op bed. Voor iets anders is geen ruimte. Geen herinnering, geen beeldenstroom van al wat zij gekend heeft in haar leven. Geen kennis en geen vragen. Als een vingerafdruk op een vinger past haar gevoel op dat van toen. Zij speelt weer met de zon en vader en moeder zijn beneden aan het rommelen. Tijdloosheid is de glimlach op het gelaat van de tijd, dicht mevrouw Bulte zomaar uit het vuistje.
Maar ach, al dat gefilosofeer trekt haar teveel in de indolentie. Daar zal mevrouw Bulte snel een stokje voor steken. Ze stapt met haar beide beentjes uit bed. Ze probeert ze stevig op de grond ze te zetten als een olifant die weet wat hij wil. Ziezo. Eerst maar eens een kopje koffie maken. Ook weer zoiets verrukkelijks uit het menselijk bestaan. Soms heeft een mens het zo goed dat er iets dreigends om heen gaat hangen. Dat moet doorbroken worden door nuchterheid en vlijt. Vandaag zal ze profiteren van het mooie weer en eens de voordeur soppen. Dat zal de wereld weer in zijn balans trekken. Bovendien is er niets schoners dan een heldere huisvrouw. Al dat gewerk is een eigenlijk een soort vredesoffer naar de rest van de mensheid toe, bedenkt mevrouw Bulte. U zult aan mij geen aanstoot nemen. Mevrouw Bulte voelt zich zo licht vandaag, dat ze openlijk wil getuigen van haar verbinding met allen die hun ramen zemen.
Maar ach, daar schuift een wolk voor het zonnetje. Gek hoe dan ook haar goede voornemens meteen in de schaduw worden getrokken. Een bewolkte hemel noopt meteen tot binnenblijven en een zekere roerloosheid. Maar dat is gewoon de natuur. Hagedissen bijvoorbeeld doen dat ook. Vandaag is toch alles toch al scheefgelopen. Mevrouw Bulte laat de boel de boel en gaat languit op de bank liggen en zakt weg in een koesterende slaap tot de zon ondergaat.
Het is een prachtige avond. Mevrouw Bulte loopt ergens in dromenland. Hoge sprieten gras staan twijfelloos en fier langs de waterkant en omdat er hier geen bebouwing is, heeft het landschap iets tijdloos. Hoe elke kiem hier zijn weg zoekt naar de zon. Alles ontspruit en schiet zo enthousiast op dat de gewassen elkaar haast verdringen. Zouden al die soorten gras nu een eigen naam hebben, vraagt mevrouw Bulte zich af. En ook de eendjes zijn weer als uit het niets opgedoken. Zoveel zie je er nooit in de winter. En dat zie je ook wel aan ze. Ze zijn hier echt te gast en schieten wat schichtig over het water.
Hier en daar zitten vissers aan het water. Om kalm te worden, weet mevrouw Bulte. Dat zijn de lessen der natuur die de mens ondertussen wel geleerd heeft. Dat hebben ze van de reiger af gekeken, dat is zo een bedaarde vogel. , dat moest wel komen door het getuur naar rimpels in het water. Zelf zou ze er geen seconde geduld voor hebben.
Ze wandelt door en vindt het niet erg, dat ze zomaar op onbekend terrein is terecht gekomen. In Nederland is niets ver van de bebouwde kom. Als ze aan het einde van deze weg langs het water gelopen is, vindt ze vast wel een bushalte. Hė, ze gaat lekker even in het gras zitten. Ze laat zich vallen in de berm. Ziezo. Even haar schoenen uit. Ze zet ze stevig op de aarde en laat denkbeeldig de hitte eruit wegvloeien.
De hemel is zelfs op dit late tijdstip nog hemelsblauw. Hoe heerlijk zit mevrouw Bulte. Normaal houdt mevrouw Bulte niet zo van bermen. Al dat gekrioel van piepkleine beestjes en die overdaad aan vormen in de kleur groen zijn haar veel te machtig. Vaak doet het haar ook op een vage manier pijn; zomers gras. Alsof er bittere herinneringen aankleven. Maar vandaag niet, vandaag is er geen zuchtje wind. De temperatuur is precies goed en de kleuren zijn gedempt en warm alsof de hemel de aarde even met zichzelf heeft toegedekt.
Dat dat groen zomaar uit het niets ontstaat, denkt mevrouw Bulte. Ieder jaar opnieuw. Dit gras was er al in de tijd van Napoleon en in de tijd van de hunnebedden. Het is onverwoestbaar. Dat gaat maar door. Straks als ik er niet meer ben, komt het weer even zo vrolijk op, hoor. Dat groeit letterlijk boven je graf. Het is alsof al die sprieten boven alle wetten staan. Kleine miertjes lopen over de tenen van mevrouw Bulte. Het is van een buitenaardse onwerkelijkheid. De vogels kwetteren hier ook anders. Niet zo dunnetjes als in Amsterdam, maar uit volle borst. Daarom is er ook zoveel ruimte nodig in de natuur. Want je moet maar tegen elkanders gekrakeel kunnen.
Mevrouw Bulte gaat languit in het gras liggen. Het is zo wild hier, dat niemand dat op zal vallen. Heerlijk is het. Zo vredig. Eigenlijk is dit een goed moment om te sterven, denkt ze.
Als je in zulke aangename atmosferen dood gaat, dan zul je daar lang profijt van hebben. Misschien blijf je wel altijd precies in die staat waarin je doodging. Maar dan zou iemand die op de Noordpool bevriest het voor eeuwig moeilijk hebben. En dat zou niet eerlijk zou zijn. Bovendien, als je je lichaam niet meer hebt, dan voel je niets meer, bedenkt mevrouw Bulte. Zelfs je hersenpan is voorgoed uitgeschakeld. Wat blijft er nog over als je niet meer kunt denken? Mevrouw Bulte probeert het zich voor te stellen. Maar ze hoort teveel geluiden om zich heen. Als je dood bent, doen je oren het ook niet meer. Hoe machteloos sta je dan. Maar ja, aan de andere kant, je hebt ook geen honger en dorst. Geen zorgen. Je hoeft je ook niet sociaal te handhaven, want je mededoden voelen ook niets. En dat is het natuurlijk, het paradijs. Je hòeft niets. Ver weg hoort mevrouw Bulte een brommertje. Zie je, snuift ze,
de bewoonde wereld heb je zo gelokaliseerd. Ze zal dadelijk maar haar weg vervolgen. Ze zucht om voldaan lucht te geven aan haar eigen verzaligde gemoed.
Er zijn van die dagen in het lieve leven, snuift mevrouw Bulte, dat je er gewoon klaar mee bent. Iedere keer als ze deze uitdrukking hoort krijgt ze een klein schokje. maar vandaag voelt ze de ware intentie van die woorden. Niet dat een mens echt ergens ooit klaar mee is, welnee. Het is slechts een aanzet tot een stroom van misnoegen. Gerard zit haar behoorlijk dwars. Want hoe vaak heeft ze zich al niet voor hem uitgesloofd, een hand boven het hoofd gehouden, hem vergeven, hem goedmoedig de koning laten voelen. Welnu, het is allemaal voor niets. En ze kan niemand anders dan zichzelf er de schuld van geven. Heeft hij soms om haar attenties gevraagd? Om haar gedichten? Om haar hoop en gedachten?
Niet alleen trekt hij zijn schouders op bij zoveel aandacht, hij heeft haar vandaag klinkklaar gezegd dat zij nummer 130 is in zijn leven. Nummer 130! Mevrouw Bulte briest. Niet dertig, of vijftig, dat zou nog redelijk zijn. Maar nummer 130! Ga maar een nummertje trekken, Stien, had hij temerig gezegd. Er zijn nog 129 dames voor u! Nou vraag ik je. Op zo’n moment dringt het niet tot een mens door, maar nu kookt mevrouw Bultes bloed. Je zou zo’n kerel toch! Ze was praktisch zijn verloofde!
Het is of ze stante pede genoeg heeft van een slagroomtaart. Uit met de pret. Wat zou ik me nog voor die kerel vernederen. Om een beetje gezelschap? Puh! Uiteindelijk heb ik de domme man niet nergens voor nodig! Wat dat is toch dom, om een lieve vrouw die tenslotte elf jaar jonger is zo af te kammen. Ze gaat zich lekker heel, heel mooi maken. Maar zo mooi, dat hij er van zal kwijlen! En dan zal ze dansen met Egbert Rendel, mijnheer van Soelt, Johan en de anderen. Hij zal er van lusten. Want Stientje is het zat! En ze wil hem misschien wel nooit meer aan haar zijde. Maar daar moet ze nog over nadenken. Het lijkt wel of ze alleen maar een soort aanhangsel is. Maar dan hoort ze Gerard lachen in gedachten, welnee, je bent de nagel aan mijn doodskist. Dat soort humor. Dat stompzinnige. O. ze is er helemaal klaar mee.
Dat een oud mens nog zoveel woede kan voelen, denkt mevrouw Bulte. Ze bijt haar tanden op elkaar en loopt als een getergde leeuwin de kamer op een neer. Ze pakt verbeten een stuk krant en schrijft met wilde letters in de marge:
Nare man
Schooier van de hoogste plank
geef je alleen maar stank voor dank
nare man
zul je eens leren
anderen te respecteren
dat leer ik jou strakjes fijn
als we met zijn tweetjes zijn
als het kriebelt ben je lief
kom maar Stientje, hartedief
maar het heeft niks om het lijfje
zoek jij maar een ander wijfje
Nare kerel
Blijf jij maar fijn
In je flatje
Stuk chagrijn
Met een bordje boven het gewelf
‘Nummer 130, dat ben ik zelf’
want elke dag van acht tot elf
leef ik alleen maar voor mezelf
Nare man
Dit was het dan
Wat zijn die wachtkamers tegenwoordig toch mooi, denkt mevrouw Bulte. Ze heeft bij toeval een zwart puntje opgemerkt en binnen een week zit ze in een dermatologisch centrum en het is net of ze de Voque is binnengestapt. De banken zijn er van onopvallend gouden bekleding. Alles ziet er beeldschoon uit.
‘Kom, laat ik hier maar eens een kopje koffie nemen uit de automaat, denkt mevrouw Bulte. Het is een gratis genoegen. Het apparaat is er zo een dat je maar vluchtig hoeft aan te raken. Ze is toch een half uur te vroeg dus kan ze een heerlijk in tijdschriften bladeren. Jammer genoeg, is het hier niet zo vrij dat je zomaar kan binnenwandelen, want anders had ze een stekje gevonden, hoor! Het is vreemd, maar ze heeft blijkbaar een legitieme reden hier te mogen zijn, maar het zwarte puntje kan haar niet verontrusten in deze wachtzaal. Haar hart zingt juist. De toiletten zijn natuurlijk ook uiterst modern. Van het soort dat je het gevoel geeft dat je droomt en er niet werkelijk bent. Toch komt die plas eruit hoor! Het is of ze met een voet in de toekomst zweeft.
Het is wonderlijk, hoe het leven in een tijdspanne van zestig jaar volkomen veranderd is, mijmert ze. En toch ook weer niet. Want zit daar niet Jacoba uit 1880. Ja, ze heeft kedinne kloften aan en je ziet de watten waarin zij gelegd wordt als een soort aura om haar heen hangen, maar verder ziet zij er precies zo uit.. Ze wordt zelf die oude tante, die haar vroeger zo eng en onwerkelijk leek. En de volgende generaties zal dat ook gebeuren. Mevrouw Bulte kijkt tersluiks naar de jonge meisjes aan de receptie. Ze voelen zich als een vis in het water. Ze lachen zich opgelucht een plaats in de maatschappij. Zelfs dat de zon buiten schijnt deert hen niet, doordat de rookglasramen de zon hooghartig buitensluiten. Mevrouw Bulte kan niet anders dan de architect complimenteren.
‘Mevrouw Bulte…?,’ vraagt een assistente aarzelend de zaal rondkijkend.
Ja, dat is zij. Mevrouw Bulte staat op, wat haar zelf verbaast. Er is toch nog een zelfstandig mechanisme in haar die
haar op prikkels van buitenaf doet reageren.
‘Neemt u even plaats, de arts komt zo.’
Maar zou de verzekering dit echt allemaal vergoeden? Het ziet er allemaal zo gelikt uit. Het is of ze in een resort terecht is gekomen voor plastische chirurgie.
De dokter die binnenkomt stelt zich onverstaanbaar voor en mevrouw Bulte zegt verlegen ’Stien’.
Hij weet al precies waarvoor ze komt. Alles wordt tegenwoordig electronisch doorgegeven. Dat gaat sneller dan het licht.
‘Zo even kijken,’
“Hoelang zit dat bultje er al?’
‘Nu, al wel zo’n twee jaar,’ zegt mevrouw Bulte, maar diep in haar hart weet ze dat het mogelijk wel vier jaar is.
‘En hoelang is het al zwart?’
‘Nu, dat is pas een paar dagen.”
De dokter schrijft alles in stilte op.
‘Ik zal het verwijderen en op sturen naar het lab om het te laten onderzoeken.’
‘Het zou fijn zijn als er nu een assistente op kwam dagen om me te helpen,’ zegt de dokter tegen niemand in het bijzonder.
Mevrouw Bulte moet op het hoge bed gaan liggen en laat alles maar gebeuren.
“Hier maak je herinneringen mee. Het zijn toch buitengewone wederwaardigheden, denkt ze.
Alsof de assistente helderziend is, komt ze bij toverslag binnen.
‘Dat apparaat om te tamponeren ligt zeker boven?’ vraagt de arts.
‘Ja,’ knikt de assistente.
‘Het wordt tijd dat we er nog een aanschaffen,’ zegt de arts. Nu heb je grote kans dat het bultje weer teruggroeit.’
Zo, denkt mevrouw Bulte lichtelijk bitter. Ze doen niet even moeite om dat ding te gaan halen. Omdat ik prinses Margriet niet ben, daarom.
Ze krijgt een prik in haar voorhoofd, die zij met veel levensmoed doorstaat, want het bultje zit vlak bij haar oog. Als ik maar niet blind wordt, denkt mevrouw Bulte nog. Alles kan toch? Een allergische reactie die nog nooit is voorgekomen..
Maar van het verwijderen merkt ze niets. Wel wordt de dokter een beetje geirriteerd omdat ze steeds naar het watje
grijpen wil.
Niet doen! Ik heb een vlijmscherp mes in mijn hand!’
‘Wat een afschuwelijk beroep heeft zo’n man eigenlijk. Ze rilt bij de gedachte aan al die uitstulpsels van huid. Straks staat hij met haar bultje in zijn hand.
Bij het opstaan wankelt ze wel even. Ze gaat weer keurig aan zijn bureau zitten, maar de arts kijkt zeer verbaasd op. ‘Het is klaar, hoor! U mag weer gaan.’
‘Over veertien dagen krijgt u bericht, goedemiddag.’ zegt de dokter nog. Mevrouw Bulte gaat nog maar even naar dat heerlijke toilet.
Het bultje heeft nog een merkwaardig vervolg bezoek aan de dure instelling voor dermatologie bewerkstelligd, Met vliegende vaart is mevrouw Bulte na de analyse ervan wederom uitgenodigd voor het nog verder verwijderen van de huid rondom.
En daar gaat hij weer. Mevrouw Bulte zal met gepaste levensmoed de behandeling ondergaan en is zenuwachtig op weg. Maar pieterjandrie! De bus gaat met een gigantische vaart langs het glazen gebouw waar mevrouw Bulte juist wezen moet. Stop! Roept ze en ze staat onhandig op in die gierende bus. Maar de buschauffeuse is onverbiddelijk. Ik kan u er nu niet meer uitzetten, mevrouw. Dat is veel te gevaarlijk. En er zijn voorlopig ook geen haltes meer. Mevrouw Bulte krimpt ineen. Ze had juist zo opgetogen zitten dromen, dat ze zo keurig op tijd zou zijn.
U moet maar met deze bus terug. Dat duurt nog ongeveer dertig minuten.
Dertig minuten! Ik krijg een operatie! zegt mevrouw Bulte verschrikt. Operatie is wat overdreven uitgedrukt, maar een ingreep is het dan toch! Die bult was maligne geweest en nu moet ze mooi nog een tweede keer ter snijtafel.
Maar er is geen oplossing. De bus stopt niet. Mevrouw Bulte gaat op het puntje van haar passagiersstoel zitten. Het wordt een tocht van vijfendertig lange minuten. Normaal gesproken zou West grafdijk haar wel kunnen bekoren, maar vandaag kan mevrouw Bulte op zijn hoogst zich met de naam vereenzelvigen.
Als ze aankomt is de hal van het dermatologisch centrum uitgestorven. Er zijn alleen assistentes en een chirurg aanwezig, die allemaal staand bij elkaar drommen..
We staan allemaal te wachten op u, zegt een mevrouw met een badmutsje op.
Mevrouw Bulte probeert de situatie hakkelend uit te leggen en volgt de dokter maar meteen naar de operatiekamer. Eigenlijk moet ze vreselijk plassen, maar daaraan valt gezien de omstandigheden niet aan te denken.
De chirurge en haar assistente zijn uiterst vriendelijk. Is hier geen vergissing gemaakt? Het lijkt wel of ze bij een particulier is terecht gekomen. Ze krijgt zelf ook een badmutsje op en twee aan haar voeten.
O, wat ligt dat heerlijk, zegt ze terwijl ze op de operatietafel ligt. Mevrouw Bulte voelt hoe de spanningen uit haar lichaam vloeien.
De chirurge bekijkt nauwkeurig de weg te snijden plek. Er wordt een helse lamp op haar gericht en mevrouw Bulte houdt haar ogen gesloten.
U heeft ook een gerstenkorrel op het ooglid, zegt de dokter.
Mag ik die misschien ook even weghalen?
‘Nu als u wilt, zegt mevrouw Bulte.Ze moet goed onthouden dat ze haar ogen niet opent anders wordt ze blind.
Ja, dr. Koster houdt van pulliken, zegt de assistente.
“Als ik een gerstekorrel zie, kan ik het niet laten, zegt de dokter.
U heeft van uw hobby uw beroep gemaakt, zegt mevrouw Bulte met diepe stem.
Nog even en dan staat ze weer in de vrijheid buiten. Dan maakt het niet uit hoelang de bus erover doet.
De ingreep gaat vlot genoeg. Het is alsof het eigenlijk geen betrekking op mevrouw Bulte heeft. Of ze doktertje aan het spelen zijn, om die kinderen een plezier te doen.
Als het klaar is krijgt ze ook nog een hele set chirurgische schaartjes en pincetten mee.
Ze worden slechts eenmalig gebruikt. Toch zijn ze van echt metaal gemaakt in Bangladesh, legt de dokter uit. Alsjemenou, een boterberg van scharen verrijst voor het oog van mevrouw Bulte. Steriliseren kost meer, zegt de chirurge.
Het is niet te geloven, zegt mevrouw Bulte. En dat gooien ze maar allemaal weg.
Als ze weggaat met haar scharenset, weet ze nog niet goed wat ze er mee zal doen. Maar ze kan er vast wel iemand mee imponeren. Het is toch bijzonder, wat je nog allemaal meemaakt op je ouwe dag.
En ze is best trots op haar hechtingen.
Elke stap, die je zet, is een gebed, dicht mevrouw Bulte. Ze heeft het een beetje moeilijk, want ze houdt de stilte in haar binnenste niet goed meer uit. Meestal kan ze er wel doorheen komen, door veel kleuren en geluiden op te zoeken, maar vandaag lijkt het wel of ze hermetisch afgesloten is voor al wat er gebeurt op straat. Zelfs de bloemenmarkt die ze graag bewandelt is geworden tot een plek om te onvluchten. Er zijn ook zoveel mensen op de been. Nu ergens iets gebruiken is nicht im Frage. Drangen mensen lopen door de Kalverstraat. Ik loop door tot ik niet meer kan, denkt mevrouw Bulte. Overal klingelingen de trams maar raak en mevrouw Bulte voelt zich door iets gedrcven dat ze zelf niet omschrijven kan. Het is Pinksteren in Amsterdam, de toeristen zijn gekomen. Overal gonst het van de vreemde talen om haar heen. Veel camera’s hangen zomaar om hun nek. Ze weten niet dat je zoiets eigenlijk helemaal niet kunt doen in Amsterdam. Ze loopt door tot aan de Dam. Ook hier wirrewarrelt het van de mensen.Ze wachten niet eens op het stoplicht bij het oversteken. Buiten adem ziet ze opeens bankjes tegenover het Beursgebouw. Ze neemt nederig een puntje in beslag. He, he. De trams ziet ze voorbij gaan de overkant, maar ze heeft de kracht niet om over te steken en voor die laatste halte in te stappen. ‘Ik rust hier even uit en dan loop ik helemaal naar de metro. Ze wil niet tussen al deze mensen in de tram naar huis vervoerd worden. Zo heeft deze tocht nog een zin. Zo beleeft ze tenminste wat de arme toerist moet voelen. Waarom doen mensen zichzelf zoiets aan. Het is nog Zondag ook. Ze voelt in haar tas een bloknootje en schrijft met hanepoten een gedicht.
Elke stap die je zet
is een gebed.
Je voeten steunen op moeder aarde
en moeder aarde glimlacht en moedigt je aan.
Kom dan mijn kleintje,
kom dan.
En als je niet meer kan
Dan mag je in mijn holletje
Is het nu wat of is het nu niks? Mevrouw Bulte weet het zelf niet. Ze stopt het schrijfboekje weg en loopt verder. Het station is verder dan ze dacht. En dat is goed. Zo zal er niets vreugdevollers zijn dan het thuiskomen.
Elke dag komt er bij mevrouw bulte wel een schrijven, dat zeer verontrustend is. Brieven met afspraken, brieven met vreemde getallen waarin staat dat ze ze uiterst zorgvuldig moet bewaren en nu, zoals vandaag een brief van de woningstichting die er niet om liegt. Vooraankondiging controle staat van woning en tuin. Mevrouw Bulte voelt zich vreemd rustig, maar weet dat dit slechts stilte voor de storm is. Ze gaan controleren op onkruid, heggen en bouwsels. Bouwsels heeft ze gelukkig niet, maar onkruid wel en vooral het heggewerk valt van ellende uit elkaar. Het is niet dat mevrouw Bulte niet al is rond gaan kijken bij een bouwmarkt. Het probleem ligt in het feit dat zij geen flauw heeft hoe zulks te bevestigen. Ze begrijpt niet waarom de woningstichting daar geen helpende hand toesteekt. Als zij iemand in moet huren gaat dat duizenden euro’s kosten. Bovendien huurt zij het toch al en heeft zij het toch ook in verloederde staat van de vorige bewoner gekregen. He bah, mevrouw Bulte moppert wel. Nooit heeft een mens rust. Altijd tielelieren die afspraken en dingen die ze moet doen om haar hoofd. Ze kwijt zich toch altijd met moed van deze zaken, maar het lijkt wel of ze nooit definitief geledigd worden. Meteen schuift een nieuwe afspraak er als een zonsverduistering voor. Het is maar goed dat zij geen dronkaard is, of iemand die dementeert. Geen wonder dat drugsverslaafden het niet redden! Aan al dat bureau werk heb je een dagtaak. Als je een keer iets vergeet dan komt er meteen een dagvaarding van de bibliotheek. Gelukkig heeft ze nu aow, dat gaat automatisch, maar toch niet zo automatisch als je denkt hoor. Alleen mensen met een helder verstand kunnen die afnemen. En als je ouder wordt moet je vaker naar de dokter, of pedicure. Allemaal zaken die je moet onthouden, keurig gewassen moet je er op tijd zijn. Daar ben je al twee dagen van tevoren mee bezig want die japon moet ook schoon.
Het huilen staat mevrouw Bulte nader dan het lachen. Hoe moet ze nu dat hekwerk recht trekken. Het is helemaal uit elkaar gevallen. Helemaal verwijderen lijkt nog haar het beste. De heg van de buren is er immers ook nog. Mevrouw Bulte staat krakend op. Ze zal het ook deze keer wel weer gaan redden. Maar het lijkt of de rest van de wereld zorgeloos op het strand zit, terwijl zij de hele dag afspraken moet onthouden. Om drie uur, Om drie uur maalt het dan steeds opnieuw door haar hoofd. Opschrijven is niet genoeg, daar lees je zo overheen. Het leven is geen broddellapje, je mag geen steken laten vallen, want de Nederlandse klerk heeft daar hoegenaamd geen begrip voor. Het duurt toch wel erg lang voor ze veilig in haar graf kan liggen. Dat er dan een hemelse klerk eindelijk eens zegt, Stientje, je hebt het goed gedaan. Je mag erin! Dat alles op aard goed is gegaan. Want daar gaat het natuurlijk om.
Maar je kunt ook minder gespannen op de dingen reageren, Stientje, denkt mevrouw Bulte. Ze trekt wat onkruid weg. Oei, dat valt niet mee. Het is of ze voor overvalt van stijfheid. En het duizelt haar dan meteen zo, he?
Maar het weer is aangenaam en je kunt er ook bij gaan zitten, denkt mevrouw Bulte.
Als ik ga zitten, kom ik niet meer overeind, dat weet jezelf ook wel, snauwt mevrouw Bulte zichzelf toe. He, dat idiote van haar. Iedereen doet dat met zo’n stok. Mevrouw Bulte krabt de schattige nieuwe plantjes tussen de tegeltjes weg met een ijzeren borsteltje. Het voelt eigenlijk of ze een zonde begaat. Dat arme net ontsproten groen/ Maar ja, die brief, he? Het moet. Anders gaan de tegeltjes nog schever liggen. Want mevrouw Bulte weet wel waar die ambtenaren bang voor zijn. En het is hun rechtmatig eigendom. Mevrouw Bulte poetst door. Als ze straks de eerste vierkante meter klaar heeft, mag ze een kopje koffie. Dan gaat ze eens heerlijk in haar tuintje zitten. Dat heeft ze wel verdiend!
Verdiend, puh, stel je niet aan! Voor die vier tegeltjes!, sist het venijnig in haar. Maar mevrouw Bulte weigert te luisteren naar innerlijke stemmen die altijd de boel lopen te saboteren. Ze is toch begonnen met haar burgerplicht. Ze doet het toch maar allemaal? En de rest komt ook wel af. Elke dag een beetje. Mevrouw Bulte snuift en haar oog valt op steeds meer tuinwerk. Al die bladeren nog van de vorige herfst. Dat is humus weet mevrouw Bulte. Maar nu in de lente mag het wel weg. Mevrouw Bulte fluit een beetje. Ze wordt waarachtig nog een tuinierster in hart en nieren.
Let it be…de radio speelt dat liedje van de Beatles. Mevrouw Bulte kent geen Engels, maar begrijpt dat ze bedoelen dat je alles maar moet laten waaien. Wat een wijsheid, he? Mevrouw Bulte snuift. Dat is toch al een oud liedje, uit de begin zeventiger jaren. Dat was achteraf toch wel een mooie tijd. Mevrouw Bulte probeert zich alles weer voor de geest te halen. Ze was toen een gezonde dertiger geweest. Ze scharrelde overal bloesjes vandaan. Ze hield van die witte bloesjes met opstaande kraagjes. Ze heeft nog wel foto’s dat ze met haar mandje bevallig op een bloemperkje zit. Ach, allemaal bedrog. Het leven was vol, maar zwaar geweest. Met die malle vrijers van haar. Eentje bouwde abusievelijk zomaar een schuur bij haar op het achterplat, waarin hij zich vervolgens dag en nacht zich schuil hield. Hij droeg nooit een centje bij en stak geen hand uit. Joop. En niet aardig tegen Josefientje. Kijk, dáár komt mevrouw Bulte tegen in opstand. Haar kind is haar alles. Toen heeft ze toch een scene gemaakt, het schaamrood staat haar nu nog op de kaken. Mevrouw Bulte krijgt het helemaal warm. Ze hijgt ervan. Even een slokje water. Ze buigt zich voorover en likt als een poes aan de lauwe waterstraal.
Ze kijkt haar keukentje even rond. Zo vreemd. Aan niets kun je zien dat het nu 2011 is. Want ach, het interieur bij een oud mens doet allang niet meer mee met de mode. Het is dat ze de datum weet, anders tikte het klokje net als toen. Er ontbreekt nog maar een kanarie aan en dan zou ze een atmosfeer van eeuwigheid bereiken in haar huisje. Het is als met touwtje springen, bedenkt mevrouw Bulte. Het touw zwiept eeuwig door. Maar hoe lang je springt, ligt aan jou en het toeval. Af en toe raak je met je voeten in de touwen verstrikt en dan lig je eruit. In spin de bocht gaat in, uit spuit de bocht gaat uit.
He, denkt mevrouw Bulte geërgerd, ze gaat toch niet kinderlijk worden. Dat mag niet. Maar meteen er een volwassen kop koffie tegen aangooien. Maar nu ze eenmaal in een sentimentele bui is, kan ze het niet laten er een schoenendoos vol foto’s bij te pakken. Ze heeft een onweerstaanbare drang nog eenmaal haar gelaat te aanschouwen, zoals het was toen het nog jong was. Met ijzeren discipline bewaart ze haar geduld en maakt eerst koffie. Dan gaat ze aan tafel zitten en opent de deksel met een zekere beduchtheid en vrees. Wat hoopt ze uit die verstilde opnamen uit haar leven op te maken? De eerste foto die ze ziet is er een van haarzelf toen ze zevenentwintig was. Ze lacht erop, Rimpelloos en gehoorzaam aan de burgerwetten van de vijftiger jaren, alles keurig in het zwart wit. De jurk die ze aanhad had ze geleend van Suus Dijkhuizen. Die had het toen al beter dan zij. Ze weet dat ze nauwelijks adem kon halen in dat ding, te klein en te onaangenaam van stof. Hoe kuis sluit het boordje hoog in haar hals. Haar wenkbrauwen teveel geplukt. Dat zijn de uitingen van de jeugddwaasheid waaraan hoge prijskaartjes bungelen, want ze loopt nu nog rond met ongebreidelde haarborsteltjes.
Je kunt aan alles zien dat het een soort sollicitatie-moment was. Zoals ze daar kuis zat te wezen op het puntje van de stoel met een lach die ten doel had Jans ouders te verblinden, want het was haar eerste visite in de salon in het ouderlijk huis van Jan. Jan was zelf nogal een achterblijvertje maar kwam wel uit een aardig gezin. Alles even keurig. Daar moest ze al haar charmes voor in de strijd werpen. Ach, mevrouw Bulte kijkt er met gemengde gevoelens naar. Die lach is onuitstaanbaar maar ze ziet toch ook een jong mens dat kwetsbaar haar weg in het leven zoekt. Met goede moed probeert een mens op de juiste verdieping van de achtbaan te springen. En waarvoor? Was alles niet al bij voorbaat tot falen gedoemd? Het huwelijk zou niet lang stand houden. Het enige wat ze er aan overgehouden had, was Josefien. En dat is dan ook meteen maar het haar meest dierbare op Aarde. Let it be, zegt mevrouw Bulte tegen zichzelf. Let it be. Ze heeft het wel afgeleerd in de jaren om de hoofden van anderen te vullen met herinneringen of haar hoofd dat met van herinneringen van anderen. Dacht je dat het iemand zich iets kon schelen hoe die jonge vrouw geleden had en hoe ze verworden is tot een oude, rimpelige vrouw? Welnee, iedereen is toch met zichzelf bezig. Daarom heeft het geen zin om jezelf verwijten te maken of iets uit te leggen. De kaarten zijn toen en op dat moment geschud. Zelfs als ze het beter gespeeld had, waren haar kaarten magertjes geweest. Viertjes en vijfjes. Maar dat hindert niet. Het is gedaan. Let it be.
Het enige wat mevrouw Bulte dwarszit is het niet weten wat de zin van alles is geweest. Ja, overlegt mevrouw Bulte bij zichzelf. De mens is nu eenmaal een rationeel dier. Hij wil een uitkomst bij een som. Hij wil een antwoord op een vraag. Wij zijn geen wilde varkens die in een bos maar wat naar truffels zoeken. Er moet meer zijn. Als het er alleen maar omgaat om te overleven zoals die varkens dat doen, dan kun je net zo goed de stok in het hoenderhok gooien. Leven als een beest. Je leeft dan als een wilde, koste wat het kost. Maar de moderne mens is niet zover gekomen, om alleen aan zichzelf te denken. De moderne mens wil zijn geluk delen. Mevrouw Bulte voelt hoe zij ten onder dreigt te gaan aan haar eigen gedachten. Half Afrika hongert! En dat terwijl geen een kind op aard zoiets basaals als voeding ontzegt mag worden. Dat is als het ware een schuld die Moeder Natuur ten opzichte van haar kinderen heeft. En er is volop voedsel! Aan Haar zal het niet liggen. Het zijn de onbeschaafden, die slechts leven voor zichzelf en schaamteloos in gouden zwembaden spartelen die een storing in de wereld veroorzaakt hebben. Natuurlijk is de natuur ook wreed en schijnt in sommige landen de zon genadeloos. Maar dat wordt dan toch vaak gecompenseerd met bauxietvoorraden en dergelijke. Mevrouw Bulte is helemaal akelig geworden. Ze heeft trek gekregen, nu ze nadenkt over de honger die heerst. Honger is het ergste uit het bestaan. Ze staat wat trillerig op. O God, Mother Mary bidt ze, laat het niet langer waaien. Don’t let it be.
Hoe schitterend is de hemel vandaag. Oker, abrikoos, rood en grijze witte wolken. Alsof het licht van de schilderijen uit de zuivere vroege middeleeuwen onverwacht teruggekeerd is en even over Amsterdam schijnt. Er is nog genoeg licht om een avondwandeling te maken naar Zeeburg en omdat mevrouw Bulte zich vanavond niet bijzonder moe voelt, durft ze het aan naar een concert te gaan van de Opregte Poeten van de Haarlemmerpoort. Ach, daarvan kent ze bijna iedereen. Vanaf de oprichting was ze erbij en nu, om redenen die haar onbekend zijn, viert men het twintig jarig bestaan. Het begint zachtjes te regenen, maar dat deert mevrouw Bulte niet. Ze snuift de koele zomerse lucht in en stapt welgemoed naar het adres. Zullen de mensen wel komen, nu het weer zo lelijk is? Het is nog vroeg als ze aankomt en ze helpt de plastic stoelen klaar te zetten onder de tent. Langzaam druppelen de mensen binnen en mevrouw Bulte neemt plaats in de middelste rij. Zo ook Michiel, een oudere man, die in een grijs verleden advocaat is geweest. Hij gebaart heftig dat de stoel tussen hem en mevrouw Bulte voor zijn vrouw gereserveerd is. De eerste sprekers zijn er al en hoewel ze geroutineerd zijn en niet op hun mondje gevallen, ontbreekt de vonk die de menigte even boven hun eigen leven uittilt en samensmeedt.
‘Is deze stoel vrij?’ vraagt een oudere dame die mevrouw Bulte goed kent. Ottelenooie, waarom is het nu uitgerekend mevrouw Bulte diegene die naast een lege stoel moet zitten in een overvolle tent, terwijl het regent.
‘Het is voor zijn vrouw’, zegt mevrouw Bulte zachtjes. ‘Sorry’, krimpt ze ineen.
Michiel kijkt onverbiddelijk en boos. Om de haverklap is er weer iemand die de lege stoel ontdekt als een buitenkansje en allen wenden zij zich tot mevrouw Bulte. Mevrouw Bultes stoel begint onder haar te branden. Het is of zij een plaats inneemt waar ze geen recht op heeft. Maar weglopen is nu desastreus. Waar moet zij dan naar toe? Je hebt net zoveel recht hier te zitten, als een ander. Leer dat nu eens Stien, zegt ze tegen zichzelf en ze krijgt een vastbesloten trek op het gezicht.
Een man op krukken komt hinkend bij haar staan. Hij wijst vriendelijk op de lege stoel naast mevrouw Bulte. Maar zij kijkt aarzelend naar de oude advocaat die van nee zwaait met zijn vinger. Het begint een routine te worden. Mevrouw Bulte schudt haar hoofd. Achter haar hoort ze geschuif. Iemand geeft zijn plaats af aan de kreupele. O hemel, nu ontwaart mevrouw Bulte boze blikken alom die op haar gericht zijn. O God! Men denkt dat zij de stoel niet af wil staan aan een lam persoon! Zij had zelf haar stoel kunnen afstaan! Het is niet in haar op gekomen, juist omdat ze het goede wilde doen. Mevrouw Bulte houdt het niet meer uit en springt op.
Ze gaat nog een tijdje helemaal achterstaan. Maar langer dan twintig minuten houdt ze het niet vol om zo rechtop te staan. Bovendien gutst de regen op haar rug.
Ze wil naar huis. Diep ongelukkige gevoelens gijzelen haar. ‘To be or not to be, dat is de kwestie, denkt mevrouw Bulte
verbitterd. Al dat gevoordraag ook, van de brutalen die de wereld hebben. Haar gedichten hadden ook op dit podium kunnen weerklinken. Zeker nu in het licht van twintig jaar Opregte Poeten van de
Haarlemmerpoort veel herinneringen worden opgehaald. Maar zij wordt natuurlijk niet genoemd. Alsof ze er niet bij was. En het schijnt mevrouw Bulte zelf oook toe dat zij er nooit bij geweest is.
Alsof ze het allemaal ergens gelezen heeft wat ze nu lachtend vertellen maar het niet zelf beleefd heeft of heel ver weg, in een ander leven. Eigenlijk is het moeilijk nog enthousiasme op te
brengen. Ben ik blasé? vraagt mevrouw Bulte zich af. Ze moet toch inzien dat het door weeffouten in haar eigen natuur altijd misloopt. Zo gezien mag je blij zijn dat je getuige bent geweest van
het Opregt Verbondt. Maar waarom kan ze niet adequaat op situaties reageren? Maar kijk eens aan, er staat een busje van de OV die ouderen naar huisbrengt. Het busje is halfgevuld en staat op
zekere afstand van het evenement. Mevrouw Bulte loopt er verdwaasd naar toe. Alsof ze een stout kind is dat zich op het strand van haar ouders verwijderd. Toch stapt ze door.
‘Wilt u meerijden?, vraagt de chauffeur. ‘Ja, alstublieft,’ zegt mevrouw Bulte dankbaar. Onmiddellijk begint een passagier zich met de zaak te bemoeien. Triomfantelijk zegt zij dat ze zolang het
concert er is, ze niet zullen rijden. Boem! Weer een verschutting er boven p. Waarom zoveel leedvermaak? ‘Nu dan ga ik lopen, schuttert mevrouw Bulte. Ik heb een ernstige telefonade gekregen, ik
moet helaas dringend weg.’ Er komt gewoon geen eind aan, denkt ze. Tot je laatste ademtocht zit je in de schoolbanken. Ook al ben ik al honderd maal gezakt, het eindexamen komt, onverwacht en
genadeloos.
Het regent gelukkig nog maar druppelsgewijs, maar de lange weg door de duisternis die zij nu moet gaan, trekt mevrouw Bulte in het geheel niet. Bijna huilend stapt ze door. Bliksemschichten begeleiden haar gemoed. Het is gevaarlijk, wat ik nu doe, weet mevrouw Bulte. Ik moet terug naar de menigte. Met het lood in de schoenen keert ze terug. Later toch meerijden met de ov bus? Voor geen goud. O God, daar rijdt Jan. Hij keert ook om. Jan! Jan!, roept ze tegen de auto die haar niet ziet. Uitgeput leunt ze tegen een muurtje. De mensen in een cafe kijken stoicijns voor zich uit. Dat zijn tekenen dat zij met haar gedrag nog niet door de mand gevallen is.
Ah, daar is Jan! Hij heeft haar toch gezien en is teruggekeerd. Gauw stapt ze in de auto.
Maar Jan is niet van het beste humeur (Dat is Jan nooit). Mevrouw Bulte laat het na om uitleg te geven. Zwijgend rijdt hij naar de bewoonde wereld, waar mevrouw Bulte een tram kan nemen. “Dank je wel, Jan!’, zegt mevrouw Bulte zo luchtig mogelijk. Met knikkende knieen komt ze thuis. Nu eerst maar eens die ongelukkige gevoelens ventileren. In alle Opregtheid.
Bij mij woelt de Apocalyps van binnen. Mevrouw Bulte denkt het een beetje weemoedig en traag. De manieren om een mens te vernietigen zijn legio, maar de meest vileine is wel het langzaam van binnen uit hollen, weet ze. Ze kijkt peinzend uit het raam. De bomen wuiven troostend, dat weet mevrouw Bulte wel. Hoe ze haar proberen te bereiken. Maar het heeft geen zin. Vandaag schijnt het haar gebladerte van schuurpapier toe.
Toch is de staat waarin ik nu verkeer het ultieme bewijs, dat ik in overeenstemming leeft met de kosmos. Want is niet de gehele mensheid aan het bloeden? Sla de kranten er maar op na.
Ze voelt hoe ze zich wil overgeven aan haar treurigheid. Zo moet een drenkeling zich voelen die moe is van het spartelen. Ik moet me er tegen verzetten, hoort ze zich vaag denken. De groene bomen veranderen ritselend van kleurschakering. Zo vriendelijk als katjes die haar kopjes geven. Ja, jongens, denkt ze, Jullie kennen mijn diepste gevoelens. Jullie zouden je ook wel eens willen ontwortelen en willen rondhoppen, misschien hier en daar wat vrij rond vliegen. In plaats daarvan staan jullie geduldig in weer en wind een oud mens zuurstof te geven. Hoe oneindig goed moet God wel niet zijn. Mevrouw Bulte zucht. Ze kijkt haar kamertje rond en weet dat ze in haar handjes mag knijpen. Ze woont hier toch maar mooi in hartje Amsterdam. Hoevelen benijden haar hier niet om? Er zijn heel veel omzwervenden, die liever in Amsterdam dakloos zijn, dan dat ze in een warm huis in welke stad dan ook wonen. En ze zijn haar zo dierbaar, die ontheemden. Eigenlijk zijn dat haar soort mensen. Mensen die zich niet in huisje laten stoppen. Ze slapen waar ze willen, want de aarde is hun bed en de hemel is hun beschutting.
In het diepste van haar ziel is mevrouw Bulte toch ook een avonturier. Heerlijk onder zo een dekentje in de sterrennacht. Mevrouw Bulte snuift. Maar mevrouw Bulte is laf. Mevrouw Bulte is bang voor de zon en de regen en de kou. En voor de mensen. Want reken maar dat je als vrouw alleen zijnde, aangevallen wordt. Dan maar liever keurig in een benedenwoning.
Maar mevrouw Bulte bedenkt er iets op. Weet je wat, ze gaat vannacht slapen in de tuin. Dat is toch eigenlijk het einddoel van zo‘n tuin. Ze hoeft alleen maar de oude bank om te draaien zodat men haar niet ziet. Beddengoed hoeft niet, dat zou haar maar verraden. Haar ogen blijven rusten op het vloerkleed. Ze zou er een tunneltje van kunnen maken en er dan in kunnen gaan liggen. Het zijn warme nachten dus dat zou best gaan.
He, ze voelt zich er toch een beetje raar onder. Ze bedenkt wat moet zeggen, als ze haar betrappen. Dat ze aan hitte lijdt en snakt naar een camping. Dat ze zin heeft om te kruipen, en nu, dat is niet gelogen. Mevrouw Bulte heeft zin om te kruipen. Op haar knietjes door het huis. Ze klapt bijna voorover door die ongelukkige gevoelens.
Het is maar goed dat de mens nog niet zo ver geevolueerd is dat ze bij alle mensen camera’s in huis ophangen. Dan kon men nog eens wat zien! Al die kruipende schepsels die wel rechtop ter kerke gaan. Hoewel? De mensen ijn sterk. Het verbaast mevrouw Bulte altijd, als ze op televisie ziet, dat mensen onverwacht bezoek krijgen en dat die dan stante pede naar binnen mogen. En keurig dat het dan is! Toonkamers zijn het. Het prijskaartje hangt er nog aan. Camera’s in dat soort huizen! Dat zou nog een interessant zijn. Dan kon mevrouw Bulte eens zien hoe die mensen leven, want dat is haar ten enemale een raadsel. Ze werken nooit. Je ziet ze altijd zitten. Een kast zie je hen niet ontruimen, maar alles staat erbij of het hogere logica is.
Maar komen zulke mensen op het idee om in hun eigen tuin het dakloze-gevoel te creëren? Welnee! Driewerf nee! En dat kan mevrouw Bulte wel, he? Haar even mondhoeken krullen nu toch even lichtjes.
Het wordt pas laat donker, het is dan ook Augustus. Bijna wil mevrouw Bulte het hele project afblazen. Maar dan treedt toch met rasse schrede de duisternis in. Ik moet me er wel op kleden, bedenkt ze. Ze weet dat je daarvoor oude kranten in je kleding moet proppen. Maar daar begint ze niet aan. Niet in deze milde nacht. Het is bijzonder, alles ruikt al meteen heel anders buiten.
Je krijgt natuurlijk zo wel een extra schot zuurstof, bedenkt mevrouw Bulte. Daar krijgen
de hersenen een opkikker van. Maar de buitengeluiden, daar moet je wel aan wennen. Overal is lawaai.
Mevrouw Bulte is niet over een nacht ijs gegaan. Ze heeft over haar eigen schutting gekeken hoe de vlag erbij hangt. Nu je ziet niets, hoor. Gewoon een bank in de duisternis. En zal ook niemand de tuin inkomen. Het is een soort binnentuin. Alleen de mensen die boven wonen kunnen haar zien. Maar daar heeft mevrouw Bulte een Perzisch
kleed voor. Ze zal als een astronaut onder het kleed schuilgaan. Jammer, dat ze hem nog niet eerst even heeft uitgeklopt.. Af en toe dwarrelt er iets op haar gezicht. Vallende sterren, die geluk brengen, denkt ze ironisch.
De bank is hard en ze kan zich niet omdraaien, maar dat geeft juist enige bevrijding aan haar gemoed, dat ook niet misselijk is. Dat is de troost die uitgaat van het spartaanse, denkt mevrouw Bulte. Het is of ze los komt van de aarde, van haar eigen bestaan. Even is mevrouw Bulte iemand anders. En het is heerlijk.
Tegen de morgen valt mevrouw Bulte eindelijk in slaap. Door haar oneigenlijke lichaamshouding ademt ze met open mond en ze laat een diep snurkend geluid horen. Doordat de tuin omringd wordt door huizen, is het rondom te horen. Maar mevrouw Bulte zal het zelf nooit weten. Niemand die weet waar het geluid vandaan komt en er is niemand die klaagt.
Mevrouw Bulte wordt s’morgens gewoon uit zich zelf wakker. Ze voelt zich zowel gebroken als verkwikt. Want, zo bedenkt mevrouw Bulte wijs, alles heeft twee kanten en nu mag ze vanavond toch maar mooi in haar eigen bedje gaan liggen. Heerlijk met een boek. In een schone, gesteven nachtjapon! Ach, weet je wat. Ze gaat maar meteen ter bedde ook. Dat mag, Heeft ze niet zojuist zelfstandig een innerlijke tsunamie getemd?
Luisteren
‘Nu dan, als het niet hoeft, dan mag het ook,’ denkt mevrouw Bulte. Vandaag gaat zij maar eens een heerlijk kopje koffie drinken in de gemoedelijke restauratie van een volks, maar uiterst geraffineerd warenhuis. Heerlijk, die schone formicabladen. Daarom alleen al is het een feest, hier in het geroezemoes te zitten. Niet alleen de spullen die hier verkocht worden zijn van een modieuze snit, maar de mensen die hier verpozen ook. Dat is zo opmerkelijk. Ze zijn inwisselbaar als de gekleurde mokken in de schappen. ‘Het is een sociologisch fenomeen, waarschijnlijk, denkt mevrouw Bulte gewichtig. ‘Ze dragen ongewild als neutrale objecten aan de gezelligheid bij.’ Ze gaat met veel omhaal zitten bij een tafeltje dat ongelukkigerwijs in het midden staat. Haar jas is veel te warm en ze gooit hem dan ook maar op de stoel naast haar neer. De diepe zakken in haar jas moeten haar maar even beschermen tegen al te veel verlies van goederen. Eerst maar neerzakken en uitrusten. Hè, hè. Mevrouw Bulte drinkt een slokje koffie. Het smaakt eigenlijk te bitter, want ze heeft de suiker vergeten. Dat is het nare van zelfbediening. Al zak je bijna door je knieën je moet zelf voor de accessoires zorgen, die natuurlijk net een brug te ver liggen. Ze drinkt zuinigjes door. Eerst rustig ademen. Een, twee, drie, vier…, in en een, twee, drie, vier,…. uit…
Héé, daar zit een meneer die ze te pas en te onpas in de stad tegenkomt. Nog steeds kan mevrouw Bulte geen hoogte van hem krijgen. Goed, ze meent te hebben begrepen dat hij aan een of andere mentale problematiek lijdt, maar juist dat soort mensen kan zo orgineel en raak denken. Zijn vriendelijk gezicht en algehele kinderlijke gestalte doen alle stoplichten op groen slaan, maar mevrouw Bulte vult haar gemoed toch standaard met een zekere innerlijke voorzichtigheid.
Het fijne aan de man is dat hij aan één stuk door praat. Wie eenzaam is en hem ontmoet kan zich toch laven aan de illusie dat hij of zij de moeite waard is om een flinke boom mee op te zetten. Ze staat flink op om toch maar een suikerzakje te pakken en zo kruisen hun blikken elkaar.
‘Zo, hoe gaat het met u?’ vraagt mevrouw Bulte met een diepe stem.
De man kijkt als een peuter zo blij. Daar is een vogel volkomen vrijwillig in zijn kooitje gevlogen.
‘Met mij gaat het meer dan uitstekend,’ antwoordt hij dan ook.
Hij begint een warrig verhaal over zijn geboortedorp, waar al zijn voorouders ooit hun dagen gesleten hebben zonder sporen na te laten, zeker nu het hele dorp niet meer is zoals het was en meneer er zelf ook al in geen twintig jaar is geweest.
Mevrouw Bulte neemt haar kopje koffie op en gaat bij hem aan tafel zitten. Ze probeert met uiterste concentratie de man te volgen in zijn gedachtesprongen. Hij blijkt veel te weten en ook de namen van Nederlanders uit de huidige en historische tijd zijn hem niet vreemd.
‘U bent nu al de derde persoon deze week, waartegen ik helaas hetzelfde moet opmerken,’ zegt hij met opgeheven wijsvinger.
Mevrouw Bulte houdt haar adem in. Wat nu? Krijgt ze een standje? Maar ach, wat zou dat mevrouw Bulte deren? Zij heeft zichzelf in die burcht van innerlijke rust geplaatst van waaruit ze even een medemens wil ontmoeten.
‘En dat is?, vraagt ze daarom rustig.
‘U lijkt op ene Maarten….’
‘Ik?’ Mevrouw Bulte kent weinig Maartens.
‘Ja, ik zie het heel duidelijk. Niet alleen het gezicht, maar ook de stem, de bewegingen die u maakt. Nee, speel nu maar niet de vermoorde onschuld. U weet over wie ik het heb.’
Dat klinkt zeer beslist en een haar vaag bekende naam borrelt op uit diepst van Mevrouw Bultes collectieve onbewuste. ‘Maarten van Rossum…,’fluistert ze.
‘Juist.’ zegt de man.
‘Echt waar?’ vraagt mevrouw Bulte. Haar innerlijke ivoren toren begint lichtjes te schudden omdat ze niet weet in hoeverre dit haar wel of niet moet beschamen, maar nog haakt ze niet af.
‘Ik zie de laatste tijd overal Maarten van Rossum,’ zegt de man. ‘Ik ben eens op hem gaan letten als hij op de televisie komt, maar ook op de radio. Dat is weer heel anders. Het lijkt of je met een arme, onwetende ziel te maken hebt, maar …. hij dringt bij je binnen. In heel Nederland doet hij dat op ongrijpbare wijze. En nu zie ik hem weer hier bij mij aan tafel zitten.’
‘Ja, ’ beaamt mevrouw Bulte, die met hem mee wil gaan in zijn gedachtegang om zo die originele ideeën eruit te trekken. ‘Dat is wel vaker zo bij figuren die zich zogenaamd op de achtergrond houden. Ze gaan met je onbewuste aan de haal en brengen je op andere ideeën.’
‘Nee!’ roept de man uit. ‘Mens, wat ben je snel. Nee, je trekt de verkeerde conclusies.’
‘O sorry,’ excuseert mevrouw Bulte zich, die zich in haar enthousiasme blijkbaar iets te ver heeft laten voeren.
“Praten doe je niet goed, ‘ beslist de man wat bozig. Mevrouw Bulte weet dat de man een kampioen praten is en zou zich daarom niet beledigd mogen voelen. Toch mompelt ze binnensmonds :’ Ik kom nauwelijks aan het woord.’
‘Kijk, het is net als met dat geboortedorp,’ probeert de man het haar nogmaals uit te leggen,’ daar mocht je je ook niet uiten.’
Mevrouw Bulte wacht af. ‘En u heeft zich ook nooit mogen uiten,’ wijst de man in haar richting. U bent toch van mijn generatie. Je bestond eenvoudig weg niet.’
En dat had die Maarten van Rossum zeker ook niet gedaan, legt mevrouw Bulte zelf de vinger maar op het zere verband.
Nu kabbelt het gesprek voort langs het onderwijs in de jaren vijftig tot het Christusbeeld in Sant Paolo, waarvan mevrouw Bulte zich meent te herinneren dat het in Rio de Janeiro staat zonder daar echter enig hard bewijs voor te hebben.
‘Ja, u weet wel veel,’ zegt de man. ‘Maar u moet eerlijk zijn. EERLIJK.’
‘Nu dat ben ik toch,’ antwoordt ze op een toon die iedere leugendetector onmiddellijk zou overtuigen, maar deze man heeft een fijnsnariger apparaat.
‘Dat bent u niet,’ sist hij.
‘Passief aggressief,’ diagnotiseert mevrouw Bulte verbolgen.
Ze had zich eigenlijk voorgenomen, om een staatslot te kopen ten behoeve van haar dochter Josephine. Dat kan nog tot klokslag één uur en daarna is het afgelopen. Ze staat op, ook al spreekt de man gewoon door en haalt haar jas op. Hij ligt nog bij haar oude tafeltje dat keurig gemeden blijkt te zijn in het overvolle restaurant.
‘Ik moet eigenlijk weg,’ vertelt ze de man.
‘Waarom zeg je dat dan niet meteen?’ Hij windt zich duidelijk op. ‘Bovendien moet je niet weg. Je hebt de kern nog niet begrepen, waar ik juist naar toe ging.’
Hij begint via een zijweggetje een nieuw onderwerp aan te snijden. Gelaten zakt mevrouw Bulte in. Ach, ze zou die pot toch niet gewonnen hebben. Hij bespaart haar een tientje of hij doet haar miljoenen verliezen. Ze houdt zich nu een tijd stil en knikt af en toe even. De man wordt er steeds vrolijker van.
‘Probeer nu eens in een groep mensen te gaan zitten van tien,’ begon de man opnieuw.
Mevrouw Bulte knikt automatisch van ja.
‘Dan voel je allerlei vreemde sensaties, dat is je bekend. Je wordt er beroerd van. Maar dat komt niet door jou, dat ligt aan die mensen!’ riep hij opgetogen.
‘Maar,’ werpt mevrouw Bulte tegen, ‘als jij zoiets hebt, geldt dat ook voor hen. Zij zijn misschien ook beïnvloed door het een of ander.
De man krimpt ineen. ‘Nee! Nee! de vorige keer, in de bibliotheek, had je hem wel door.
Toen begreep je in een seconde, wat ze bij de ggz met de beste wil ter wereld nooit begrijpen zullen.’
“Ach, u heeft een psychiater?’ Mevrouw Bulte buigt zich vol interesse naar hem toe.
‘De een na de andere.’ zegt de man met lichte trots. ‘Ik trek ze als croquetjes uit de muur.’
Mevrouw Bulte schaterlacht.
Blij kijken ze elkaar aan. ‘Jammer. Praten kun je niet,’ onderbreekt hij de stilte maar nu glimlacht hij mild.
‘Dat geeft niet,’ zei mevrouw Bulte warm, ‘ik ben heel blij je ontmoet te hebben en ik heb er geweldig veel van opgestoken. Heus, ik begrijp je beter dan je denkt.’
Toen mevrouw Bulte met een zwier door de draaideur ging was het precies vijf minuten over één.
Heilig
Het kan toch niet zo zijn dat die ongeluksgevoelens mijn leven maar steeds bepalen, denkt mevrouw Bulte. Ze heeft besloten vanaf nu een vrolijk mens te zijn. Ja, zie de schoonheid om je heen. Hoe beeldschoon staan de wolken in het blauw. En dat jankerige gevoel van binnen zal moeten wijken hiervoor. Vanaf nu geen angst voor morgen. Ze zet verwoed een vrolijk muziekje op. Kijk, ze voelt zich nu al beter. Het huis heeft hopeloos veel strijd nodig. Maar mevrouw Bulte zal er als een rationeel-gelukkig mens mee omgaan. Niet te veel willen ineens. En zònder nadenken dòòrgaan. Ze huppelt een beetje, Ik bubbel van vreugde, wiegt ze hardop. Kom maar op, zo’n positief mens heb je in je leven nog niet gezien. Alles is goed en alles komt goed! Wat een vreugd, Wat een dankbaarheid dat ze hier mag zijn in dit rommelige hokje. Er worden toch geen bommen uitgeworpen op dit moment? Nou dan! Ja, met de mond vreugde belijden kunnen we allemaal wel. Maar echt blij zijn van binnen. Zoals God het misschien wel bedoeld heeft. Dat is andere koek! Mevrouw Bulte zal van de onderste laag van de menselijke soort in éen klap naar de hoogste gaan! Een zuiver mens worden. En hoe is een zuiver mens? Mevrouw Bulte moet hier even bij gaan zitten, Ze pakt er gauw een kladje bij. Een zuiver mens, schrijft ze, is… mmm, Iemand die lief is voor anderen en hard voor zichzelf. Mmm, waar haalt ze die wijsheid nu weer vandaan? Ze moet er eerst eens over nadenken of dit klopt. De meeste mensen zouden zeggen dat je eerst jezelf liefdevol toegedaan moet zijn. Maar is dit wel waar? Hoe weten ze dat zo zeker? Is niet een heilige als Gandhi een persoon geweest die voor zijn vijanden vriendelijk was, maar van zich zelf discipline eiste? Andere heiligen komen even niet naar boven bij mevrouw Bulte. Maar ach, sputtert ze, één heilig mens is genoeg om wereldconflicten ten tijde van Engeland en India op te lossen. Alleen al een tiende van zo’n man te zijn, is van een duizelingwekkende hoogte. Mevrouw Bulte trilt ervan. Ze is op iets gestoten dat haar hele perspectief op de dingen verandert. Of ze spartelend in een grote oceaan opeens land ontdekt heeft. Een honingzoet land voor beloften. Nee maar, hier ligt een antwoord. De mevrouw Bulte blijft stokstijf zitten want nu ze zo dichtbij komt is het opeens alsof haar de kwintensens is ontschoten. Ze kan geen woord meer denken. Of ze heel dichtbij een aha-erlebnis is maar door menselijk falen der hersenen alles verzandt in woorden in plaats van beelden!
Het eigen meesterschap, fluistert ze tenslotte. Alles hangt af van de eigen discipline en het jezelf aan de kaak stellen. Mild zijn maar veel van jezelf verwachten. Ja, nu gaat het even niet om al het werk dat ze in een oogopslag zomaar kan verzamelen. Een heerlijke verzameling bezigheden. Zo moet ze het zien. Dat zijn middelen. Het doel is de harmonie. Van binnen en van buiten. Kijk, maar naar de natuur. Is de natuur een slonzige huisvrouw? Welnee. In een bos vind je geen afval. Vind je geen opgestapelde allergaartjes. In plaats daarvan zijn duizenden beestjes bezig met een werkje. Zingend! Ze rollenbollen een balletje mest. Ze kluiven de botjes af. De wind waait alle blaadjes weg. Het is allemaal geheel geautomatiseerd. Kom daar maar eens om bij de mens. Hij is in staat op een voddenbaal te slapen. De vuilnis te doen opstapelen evenals de vaat. Ja, in het victoriaanse tijdperk toen hadden de rijken dat wel door. Toen moest de meid in de onderste schachten van het huis de aardappels schillen. Was er een jongen voor het koperwerk. De butler die alle orders aannam. Een gezin werd bediend door tien personeelsleden. Nu is de mens op zichzelf aangewezen. Van elk theezakje dat je gebruikt zul je je zelf moeten ontdoen. Daarom lag Gandhi ook gewoon op een matje. Die wou al die rompslomp niet. Want reken maar dat het wat met zich meebrengt hoor, Al die materiële snufjes! Een houdertje voor de koffiefilters, een tandenstoker, een vaas voor tulpen. Als je in de kringloop rondwaart, zit er zo veel spul bij, waarvan je de functie niet eens kunt doorgronden. Dat is dus de essentie! Eenvoud. Die heiligen waren niet gek. Om de dooie dood niet. Mevrouw Bulte kijkt vief om zich heen. Deze inzichten worden steeds prangender! Van welke zaken kan zij zich nu zonder schroom ontdoen?
psychomotoriek
Een mens kan niet deemoediger zijn, dan als hij moet sporten, denkt mevrouw Bulte. Ze heeft via haar huisarts een aanbieding gekregen voor psychomotorische therapie. Buitengewoon bijzonder, aangezien ze in haar zeventigjarig bestaan weinig gehuppeld heeft. Maar als de dokter zegt, dat je moet gaan, dan ga je zonder mankeren naar de gymjuf!
Zo komt het dat ze nu in een soort van gymbroek en schoenen met witte zolen waarachtig een gymzaal betreedt. In iedere voeg en staalconstructie staat het leed gekerfd, dat sporten heet. De hoge ramen hebben iets spottends alsof ze als een spreeuw in een kooi zit, maar mevrouw Bulte heeft wel voor grotere vuren gestaan. Kom op, spreekt ze zichzelf toe. Je bent tenslotte hoogbejaard. Je hoeft heus niet in de ringen te klimmen.
Daar komt de therapeute. Ze heeft een geheel eigen schoonheid. Alsof ze uit een antiek poppenboek gestapt is, met haar jonge glanzende ogen. De kromming in mevrouw Bultes rug begint hevig zichzelf te schamen. De jonge vrouw loopt kwiek op haar toe en geeft haar een hand.
“Wat verwacht je van deze therapie?’ begint ze. Ze kijkt even in haar papieren voor ze weer op kijkt naar mevrouw Bulte. Mevrouw Bulte is om twee redenen geschokt: het feit dat ze met je aangesproken wordt en de beschermende factor van haar leeftijd zo bruut teniet wordt gedaan en het feit dat zij, mevrouw Bulte moet vertellen wat ze verwacht van deze haar volslagen onbekende therapie.
‘Ik weet het niet’’ zegt ze daarom eerlijk. ‘Ik ben bepaald geen modelpupil. Sport is het deel uit de schijf van vijf dat bij mij altijd maagdelijk is gebleven.
“O.k. Maar kun je ook vertellen, wat je graag zou willen veranderen in je leven?’
Aha, hier is wel een ingang voor daadwerkelijk concretiseren. Mevrouw Bulte denkt diep na.
Nu ja, ik zou wel wat geolieder kunnen zijn. Ik ben helaas nogal stram.’
'Psychomotorische therapie is geen fitness.' Het was een nogal botte return.
Wat zou je nog meer willen veranderen?
Zou je willen dat je wat assertiever was, bijvoorbeeld?
‘Uh, ja, natuurlijk. Ik heb een onderdanige stijl van doen, maar ik heb geleerd dat dat ook weer niet zo heel erg is, hoor!
‘O.k. dus het eerste doel is, grenzen stellen’ Wat nog meer?
‘ Ik ben nogal lui. Of niet lui. maar stáárderig nuanceert ze het wat precieser.
'O.k. dat is reaktivering. Wat nog meer? Als je nu morgen opstaat en alles is fantastisch opeens, wat is er dan veranderd?'
‘O, dan ben ik een beschaafde, intelligente, gevatte, knappe, jonge vrouw. Zoiets als u misschien..
'Nee, het moet natuurlijk wel iets zijn dat mogelijk is,' legt jonge vrouw uit terwijl ze haar lange lichaam nog meer strekt. 'Maar ik begrijp dat je aan je zelfbeeld wilt werken.'
Aan haar zelfbeeld, fronst het bij mevrouw Bulte van binnen. Ze krijgt een visioen van haar gezicht in rimpelend water. Rimpel op rimpel reflecteert mijn bestaan, dicht mevrouw Bulte. Oei, wel bij de les blijven!
De jonge vrouw haalt een dik touw tevoorschijn. Mevrouw Bulte heeft zich altijd afgevraagd waar zelfmoordenaars dat soort touwen vinden. Ze heeft ze zelf nog nooit in het echt gezien.
Nu het touw is vastgeknoopt aan de muur, begint de therapeute met het touw te zwaaien. Touwtje springen! schrikt mevrouw Bulte. Dit is allang geen leuk avontuur meer!
De opdracht wordt duidelijk uitgelegd; mevrouw Bulte moet onder het touw door te lopen naar de andere kant, terwijl de jeugdige amazone het touw draait.
Is ze nu helemaal een haartje belatafeld! Mevrouw Bulte voelt de uitgang in haar rug priemen, maar kan niet meer helder denken.
'Oh, nee, daar begin ik niet aan!' roept ze daarom ferm.
‘Denk na,' zegt de therapeute. 'Hoe kun je het beste eronder door..'
'Wanneer is het het gunstigst om te springen. '
Mevrouw Bulte roept alle goden aan. Als het touw hoog is? Als het touw op de grond zwiept? Want dat doet het, Zwiep, zwiep, zwiep. Ze voelt nu al de striemen op haar rug.
Dat malle mens met haar touw. Mevrouw Bulte moet kordaat optreden. Ze grijpt met haar handen naar het ronddraaiende touw en legt het stil voor haar voeten. Zóóóó, zegt ze alsof ze een rijdende locomotief stopt. Ze stapt kordaat over het touw. 'Ik ben er door, hoor!'
‘Goed zo!’, zegt de therapeute alsof ze het tegen een hondje heeft.
Goed zo? Was dat alles? Mevrouw Bulte wilde háár een lesje leren.
'Zie je dat je een oplossing hebt gevonden? Je kunt de opdracht in stukjes hakken,' zegt de therapeute tevreden.
Mevrouw Bulte moet dit nu over zich heen laten komen. Ze moet niet de indruk maken niet mee te willen werken.
Het touw begint weer te draaien. Er is geen uitweg dan te lopen ongeacht of het striemend touw haar zal raken of niet. Ze is zo verkrampt dat ze heel langzaam loopt. Het scheelt heel weinig of ze krijgt een flinke oplawaai van het dikke koord.
Steeds opnieuw moet mevrouw Bulte de opdracht doen, tot ze er bijna als een getrainde circusatleet onder doorloopt.
Zie je wel, dat je het wel kan? vraagt de therapeute. Ze zet een stemmetje op dat je ook wel voor kindjes gebruikt en in combinatie met haar standvastig geje en gejou raakt mevrouw Bulte in een soort sprakeloze radeloosheid. Non verbale therapie, had de dokter gezegd. Mevrouw Bulte voelt dat haar gebruikelijke charme op ijskoud marmer ketst dat geen enkele voeging toelaat.
Bij het afscheid vraagt de therapeute of ze weer wil komen, maar mevrouw Bulte voelt zich steeds ongelukkiger. Deze dame doet zo haar best om haar te laten zien, dat ze heus wel wat kan en waarom wordt mevrouw Bulte daar dan zo verdrietig om. Is het omdat het zeventig jaar te laat is? Is het omdat mevrouw Bulte in de illusionaire veronderstelling verkeerde dat ze haar bescheidenheid innemend is en gewaardeerd?
“Laat ik nog één keer komen, om het af te ronden, zegt ze met het lood in haar hart. Het zal nog zeker 6 dagen duren voor ze weer vrij kan ademen.
Woede
O wat is het leven moeilijk vandaag! Mevrouw Bulte wil even heel hard kreunen. 'Ooooh! Ooooh! ', roept ze. Ze balt haar vuisten en voelt een enorme woede opkomen. Een vuur welt in haar op. Het lijkt wel of haar mond permanent gesnoerd wordt. Als de mond als belangrijk beschouwd wordt kun jij wel inpakken, Stientje, denkt ze bitter. Het is net of de mensen al voor ze iets gezegd heeft, boos op haar worden. Ze snauwen en ze grauwen. Nee, mevrouw!, roepen ze maar steeds en ze smalen. Oh, oh, wat smalen ze. Zonet keilde ze zomaar op de tegeltjes. Een paar jaar geleden stond er dan terstond iemand naast je om je te helpen, maar nu lachte de omstander die haar een ogenblik daarvoor nog vriendelijk toegeknikt had. 'Mevrouw! Mevrouw!' riep ze nog. Mevrouw Bulte verbeet automatisch de pijn en en ze klauterde moedig weer overeind om niemand tot last te zijn, en dat bleek ook de beste tactiek te zijn.om een andere reden. Ha, riep de mevrouw verheugd. Ja, dat komt eventjes hard aan, he! O, nu ja, zei mevrouw Bulte van de weeromstuit tot e het gat in haar broek ziet. Ach nu is mijn broek ook nog kapot. 'Jaaaah, kirde het mens. Terwijl haar stem nog in haar weerklonk bleef mevrouw Bulte in doodse stilte alleen achter. 'Wat een naar wijf,' zei ze zomaar hardop. Ze vervolgde moedig haar weg naar een hulpmiddelencentrum dat tevens haar zorgverzekeraar herbergde. Ieder jaar lopen de spanningen bij mevrouw Bulte hoog op, want ze vermoed dat ze veel teveel betaalt maar het lukt haar niet om te veranderen. Nu liep ze met haar laatste rekening op zak. Die moest ze declareren maar eigenlijk had ze het liever in januari gedaan. Zo zou ze dan die eigen bijdrage voor dit jaar omzeilen. Bevend had ze bij een hooggeblondeerde dame twijfelend gevraagd of dat mogelijk was. O, nee, riep de dame. Dat is voor dit jaar. En ze nam mevrouw Bulte alsof ze een klein kind was haar rekening af. Ook zij had dat meesmuilende alsof ze hogere rechten had omdat zij aan de balie zat. Mevrouw Bulte ging verslagen naar huis met het gat nog in haar broek.
Als ik het niet meer red, dan koop ik een pistool, denkt mevrouw Bulte. Pief paf poef klaar. Weg ermee. Daar heeft mevrouw Bulte geen probleem mee, alleen is er zo moeilijk aan te komen. Maar dat ze het zomaar zou kunnen geeft haar weer een beetje rust. Ze snuift de lucht op en wandelt verder. Afwisselend heeft ze visioenen dat ze zichzelf neerschiet of ziet de dames uit zich een vreselijk ongeluk krijgen. Ach, wat jammer nou. De dames lagen in de kreukels, helemaal in het gips. Mevrouw Bulte loopt er onaangedaan langs. Had zij soms meer compassie dan God Almachtig die tot deze drastige maatregel besloten had. Natuurlijk niet. Er zijn dingen waar je geen macht over hebt. Dat de dames in klinkende munt moesten betalen daar kan mevrouw Bulte niets aan doen. Maar berispt mevrouw Bulte zich, het al verkeerd zulke gedachten te hebben. Laat het over. Laat het over. Toch snikt het nog in haar na. Ik moet milder zijn tegenover het mensdom. Ik laat me te snel door emoties overmannen. En dat op mijn leeftijd. Een mens hoort bedaagder te zijn en vreedzaam en niet met wurgneigingen rond te lopen. Wat zou de maatschappij ervan zeggen als iedereen maar deed waar hij zin in had. Ze zouden je opsluiten. In het Pieter Baan. Jawel, want denk erom dat mevrouw Bulte het wel weet hoor. Ze zou ter observatie gaan. Heel vriendelijk zouden de hoge heren haar haar gangetje laten gaan met overal camera's. Nu, daar wordt een mens al nerveus van. Dan wordt je in de rol van het lieve oude vrouwtje geduwd. Hulpeloos en mak. En dan gaan ze je langzaam maar zeker treiteren. Het vuur opstoken. Kijk eens hoe die lieve mevrouw Bulte reageert. Mevrouw Bulte ziet zich al de controle verliezen. Een weloverwogen pook in de onder gelederen. Shusi van maken. O o o wat zijn dat voor malle gedachten. Ze roepen de bewakers al met onzichtbare alarmsystemen in de pantalon. Maar mevrouw Bulte kent de weg. Ze kan via een trappetje naar de lege kamer van een medewerker die zojuist ontslagen is. Daar vinden ze haar nooit. En nu wachten tot het donker wordt. Overal politie en medewerkers die zoeken. Maar nee mevrouw Bulte is verdwenen als sneeuw voor de zon. Ligt er niet ergens een kledingstuk waarin ze zichzelf kan vermommen. Ja, een heren trainingspak. Dat zal wel gaan. Natuurlijk ook een muts erbij. Mevrouw Bulte smeert hem onopvallend door de grote draaideuren. Als nu de eigenaar van het trainingspak maar niet in de problemen komt. Ze zal het pak netjes achterlaten bij de voordeur. Nu het park door. Ze zal zich ergens moeten verschuilen. Waarom ook weer? O ja, iemand een knietje gegeven. O, nee, wat naar. De arme man. Mevrouw Bulte vindt dat ze zich schandalig gedragen heeft. Onbegrijpelijk. Dat heeft zo'n man niet verdiend. Ze willen je alleen maar helpen, behandelen. Mevrouw Bulte kreunt o o oh, geen mens zal medelijden met haar hebben. Ze blijft heel lang onbeweeglijk zitten op de bank. Opeens komt er een belangrijke gedachte in haar op. Alsof er een nieuw plaatje in de toverlantaarn voorbijschuift. Mevrouw Bulte heeft niemand beledigd, pijn gedaan of mishandeld. Mevrouw Bulte is ten prooi gevallen van het stompzinnig ego van de mensheid en ze heeft er beschaafd op gereageerd. Ze is vrij. De boeien van het Pieter Baan springen van haar polsen. He, he, wat een emoties... Mevrouw Bulte maakt een helder kopje thee, dat het zware gemoed doorspoelt tot ze eindelijk haar zware schoenen uit kan schoppen en haar knie eens kan bekijken.
De rondleiding
Eindelijk staat mevrouw Bulte in de vestibule. Wat een pracht. Ze houdt haar tas met museumkaart dicht tegen zich aan. Wat is dat toch een zegen, die museumjaarkaart. Het kost een paar lieve centen maar dan heb je ook wat. Ze schuifelt langs een oude liefde. Het poppenhuis. Er nu staan erop eens twee. Maar de jaren hebben haar enthousiasme getemperd. Vroeger was het een obsessie geweest. Want historische poppenhuizen kent ze nog uit haar jeugd toen die ouwe hen meenam naar het Frans Halsmuseum. Ze probeerde daarna kopjes te maken van een krijtje. Ach, lieve, lieve jeugd, wat ben je snel vervlogen. Het poppenhuis kan haar vandaag niet boeien. Vervreemd loopt mevrouw Bulte door de zalen. Haar benen voelen de grond nauwelijks. Ze is bang om te vallen en verbaasd zich bij iedere stap dat ze overeind blijft. Het hier zijn geeft een immens vertrouwd gevoel en tegelijkertijd is het verleden waar het stemmen van zijn ongrijpbaar. Zoals ze het dagelijks le en vroeger imiteerden in meubels en poppenhuizen, geeft een eeld an hoe het was. Al die mensenlevens die voorbij gingen in corsetten en donkere kamers. Ze schuifelt er eerbiedig langs. Gretig leest ze bordjes, maar de teksten zijn altijd zo summier dat het is of ze niet wijzer willen maken. Alsof ze bang zijn dat ze haar domme hoofdje zal breken over gedegen informatie.ijn altijd zo summier dat het is of ze niet wijzer willen maken.. Alsof ze bang zijn dat ze haar domme hoofdje zal breken over gedegen informatie.
Dan betreedt ze een nieuwe taal waar een zachtaardig man, geheel tegen de gewoonte en verwachting in, vrij hardop spreekt. Een groepje museumbezoekers staat om hem heen. Ze luisteren aandachtig. Hee, daagt het bij mevrouw Bulte, een rondleiding. Dat is precies wat mevrouw Bulte nodig heeft om hier een beetje te aarden. Ze sluit zich diskreet aan. De man vertelt over een beroemd schilderij van.een ijsgezicht. Hij wijst met de schaduw van zijn hand allerlei details aan. Niemand weet precies wat de schilder bedoelt heeft, vertelt hij maar er zijn aanwijzingen dat het symbool staat voor de valstrik van het leven. Zo van denk erom, dat je hier heerlijk rondloopt en schaatst maar dat je je op glad ijs begeeft en het zomaar afgelopen kan zijn. He, dat moet die meneer niet zeggen, niet andaag denkt mevrouw Bulte wankelend, maar volgt het groepje op de voet. Ze verliest zich helemaal in de verhalen van de man, die zo boeiend zijn en zo duidelijk verteld. Nog heel eventjes laat ik jullie dit zien, zegt hij steeds voor hij naar een volgend schilderij gaat, maar daar spreekt hij dan ook weer geruime tijd. Wat vreemd denkt mevrouw Bulte, wat wisselt ons groepje weinig, De mensen die er zijn blijven geboeid staan kijken, maar je zou toch denken dat er zich meer mensen aansloten. Nou, zij blijft wel luisteren hoor naar die aardige meneer en ze knikt hem vriendelijk toe. Het zal toch niet meevallen daar aan een stuk door te praten. De anderen staan er een beetje harkerig bij vindt mevrouw Bulte. Vooral een man in een overdreven krijtjespak. Hij lijkt precies op een tekening van Peter van straaten, denkt mevrouw Bulte verbaasd. Ze dacht dat van Straaten de mensen een beetje karikatureel dik aanzette, maar deze man is echt zo. Zo'n een rijzige gestalte met een onverwacht dikke buik waarop een stropdas met gouden speld veel te gekleed aandoet in deze omgeving. Mevrouw Bulte voelt dat ze uit de toon valt. Het hele groepje is met een saus van gewichtigheid overgoten; de dames in ongemakkelijke zwarte pantyś wel wat zenuwachtig over haar oude kreukelige jasje en uitgelubberde dames broek.
Laat je niet zenuwachtig maken, Stien, zegt ze tegen zichzelf. Alles is betrekkelijk. We zijn in een andere tijd dan in die van de Schutters. Nu mogen alle rangen en standen zich over het nationaal kunstbezit buigen.
De meneer die de rondleiding geeft,hamert daar eigenlijk bij ieder schilderij ook op. Heeft de schilder hierniet het vergankelijk van het aardse uit willen beelden, vraagt hij steeds. De mens richt zijn aandacht richt op goud en goed, maar dat de mooiste dingen veranderen in lompen Zou hijniet liever meer spirtueel in het leven staan? Ook hier weer bij een prachtig schilderij van claasz, die citroenen en tinnen borden schilderde. Het lijkt wel of mevrouw Bulte aanwezig is in die kamer zo precies is het geschilderd. Maar de verse citroen zal vergaan, zo ook het dure brood en de wijn, zegt de man met het vlaamse accent vriendelijk. mevrouw Bulte kijkt de rondleider met vochtige ogen aan. Hoe diep is dit uit haar ziel gegrepen!
Enthusiast leidt de verrukkelijke historicus de groep naar een andere zaal, maar mevrouw Bulte wordt opeens tegengehouden door de man in het overdreven krijtpak. Hij fluistert, Kan ik u misschien even spreken?
Ja, natuurlijk zegt mevrouw Bulte verbouwereerd. Wat zou die man nu van haar moeten? Ze zullen haar toch niet als expert der schilderkunst zien?
'Maar de toon van de man verandert..'Ïk heb gezien dat u nu al twee zalen met onze groep meeloopt, zegt hij verwijtend 'En dit is een prive-rondleiding. Ik zou het zeer op prijs stellen als u....
Een schok van ongeloof gaat door mevrouw Bulte. Ze voelt zich als een klein meisje dat weer niet mee mag doen met knikkeren. 'Meneer, zegt ze deels omdat nog niet geheel ingesteld is op de nieuwe situatie en deels omdat alles haar tegelijkertijd geheel en al duidelijk is.' U lijkt ṕrecies op een tekening van Peter van Straaten!
'Dat is goed, zegt de man, maar ik zou het zeer op prijs stellen als u ergens anders wilt gaan staan.'
'Ík ben vrij, antwoordt mevrouw Bulte verbolgen. Ik mag gaan en staan waar ik wil.'
Ze is helemaal in de war. Dat heb je nu als je een aftandse oude vrouw bent. De man is weer bij het groepje gaan staan. Mevrouw Bulte trilt van binnen. Als een dief in de nacht komen stormachtige gevoelens van depressie op. Ze wordt er een beetje boos van. Ze gaat op een afstandje staan en doet of ze naar een ander schilderij staart. Zoveel mensen blijven even hangen bij de groep., ziet ze vanuit een ooghoek. Op deze afstand kan ze alles nog goed volgen. Ze gaat heel stout bij het Joodse bruidje staan. Hoewel de groep er wat van af staat gaat de uitleg precies daar over. Door de zenuwen lukt het haar niet meer iets op te nemen. Maar ach, dat heeft ze allemaal al eens gelezen , het gaat om die hand op de borst van het bruidje. Het tolt mevrouw Bulte. 'Laten we allemaal wat dichterbij het schilderij gaan staan, zegt de rondleider.
Mevrouw Bulte schiet weg als het krijtjespak met grote passen en een zelfingenomen glimlach op haar kant op komt. Ze neemt verdekt plaats op de ronde zachte bank die in het midden van de zaal staat. 'He, he even zitten, fluistert in het sjiek zwart geklede dame haar in het oor.
. Hoort u ook bij het groepje? Fluistert mevrouw Bulte terug want deze steen moet haar zo snel mogelijk van haar hart.
Ja, Het is een bedrijfsuitje., zegt de zwaar opgemaakte vrouw. Ze heeft een plat amsterdams accent.'We rennen al de hele dag, van de rondvaart naar hier. Ik hoor zelf niet bij het bedrijf, hoor!
Mijn man werkt sinds augustus als buitenmedewerker. Mevrouw Bulte denkt vaag aan de plantsoenendienst. 'Computers en randapparatuur, fluistert de vrouw verder.
O, zegt mevrouw Bulte. Nu, mij hebben ze zojuist weggestuurd! Ze snuift.
Hoezo?
Nou, die meneer daar, met dat streepjespak, die zei dat het een prive-aangelegendheid was.
Is dat de baas?
O, lacht de vrouw, Welnee, dat is de baas niet hoor. Die doet of hij de baas is. Mevrouw Bulteś hart wordt wat rustiger maar Het meisje van vermeer gaat er bij haar niet meer in. Ze hoort nog iets over het blauw dat indertijd kostbaarder dan diamanten was en dus wel in opdracht geschilderd moest zijn geworden, maar het fijne ontgaat haar. \het zijn zelf de schutters, denkt mevrouw Bule schamper als ze even later voor de Nachtwacht staan.Ze zijn de schutters die naar zichzelf kijken en het niet begrijpen!Wat een farce zo een bedrijf, met allerlei onderlinge machtsstructuren in zo een groep. Gelukkig maar dat ze oud is, denkt mevrouw Bulte. Anders zat zij nu misschien op kantoor. Bij die vent. Wat zou hij haar pesten! Hij staat machtig achter een blonde vrouw met zijn bolle buik en massert haar heel intiem op haar billen. Afschuwelijk, wat zo een vrouw doorstaan voor wat nep juwelen. De groep luistert met gemelijke gezichten naar de uitleg over de schaduw die naar een speer leidt en een fallische betekenis heeft. Niet te geloven, hoe weinig het leven in zijn diepste wezen verandert is , denkt mevrouw Bulte en kikkert wat op van haar eigen wijsheid..
Trein ter gewenning
Je kunt -best aan de dingen gewennen.Heus wel. Je moet toch ook aan het er zijn gewennen. Hoewel het leven vol gevaren is, leeft de mens toch vrolijk op aard en er zijn er genoeg zonder angsten. En die hoef je ook niet te hebben tenslotte, Het is alsof God je wiegt, denkt mevrouw Bulte terwijl de bank onder haar trilt.
Ze zit in de trein met zoń fijn gratis kaartje. Ze moest er een boekje voor bemachtigen, maar dat ging heel vlot dit jaar. Gewoon uit de bibliotheek geleend. Ze kan de hele dag zich laten dragen, mijmert ze. Kris kras door het land. Wat zou haar daarbij opvallen? Hoe veel lege plekken er eigenlijk in Nederland zijn. En nergens een zwerfend papiertje. Wat houden die mensen hun voortuintjes schoon, Dar kan mevrouw Bulte nog wat van leren! De zon staat al laag, want ze is pas laat op stap gegaan. Want alles kost haar moeite. Dan wil ze toch nog met een lippenstiftje de deur uit. Sleutels, jas. Buskaart, treinkaart, museumkaart. Want die heeft mevrouw Bulte ook. Natuurlijk. Alleen maar in die trein is een beetje wereldvreemd en het heeft iets ledigs. Ledigheid is den duivels oorkussen, dat wisten ze al in het oude Egypte en ze hebbn het op papyrusrollen geschreven voor ons nageslacht. Natuurlijk stapt ze strakjes ergens wel uit. Gewoon hup, ergens een gratis gelegendheid in.Je moet die dingen eigenlijk nauwkeurig plannen, Stien, bromt ze. Je gaat niet zomaar naar Nijmegen. Maar er heerst een heerlijke gedachtenloosheid in haar hoofd.Vooralsnog weet ze niet waar ze heen gaat.
Laat je maar dragen, Stientje, denkt ze dan. De trein is als een sterke vader en jij zit achterin zijn wagen. Hop paardje hop. De kou kan jou niet deren. O, o, wat is het landschap toch machtig interessant. Hoe anders ziet Nederland eruit als ze zo die boerderijen aanschouwt dan ze uit de krant verneemt. Dat kleine pietepeuterige van de politiek die alles maar wil beheersen met wetjes, ziet ze niet terug. Dit zijn die boerderijen die er stáán. Ze staan er. Generaties gaan voorbij, maar die huizen veranderen nauwelijks. Zo is het ook in het lieve leven Stien, je moet staan. Je bent er gewoon. Grote wijde stappen nemen, niet dat vergeefmerigge. Daar moet ze van af. Ze lijkt wel een kruiperige kabouter. Slijmbal. Nee, ik ben er omdat ik er ben. En zo is het nu eenmaal.
Deze treinreis is therapie, denkt mevrouw Bulte. Hoe die simpele rieten daken zoveel wijsheid naar haar over dragen. Gratis! En je ziet ook zo fijn dat andere mensen allemaal onbekommerd aktiviteiten ontwikkelen. Meisjes te paard. Dat is toch verrukkelijk. Mannen lopen met stevige stappen terwijl ze hun telefoons raadplegen. Heren met geweren die in groepjes bijelkaar staan. Vrouwen met bontkragen die fietsen. Alles komt voorbij. Al die levens! Al die wapperende vlaggen! Mevrouw Bulte is er maar een slappe vaatdoek bij.
Je moet maar vaker reizen Stientje. Dat gemijmer aan de keukentafel leidt niet tot resultaten. Dat heb je nu al decennia gedaan zonder iets te bewerkstelligen. Een mens hoort de dingen te bewerkstelligen. En wat weerhoudt mij daarvan? denkt mevrouw Bulte terwijl ze haar lippen tuit. Waarom blijft alles zo in de modder steken. Is het schaamte?
Schaamte schiet het door haar heen. Ja, daar zit de kern, denkt mevrouw Bulte. Ik vind het moeilijk te begrijpen dat de mens zo ongegeneerd pret kan maken. Paardje rijden, paardje rijden. Meisjes dat zullen jullie bezuren. Fietsen? Steppen? Maak je je daar eigenlijk niet mee ten schande?
Ja, analyseert mevrouw Bulte zichzelf, het menszijn heeft iets beschamends. Je mag een beperkte tijd op de aarde ronddollen. Of rondtollen want dollen loopt altijd slecht af. Maar ondertussen trek jij echt niet aan de touwtjes. Dat doet het lot. En om dan toch heel serieus te geloven dat je iets belangrijks doet, dat je een heerlijke fietstochtje maakt, dat je naar je schoonmoeders verjaardag rijdt, dat je je tijd zomaar mag vullen met plezier, dat beschaamt me. Ik wil de illusie doorzien. Maar ondertussen moet je toch honderd jaar volmaken? zegt ze tegen zichzelf. En dat heb jij gedaan met gemijmer. Maakt dat je minder dom? Nee, driewerf nee! Maar er is geen productie. En daar heeft mevrouw Bulte toch wel bewondering voor. Voor mensen die produceren. Die iets nalaten aan het mensdom. Het er zijn zonder sporen na te laten is zo mogelijk een nog grotere zonde, beseft ze. En daarom ben jij zo depressief, Stientje Bulte Want denk erom dat mevrouw Bulte zichzelf kent!
Wat houd je nog meer inaktief? Goh, ze is wel serieus aan het werk zeg! Het is of een vreemde ik haar tot de orde roept.
. Misschien heb ik nog dna in me van de luiaard of de krekel in me die acht jaar slaapt en dan weer tot leven komt, antwoordt ze zichzelf flauw want ze voelt zich in het nauw gedreven,
Dus al die mensen hebben gelijk. Ze doen iets. Ze zijn nijverig en opgewekt. Niet van dat Nietzsche-gedoe dat alles verlamt. Nu ja, ze heeft natuurlijk ook al een bepaalde leeftijd en ze gaat er nu toch ook op uit. Ze probeert haar tijd toch te vullen zoals een normaal mens dat doet.
Geniet zij dadelijk niet van een mooie tentoonstelling ergens. Want daar staat mevrouw Bulte altijd weer verbaasd over, hoe grappig en mooi ze dat etalagewerk doen in die musea. Want dat is het natuurlijk. Al wat tentoonstellingmakers doen, is de werkelijkheid benadrukken en door de verpakking de boel te accentueren. Ze verzinnen de gekste dingen en het loont. De mensen betalen grif voor een entreekaartje. Soms is het zelfs verbazendwekkend dat je gaat kijken naar tentoongestelde theedoeken of uitvergrote vakantiekiekjes. Je zou je zelfs een museum voor kunnen stellen waarin ze in film draaien van het landschap dat voorbij raast met gedachten van de oude vrouw. Nou, ze doen het hoor!
Als het maar geld in het laatje brengt. De mens doet niet alleen de dingen vanuit ambitie of voor de lol maar ook om er beter van te worden. Dat is ook een motor die de mens voortdrijft. En daar kan mevrouw Bulte niet van profiteren. Ze zal het dus van haar ambitie moeten hebben. Tja.Wat zou je dan willen, vraagt ze zich af. De dagen van de vorstelijke viool zijn allang voorbij. Boeken schrijven kan ze niet. Alleen al het er zijn kost al haar energie. Want dat is toch ook een opgave an sich, denkt mevrouw Bulte. Ik ben hier en al doe ik niemand kwaad, ik stap maar in het luchtledige. Het is of je in een andere dimensie zit dan de andere mensen. Onzichtbaar in het grote zwarte gat. Maar de mensen zien mij..Zij spreken met mij, knikken mij toe. Ik ben in dezelfde dimensie als zij. Ik mag hier gewoon zitten in de trein, Ik heb een gratis kaartje. Niemand gaat mij arresteren. Ik mag er zijn, sterker nog ik hoor hier te zijn. Iets of iemand heeft dat ooit zo gewild en zelfs al zou ik verlegen een stap opzij doen, ik kan niet anders dan de ruimte innemen die ik inneem. \ik mag er zijn, dendert de trein. \ik mag er zijn. \ik hoor hier te zijn. Ik ben er. Het leven is een reis. Een reis ter gewenning, denkt mevrouw Bulte en ze hoopt maar dat aan het einde van die reis God haar ondanks haar nutteloosheid genadig zal zijn.
Atonomie van de waarheid
Hoe kun je nu zo oud worden als mevrouw Bulte en nog steeds gewond raken door de ongevoeligheid van anderen. Het is mevrouw Bulte een raadsel. En toch gebeurt het haar regelmatig. Ze kan zo op haar vingers meerdere pijnlijke incidenten tellen deze laatste dagen. Onverdraaglijk! En toch blijft ze gewoon doorademen Dat is nog het meest verbazingwekkend.
Het is of ze opgesloten zit in haar eigen verschijning, bepeinst ze. Er moet toch een reden zijn waarom mensen op haar reageren zoals ze reageren? Er is iets in haar dat minachting opwekt. Zijzelf opent haar hart wel regelmatig voor de zwakheden van de mensheid. Waarom kunnen anderen mensen dat dan niet?
Mevrouw Bulte loopt door de inktzwarte kerstnacht naar het station. Hoewel het hartje winter is heeft de avond iets zwoels. Ze heeft de hele middag bij de Poeten van de Haarlemmerpoort vertoeft en heeft daar zowel magische als moeizame momenten beleeft. Mevrouw Bulte heeft altijd een grote bewondering voor mevrouw Leenschat van Bodengraven. Hoe ze door haar neus ademt en het hoofd altijd fier recht voor zich uit houdt. Alsof ze net iets meer weet dan de rest van de mensheid. Maar die idolatie is mevrouw Bulte duur komen te staan. Ze is al vaker op het moment surpreme afgewezen. Met het gemoed als een uitgewrongen doek loopt mevrouw Bulte verwezen naar de verlaten stationhal. Ze mag niet klagen, want ze heeft een vervuld leven. Het is fijn om lid te zijn van een zo fijn gezelschap als de Poeten van de Haarlemmerpoort. De lichtjes, de kleuren, de harmonie en de muziek, de dichtkunst! Eigenlijk is ieder mens een zoekende, want allen hebben hun eigen redenen om dan maar wat bij elkaar te drommen.
Alleen mevrouw Leenschat van Bodegraven niet. Mevrouw Leenschat van Bodegraven zoekt niet, mevrouw Leenschat van Bodegraven is! Zij is de dichteres en mevrouw Bulte wordt slechts minzaam door haar getolereerd. Want zo is het en niet anders. Laat de waarheid maar ontleed worden, denkt mevrouw Bulte bitter.
Ook vanavond voelt ze zich tot op het bot beledigd. Hoewel ze de gebeurtenis vakkundig verdringt tot ze op huis aangaat, dringt een en ander goed tot haar door. Ze heeft God al gebeden, hoor, vlak voor ze van huis ging, opdat ze onzichtbaar in de massa op zou gaan, maar het heeft niet mogen baten. Nee, God wil juist dat ze haar positie nauwkeurig registreert.
Hoewel het allemaal heel vriendelijk begon, had ze haar eerste cruciale fout al gemaakt toen ze de pasta van vrouw Leenschat in eerste instantie niet wilde nuttigen. Kijk, mevrouw Bulte loopt liever te rammelen van de honger dan dat ze tot overlast is. Maar dat onlogische twijfelgedrag wekte irritatie op en ze werd gesommeerd haar bordje leeg te eten. En zo liep mevrouw Leenschat van Bodengrave te redderen tot iedereen at en er in de keuken geen schoon vorkje meer te vinden was.
Kijk, op zo een moment komt mevrouw Bulte in actie. 'Ik maak mijn vork even voor je schoon!' riep ze haar toe, blij van enige betekenis te kunnen zijn. Ze was naar de hete kraan gerend en had haar vork langdurig onder de kokende straal gehouden. Want ze begrijpt uit zich zelf dat een dame als mevrouw Leenschat van Bodengraven een beetje huiverig is voor alles wat uit de mond van Stientje Bulte komt. Ze had er dus keurig rekening meegehouden, maar het was allemaal nog erger. Mevrouw Leenschat Bodengraven had snel ergens een theelepeltje weggegrist. Daar at ze nu schichtig haar bordje mee leeg. Nog even sprankelde de hoop in mevrouw Bulte dat ze haar een plezier kon doen. Kijk, hield ze de vork triomfantelijk omhoog. Een blinkend schone vork! Maar het gezicht van Leenschat verduisterde nog meer en ze gooide de vork snel op het bord van een verbaasde omstander, die er al een had.
Mevrouw Bulte trok zich snel terug. Wat moest ze anders? De rest van de avond was als een waas aan haar voorbij gegaan. Ze had nog gelachen en geklapt. Mevrouw Leenschat had haar tevreden gadegeslagen. Goed zo, die onnozelaar heeft niets in de gaten , moet ze gedacht hebben.
Mevrouw Bulte stampt bozig de trap op naar het perron. Er wellen zoveel emoties in haar op, dat ze naar adem snakt. Ja, denkt ze verbolgen, in dit soort toestanden gooit een mens zich voor de trein. Boem, gewoon weg! Maar een mens is volwassen en moet maar zijn psychische vangnet uitspreiden. Want morgen komt de zon weer op en eet ze een beschuit met muisjes. Toch?
En eigenlijk is het een teken van hooghartigheid van mevrouw Leenschat van Bodegraven. Al dat gezemel over kerstmis en deemoedigheid, nou, dank je de koekkoek! Mevrouw Bulte zou zelf de grootste zwerver niet zo behandelen. Wat haar steekt, is dat Mevrouw Leenschat haar als walgelijk inschat. En natuurlijk heeft mevrouw Bulte zo haar geheimen. Ze kan niet erg hoog van de toren blazen en doen of ze mevrouw Leenschats gelijke is op het gebied van keurig zijn.
Er komt een dame naast haar zitten. Ze is de zeventig al gepasseerd maar zit nog in zo'n speciaal molokovboekje te krassen. Mevrouw Bulte kent ze wel. Ze zijn alleen in musea te koop voor gerenommeerde intellectuelen. Zijzelf heeft er nooit een bezeten. Te duur, te uitsloverig. Maar zou deze dame per ongeluk geen zielsverwant kunnen zijn?
“Zo, bent u aan het tekenen?', vraagt ze opeens.
Soms is ze verbaasd dat er zomaar geluid uit haar binnenste komt. Wie had haar toestemming gegeven te spreken? Soms lijkt het of ze met het klimmen der jaren de ongeschreven regels van al het decorum aan haar laars lapt.
Haastig klapt de vrouw het boekje dicht.
Mevrouw Bulte let niet op de waarschuwende stemmen uit het heelal die haar voor leed en verschuttingen willen sparen. Ze is er te opgewonden voor. Nou dan pleegt ze sociale zelfmoord. Niets kan haar meer deren.
'U tekent?' herhaalt ze weer.
'Nee, ik schrijf iets,' zegt de vrouw op afgemeten.
Maar dan in een bui van onbewaakt trots laat de vrouw toch de bladzij zien. Het is een schets van een man. Direct en foutloos met een inktpen getekend, erkent mevrouw Bulte.
'Ziet u wel. Ik schrijf.'
Haar vinger wijst op een zinnetje eronder. Kerstnacht, leest mevrouw Bulte. Het handschrift lijkt haar al kunst op zich, met mooie aparte halen.
Wat er nog meer staat kan mevrouw Bulte niet lezen, omdat er toch een soort innerlijke discretie zich van haar meester maakt.
'O, wat heerlijk, dat u schrijft en tekent. Dat heb ik ook mijn hele leven al willen doen.'
'Zo,' zegt de vrouw spottend. 'Nou, dat dan is leuk...'
Meteen staat mevrouw Bulte gekwetst op. Waarom weet deze mevrouw zo zeker dat zij niet de moeite waard is om een gesprek mee aan te gaan. Waar baseert zij het op dat zij niets zou kunnen? En dan dat toontje, alsof ze het tegen een geestelijk gehandicapte heeft die de regelen der omgangskunst niet kent.
“Sorry hoor, dat ik zomaar iets tegen u zei,' zegt ze verontwaardigd en ze loopt driftig weg. Mevrouw Bulte gaat een bank verder zitten en wacht trillend tot de trein haar lichamelijke resten naar huis vervoert.
Alles nieuw
Wat een verrukkelijke morgen. De zon komt waterig binnen en schijnt op de beslagen ramen. Het is bijna een Ikea-kamertje snuift mevrouw Bulte tevreden. Tenminste als je alle rommel wegdenkt. Waarom lukt het haar toch niet om de boel praktisch en gezellig te maken. Want reken maar dat er kunstcoaches zijn die dat in een handomdraai doen. Mevrouw Bulte zit bij het raam en fantaseert. Zomaar opeens geld in overvloed. Schuchter gaat ze naar de balie van Ikea-familie&friends. Ze zal nooit een vriendin worden, niet mevrouw Bulte die van al dat fonduen geen kaas heeft gegeten, maar ach, als je maar geld in je knuistje hebt. Een jong meisje kijkt haar vriendelijk aan, of nee, een knappe jongen in zo'n rechte-schouders-overhemd.
'Mevrouw, kan ik u ergens mee van dienst zijn?'
'Ach, meneer,' droomt mevrouw Bulte verder. 'Het is zo gelegen dat ik zeer klein woon. Alles is tot op het minimale berekend op een bejaarde. En nu heb ik een klein miljoen euro gewonnen. Mijn vraag is, bestaat er zo iets als een Ikea Smaakconsultant, die tegen betaling uiteraard, bij mij thuis de boel eens wat leefbaarder zou willen maken?'
Hier stokt mevrouw Bulte... Zo'n consult bestaat natuurlijk niet en bovendien hebben ze alles al zo makkelijk gemaakt dat een normaal mens dat zelf wel moet kunnen uit puzzelen. Maar mevrouw Bulte duizelt het al als ze de catalogus in kijkt.
Maar de jongeman klikt even iets op zijn computer en belt dan op. Binnen een paar minuten komt er een opgedirkte tante aan de balie. Mevrouw Bulte schrikt. Kijk, dat is nu wel even een zure appel waar je doorbijten moet. Zo'n madam die straks naar alles wat je dierbaar is met een vies gezicht kijkt , onder voortdurend zuchten.
“Ach, ik wil alleen maar een beeld van de mogelijkheden,' zegt mevrouw Bulte daarom ferm. Een tekening en een lijst met benodigdheden is mij genoeg.'
'Maar wilt u dan niet dat wij alles kant en klaar bij u langs brengen, ophangen, installeren?”
Jawel, dat wil mevrouw Bulte wel, maar liever door een paar sympathieke volksjongens. Hoewel, is dat niet een beetje te gevaarlijk..een miljoen? Met al die anonieme hulp blijft je postcode geheid niet geheim. Je zou geen moment rust meer hebben.
' U woont hier in Amsterdam?' pakt de mevrouw in het mantelpakje door. Ze heeft zo'n een strenge knot uit de jaren zestig. Weer helemaal mode, weet mevrouw Bulte.
'eh..ja, in het centrum. Ook dat nog. In het centrum. Een miljoen euro en in het centrum, houd toch op mens!
' Prima,' zegt de vrouw. Ja, allicht vindt zij dat prima, moppert mevrouw Bulte. Nu opeens wel, he, nu ze met een stapeltje bankbiljetten wappert. Maar hoe doen al die andere bezoekers het dan? Niets anders dan met wapperen anders konden ze gauw weer vertrekken.
'Wilt u alles nieuw of gewoon wat aanpassingen?' komt de dame weer ter zake.
Mevrouw Bulte kijkt verwezen de kamer rond.
'Er is gewoon teveel van alles. Ik wil ruimte creëren. Kasten, met duidelijke stickers erop. Orde en comfort.'
'Juist ja, en in wat voor stijl ziet u zich wonen?'
'Wat voor stijl, wat voor stijl?' Mevrouw Bulte denkt diep na. 'Bohemien,' zegt ze dan fier. Is dat ook een stijl?'
“O, ja wel hoor', zegt de dame. Daar kan ik wel iets mee.'
Ze kan er wel iets mee. Mevrouw Bulte kan nooit de vinger erop leggen, maar voor haar ontbreekt een belangrijk werkwoord in deze zin.
' Hoe groot is uw kamer ongeveer?'
'Welnu, mijn huis heeft sterke trekken van een schoenendoos,' zegt mevrouw Bulte ernstig. Het is een doos met vakken erin. Daarom ben ik ook naar Ikea gekomen. Die weten wat ik bedoel. Het heeft een langwerpige huiskamer, een kleinere evenwijdige slaapkamer en een natte cel. Dan is er nog een keukentje van anderhalf bij anderhalve meter en een hal van een vierkante meter. '
Het geheel beslaat ongeveer 35 vierkante meter. Dat belemmert uw fantasiestroom misschien?'
“ O nee, mevrouw, integendeel. Het is ons grootste genot om van een schoenendoos een leefkuil te maken. Want denk erom mevrouw Bulte, dat schoonheid om je heen wat uit maakt voor je gevoelsleven!'
Mevrouw Bulte knikt. Ze krijgt dadelijk visioenen van bloeiende gordijnen met gracieuze vitrage.
'Kom, dan maken we een rondje', zegt de vrouw.
“Oh, oh wat prachtig. Wat een heerlijke sta-op stoel! Helemaal van leer en toch niet ouwelijk.
Maar ik kan nog wel zelf...
Het is niet erg toekomstgericht te denken, zegt de vrouw prompt “en als u eens lui bent, een daar van verdenk ik u wel, mevrouw Bulte, dan wipt die stoel u ongenadig eruit na een uurtje. Dat kunnen je tegenwoordig allemaal programmeren.'
Ze lopen langs muren die kasten blijken te zijn. Mevrouw Bulte kwijlt bijna. Geen rommeltje meer te zien in huis. Hoezee, hoezee!!
“En dan het klapstuk, mevrouw Bulte, het bed?” Kijk, dit bed is zo hoog als uw billen. Heerlijk. Eronder zeeen van ruimte. Daarin gaan karretjes met wieltjes. In alle kleuren mevrouw Bulte. Zwart voor de sokken. Wit voor nachtjaponnen en b.h.'s. Bent u een tassengek? Helemaal geen probleem mevrouw Bulte. Hier is een draaisysteem. U trekt ze zo allemaal onder u bed vandaan? “
Nou, nou, mevrouw Bulte is onder de indruk.
'En iedereen heeft natuurlijk nu een flatscreen. Dat levert ook enorm veel ruimte op. Al wil men hem aan het plafond. Dan kunt u zo vanuit uw bedje heerlijk kijken.'
“Goh, geld maakt toch wel het verschil in het lieve leven. Ze is blij dat ze de 73 heeft bereikt zonder dat goed en wel te beseffen. Want ja, geld heeft ze nooit bezeten. Het is net of God af en toe haar wat zakgeld toegooit, waarmee ze net niet dood gaat. Nu, ja, er zijn mensen die dingen op afbetaling gaan kopen. Daar heeft God haar altijd voor behoed. En ja, dan kun je ook met die paar stuivers toe. Weet je wat, straks gaat mevrouw Bulte heerlijk naar de kringloop. Had ze niet zojuist bewezen zelf een bijzonder woonconsulent te zijn?
ongewenst einde
De dag dat mevrouw Bulte harikiri zal plegen is uiterst vreedzaam begonnen..
Eigenlijk voelt ze vandaag een vreugde die haar nogal vreemd is. En er is hoop dat alles vreugdevol zal blijven, Want wordt dat niet eens tijd in het gelimiteerde bestaan van mevrouw Bulte? Of is het omdat ze de sleutel gevonden heeft: dozen, duizenden dozen waar je dingen in op kan bergen, met vrolijke etiketten erop. Ze is er al dagen over aan het malen. Ze is er zolang over aan het broeden geweest tot zich langzaam een plan begint ontvouwen. Vaag nog, maar met veel verborgen kasten en draaideuren en wieltjes. Alles zal er bedrieglijk eenvoudig uitzien. Ze heeft er ook al veel fysiek werk voor verzet. Ze heeft zich steeds met haar daar niet op berekende lendenen naar de bouwmarkt begeven, soms op een drafje, soms schuifelend maar steeds arriverend!
Met keurig uitgeknipte kortingsbonnen van Gerard die de moeite nauwelijks waard zijn in haar hand. Kijk, dat zijn dingen die mevrouw Bulte voor haar geliefde doorstaat, als het zo een man gelukkig maakt, dan doet ze dat met ogen dicht. Want tenslotte gaat alle eer aan Gerard, hij is de aansteker tot deze nieuwe wending in het huis van mevrouw Bulte. En en passant blijft Gerard steeds vaker logeren. Gerard is er en dat geeft haar de kracht van veertig paarden. Daarom kan ze het ook goed volhouden. Het moet! Aardappeltjes met jus klaarmaken, weer metéén afwassen. Een maalstroom van werkzaamheden die geen ander eindpunt hebben dan Gerard te verwennen, te laten gedijen, gunstig te stemmen. Want het is een man waar je moeilijk hoogte van kan krijgen. Hij moppert voortdurend op mevrouw Bulte maar hij blijft trouw.
En mevrouw Bulte is vastbesloten deze vlinder te vangen. Hij zal onderuit gaan in de goede zorgen van mevrouw Bulte, met pantoffeltjes erbij! Maar mevrouw Bulte let niet op. Door al dat geren heeft mevrouw Bulte geen tijd om naar haar voelsprietjes te luisteren, dat als koren voor de storm aanvangt, begint te deinen. Ze heeft het te druk met het geluk! Mevrouw Bulte loopt er achteraan met een verjaard vlindernetje. Ze hoopt en droomt en verlangens wellen op die er niet horen te zijn! Pas toch op mevrouw Bulte! Wat denk je wel. Wil je een onbeschimmeld badkamertje met een electrische afzuigkap! Hoe haal je het in je domme hoofdje.
Maar mevrouw Bulte heeft de centjes in haar hand. Ze heeft er voor gespaard, zou je kunnen zeggen. Ze haalt een afzuigkap in huis met drie jaar garantie. Want Gerard kan alles! Voor een oud elektricien is dat een kleinigheidje.
Maar Gerard is wel oud en moet vaak rusten. Geeft niet, jongen, geeft niet! Haar eigen vrijer die de lampjes indraait, de geur van spijkers op hun kop. Natuurlijk is alles een illusie, maar nu even niet. Hoor je me, Gerard, nu even niet!
Maar Gerard blijft steeds langer hangen op de bank. Ja, keurig hoor. Hij weet precies hoe hij een glanzend biertje in moet schenken. Met een servetje, die mevrouw Bulte hem schielijk toewerpt. Hij moet daar berekeningen op maken. Dit is niet zo maar iets. Daar moeten dagen voor worden uitgetrokken. En er ontbreken onvindbare gereedschappen. Die moeten nog gekocht ergens. Geeft niet, Gerard. Dan gaan we meteen koffiedrinken met gebak!
Het is moeilijk, werpt Gerard tegen. Misschien moet iemand anders het maar doen. De dromen van mevrouw Bulte spatten uiteen. Ze houdt ze echter vast. Ze kan ook veel zelf! Ze sleept wel wat dingen her en daar weg. Het gaat om de essentiële dingen Gerard.
Het huisje zit vastgedraaid als een jas in een fietsketting. We moeten dus achteruitlopen, Gerard. Even al die rotzooi de deur uit. Dan kopen we iets nieuws dat beter past.
Ben je gek, zegt Gerard. Nog meer spullen? Dat is nergens voor nodig.
O.k. Nu dan gaan we de speciale apparatuur halen. De essentie Gerard.
Dat is goed Maar ik moet eerst nog douchen, zegt Gerard.
Mevrouw Bulte staart hem verwezen aan. Maar de winkels gaan dadelijk sluiten, het is al bijna vijf uur. Zo kan ik de deur niet uit, zegt Gerard. Ook het douchen neemt veel rituelen in beslag, weet mevrouw Bulte bedroefd. Er moeten veel haar onbekende hindernissen genomen worden, daar in het natte celletje. '
Na een kwartier venijnig douchen komt Gerard opeens de badkamer uit.
'Zeg, wat is dat voor zeep, dat je me steeds laat gebruiken?'
Mevrouw Bulte hoofd raakt helemaal leeg van schrik.
'Dit is balsam voor je haar! En daar was ik me al drie weken mee!'
“Gerard kijkt haar zo getergd aan dat mevrouw Bulte opeens lachen. Meteen komt er een vreemde trek op zijn gezicht. Hij schuifelt zonder veel geluid door de kamer en begint zich lijdzaam aan te kleden. Mevrouw Bulte beseft dat dit keer de fiets van Gerard zelf is vastgelopen. Hij zal niet verder gaan met klussen. Mevrouw Bulte hoort het in het halletje.hoe hij zijn jas dichtritst,
Een diepe woede welt op in mevrouw Bulte. Weer zit ze met de ravage en onafgemaakte projecten in huis. En zo een benepen vent, die moet het maar eens voelen hoor!
' Kun je wel, zegt ze zachtjes dreigend 'tegen een arme, arme vrouw?'Wat geeft dat nou dat je een verkeerde zeep hebt. Zeep is slecht voor de huid, dat weet iedere wetenschapper. Nee, het zit anders. Jij wil gewoon die ventilator niet voor me ophangen. Zo zit het. Je weet toch hoe moeilijk het hier is en dat ik geen hulp krijg. Is dat dan zoveel gevraagd? Ben ik niet goed voor je geweest? Maar Gerard gaat door met het zwijgzaam strikken van zijn keurige schoenen.
'Ga dan! Lafaard! ' gilt mevrouw Bulte nu. 'Het is uit, hoor je me. Het is uit!'
Ze beseft niet meer dat ze vanmorgen nog zo gelukkig was, dat er een warme man naast haar zat. Ze weet wel dat ze nu Harikiri pleegt, dat na deze uitval er geen weg meer terug is. Daardoor geselt de zweep van spijt nog harder want Gerards vertrek valt niet meer tegen te houden. Emotioneel is hij zo ver verwijderd. Dat is hij al die tijd geweest beseft mevrouw Bulte. Ze ziet voor haar ogen de noordpolen smelten en geen mens die het tegen kan houden. Zo komt het dat ze door een grens van hoop en verdriet heen gaat. De emoties gijzelen mevrouw Bulte en het is ze zoekt verwilderd naar een knop om zich zelf uit te zetten. Deze pijn is niet te harden. Je ne me quitte pas gilt in het in mevrouw Bulte en tegelijkertijd ga dan! . De hemel stort neer in het huisje van mevrouw Bulte. Brokstenen vliegen om haar oren, Haar levensdecor wordt verwoest door lichtende vlammen, maar het moet zo blijkbaar zijn Mevrouw Bulte brult van verdriet. Gerard wordt daarentegen des te stiller en sluit met toegeknepen billen de voordeur van mevrouw
Bulte.
Gehaald
S’morgens ligt er een brief op de mat, die dichtgeplakt, een officiële indruk maakt.
+ Mevrouw Bulte laat hem nog maar lekker even liggen. Ze is vanmorgen niet gelukkig of ongelukkig en kostbaar zijn de dagen dat ze gelijkmatig van karakter is. En nu met die brief kan het vriezen of dooien. Even komt de zon door in deze moessontijd van de herfst. Daardoor ziet ze van een afstandje dat er Vertrouwelijk op staat. Het moet toch niet gekker worden. Mevrouw Bulte loopt resoluut op de brief af en neemt hem in de hand. Vertrouwelijk en persoonlijk staat erop. Van wie de afzender is wordt bij eerste inspectie niet duidelijk.
Mevrouw Bulte opent de brief, waar bovenaan met grote letters staat: U HEEFT HET GEHAALD, MEVROUW BULTE! Er volgt nog een lang relaas, maar deze zin is mevrouw Bulte al genoeg en zwabberend gaat ze aan de tafel zitten. U heeft het gehaald, u heeft het gehaald. Hier moet ze toch nog even over nadenken. Ja, ze heeft het gehaald. Ze is al over de zeventig. Maar dat is tegenwoordig niet zo uitzonderlijk dat de gemeente je een brief stuurt.
En heeft ze het eigenlijk wel echt gehaald? Dat is de kwintensens. Aan de mond op mond beademing blijven heel wat mensen jarenlang doorsluimeren. Dus moet het iets van de tegenwoordige Big Brother wezen waar je zoveel van hoort. Ze weten van alles van je, terwijl je er zelf nog niet van op de hoogte bent. Dat communiceren ze je dan per post.
Mevrouw Bulte leest verder. Bericht van een nuchtere miljonair staat er.
Zo zo. De gemiddelde mens zou als hij het financieel kon, het glas wel heffen, hoor. Mevrouw Bulte leest en leest. Ze heeft kans op een Prijs. Dat is het enige zinnige wat ze eruit kan halen. Maar ja, een kans op een prijs is nog geen prijs. Ze moet over iets heen gezien hebben. Ze heeft het immers hebben gehaald. Er vallen veel blaadjes uit de enveloppe die een reclameachtige indruk maken. Met glimmende stickertjes. Nee, Mevrouw Bulte zucht. Ze heeft het wel door, hoor! Het is een goed opgezette valstrik.
Waarschijnlijk willen ze dat je iets koopt. Het gaat van de Readers Digest leest ze nu . Nu, dat las pa al vroeger. Van die malle boekjes met rare wederwaardigheden. Ze wist niet dat die nog bestaan. Ze bieden natuurlijk tijdschriften aan. Wat is ze toch een mabbel, dat ze in de brief hier geen informatie over kan vinden. Enfin, in de prullenbak er mee. U heeft het gehaald! Het is eigenlijk nog best brutaal ook van ze om dat te zeggen. Ze maakt zelf wel uit, of ze het gehaald heeft of niet. Mevrouw Bulte gooit de papieren met een klap in de vuilnisbak.
Maar toch stimuleert de brief. Zou het niet eens tijd worden voor een premie? Een prijs? Een diploma.Weet je wat, vandaag wandelt mevrouw Bulte eens naar de universiteit. Er is er een vlak bij. Het is heel mooi gebouw. Maar ze gelooft dat het daar om wiskunde of zo gaat. Kijk, er zijn grenzen. Stel je voor. Mevrouw Bulte ziet zich met een zwart hoedje in de collegebanken zitten. De magnificus komt op haar af. “Mevrouw Bulte, u heeft het gehaald!” Bah, eigenlijk klinkt dat nog te twijfelig ook. Hoezo. Heeft iemand datar aan getwijfeld dan.? Eindelijk hebben we achterhaald ….hier valt mevrouw Bulte stil
Wat ze weet niets van wiskunde, niet eens wat je er mee zou kunnen achterhalen. Nee, het moet een openbare universiteit zijn. Waar het normaal is dat je erbij gaat zitten. Filosofie! Ja!!! Heerlijk. Aan je gezicht kunnen ze niet zien dat je het niet kan volgen. Alleen jammer dat ze oud is, dat valt natuurlijk wel op tussen al die dromerige meisjes.
De rector nodigt haar uit naar voren te treden. Mevrouw Bulte, misschien kunt u uw betoog houden. Wij zijn allen benieuwd naar uw gedachtengoed over de noodzaak van een diploma voor mensen.
Ahum, schuchter gaat mevrouw Bulte naar de Katheder. U vraagt mij naar de verwerkeling van dromen, maar voor mij zit er een gevaarlijke kant aan mijnheer de conrector. Het lijkt logisch en goed het diploma te willen als tastbaar bewijs van kunnen, die leuk zijn voor diegenen die ze bezitten. Maar wat als men het niet haalt? Wat als de omstandigheden zo zijn dat je geen bewijs kunt overleggen van kunnen, omdat je geen onderwijs krijgen kon, omdat je genen het tegenhielden of familiedrama's in het gezin. Dan worden diezelde diplom's`tot guillotines mijnheer de rechter. Levenslang schuifelen mensen zonder diploma getekend in een gestreept pak. En ze worden gehoond, gehoond door hen die wel de proef doorstaan hebben. Maar waarom is het nodig mijne heren, dat we een proef doorstaan? De proef mooi te zijn, de proef intelligent te zijn, de proef aardig te zijn. De proef handig te zijn en bruikbaar in deze lieve maatschappij. Waarom kunnen we er niet gewoon zijn? Als we oud zijn en versleten, dan vraagt niemand meer naar onze diploma's. Op een gegeven moment heeft niemand het gehaald.
Straf
Mevrouw Bulte weet zelf niet hoe ze het kan. Ze doet de was van verschrikkelijke dagen. Kledingstukken waarin ze een week geleden nog vol hoop om hoogblikte naar het lot, liggen nu nat en verfomfaaid in de wasmand. Ja, bepeinst mevrouw Bulte, de mens winkelt en kwinkelt maar het dat lot dat verlinkelt. Ze zoekt keurig alleen witte dingen bij elkaar. Vreemd hoe snel ze die nieuwe gewoonte aangeleerd heeft. Want Gerard had natuurlijk wel gelijk. Gerard heeft altijd gelijk. Ze heeft al dagen niets van hem gehoord en ze is er niet gerust op. Het is tenslotte een oude man. Zou hij geen hartaanval hebben gekregen van de spanningen? Het is iemand die alles op zijn manier moet doen en wordt daar van afgeweken dan vervaagt Gerard als een Fata Morgana. Maar dat ligt aan mevrouw Bulte. Zij doet niet normaal. Misschien zijn er nog wel andere mannen aan haar gedrag gestorven. Van Johan heeft ze ook nooit meer iets gehoord. Door de aardbodem verzwolgen.
De trommel is nog vol met schone, nog te drogen was. Lijdzaam trekt mevrouw Bulte elk kledingstuk recht en hangt het op een knaapje te drogen. Ha! Denkt ze bitter. Nu kan ze wel opeens geduldig zijn. Langzaam en precies doet ze het. Zo hoef je niet te strijken. Daar heeft Gerard ook gelijk in gehad. Hoewel zij nooit strijkt, maar zo ziet het er beslist normaler uit. De geur van de natte was is heerlijk. Wasverzachter. Ook door Gerard ingebracht. Het lijkt wel een drug die haar depressie wegjaagt. Leed moet plaats maken voor verrukkingen. Mevrouw Bulte haalt diep adem. Het is alles zo onwerkelijk. Hoe graag zou ze nu niet een kopje koffie maken voor Gerard. Maar Gerard is weg. Het is uit. Voorgoed. Alle hoop vervlogen.
De vogels kwirrelen buiten en het verkeer trekt weer op. Hebben andere mensen zulke momenten dan nooit? Vraagt mevrouw Bulte zich af. Buiten maakt iedereen gewone prietpraatjes. Maar het schijnt mevrouw Bulte toe dat ze gestorven is en allang geen lichaam meer heeft, maar nog steeds in een gelukzalig kamertje staat. van vlees en bloed.
“Ik wil bij je zijn, fluistert ze. Toe nou,' ze legt haar wang tegen een warme handdoek. Wat is God toch genadig. Ook al heeft een mens niets meer, dan nog voel je je bestaan als een liefdevolle daad. Daar moet ze lering uit trekken. Uit dit gevoel. Mevrouw Bulte wiegt zichzelf zachtjes.
Je kunt toch niet in die ander kruipen, Stientje Bulte. Stond er zoiets niet in de bijbel.?
' Ik haal een uit zijn warme bedje zo naar de hemel en de ander blijft achter in het koude bed? En hoe kan ze nu ooit nog naar de hemel? Ze heeft alles verpest. Ze is tekeer gegaan als een...mevrouw Bulte kan er niet eens het woord voor bedenken. Waarom nu je zelf troosten? Waarom mild met jezelf zijn? Heeft niet elke TBSer in een opwelling gehandeld?
Het is of mevrouw Bulte onder de hamer is gegaan, een proces achter de rug heeft en door de rechter schuldig is bevonden, maar ze daarna gewoon mag gaan. Gaat u maar naar de HEMA tompoezen eten. Bah, wat een vonnis. Anderen krijgen jaren en j'aren en zij....Mevrouw Bulte wordt er helemaal kriegel van. Ja, zij zou ook eens een schuld in willen lossen, hoewel dat in diepste wezen ook niet mogelijk is. Maar toch... Dit terugvallen in een wolk van waspoeder is te beschamend.
'Kom op, Stien. Gedane zaken nemen geen keer. Je moet hard tegen jezelf zijn. Opdat je dit niet weer doet'. Mevrouw Bulte begint zachtjes te snikken. Alsof ze die kans van het leven ooit nog krijgt?
Nou, straf jezelf dan! Je eet een maand geen suikerkorreltje.' daagt ze zichzelf uit.
Brrr. Mevrouw Bulte moet er niet aan denken. Ze weet niet of ze dat wel op kan brengen.
Een maand?
'Ach, een maand is te lang? Een jaar kun je krijgen!' hoort ze zichzelf weer denken.
O, o, die malle gedachten. Ze trekt met een klap het beschimmelde badkamertje dicht. Kijk, daar heeft Gerard op zijn beurt een steek laten vallen. Een beetje man grijpt toch in. Maar de gedachten beklijven niet. Ze houd van die stijve, rigide man. Wat zou ze er niet voor geven om zijn stem weer te horen. Is dat geen straf genoeg?
Gerard moest van heel ver komen om met haar te kunnen zijn met al zijn hebbelijkheden en mevrouw Bulte heeft hem niet de juiste handreiking gegeven. Zo zit het en niet anders. Misschien dat ze toch naar die psycholoog toe moet. Mevrouw Bulte moet worden behandeld. Behandeld? Waarmee? Het is een waanzinnig woord, waar al decennia niemand door heen prikt. Ze zou er alles voor over hebben om niet meer door haar emoties overmand te worden; kleien, wandelen, praaten, alles. Maar de kern wordt er niet mee aangeraakt,. Ze moet zelf een dikkere huid zien te krijgen. Van al dat gezemel wordt ze alleen maar bozer. Want mevrouw Bulte is opstandig van binnen. Ze wil gerechtigheid. Ze wil een echte arm om haar heen. Een arm die eigenlijk niet bestaan kan. Een arm uit een verleden dat niet meer bestaat.
De sessie
Mevrouw Bulte heeft een provocatieve meneer op televisie gezien. Buitengewoon, mompelt ze. Ze heeft hem al een paar keer gezien. Jeffi Wijnberg heet hij. Een donkere man met glinsterende ogen en een snor. Ja, dat laten ze tegenwoordig allemaal op televisie zien, hoor. Hele sessies. Het meest onder de indruk is mevrouw Bulte bij de uitzending van een Hell Angel die steeds zo verschrikkelijk moest huilen. Nu dat is voor haar ook op toepassing. Mevrouw Bulte is zo verschrikkelijk sentimenteel.
Hoe zou hij haar aangepakt hebben, vraagt mevrouw Bulte zich af. In gedachten kijkt de man haar doordringend aan.
'Dus u heeft nooit liefde gekregen, zal die ook nooit krijgen en toch blijft u maar willen er van u gehouden wordt.'
“Mevrouw Bulte schrikt. Nooit enige liefde. Dat is wel een erg bitter lotje uit de loterij.
'Tja, antwoordt ze daarom.
“Maar dat kan toch helemaal niet', laat ze de meneer tegenover zich zeggen.” “U bent moeders mooiste niet, u bent niet bijster intelligent en u bent buitengewoon hysterisch.'
Ze knikt bedroefd van ja.
“En tóch wilt u dat ze u liefhebben?'
Mevrouw Bulte weet even niet wat ze moet zeggen.
Ze buigt het hoofd en fluistert zachtjes. 'In potentie ben ik wel een leuk mens.'
'In potentie? Potentie telt niet, dat zien de mensen niet, die zien je onderkin. Dat is wat ze zien.'
Bovendien ben je al hoe oud? Tachtig?”
“Nee, 73,' lispelt ze.
“En dan heb je het nog over potentie? Ja, tegenwoordig is 70 niet oud, maar bij jou wel. Bij jou is bij 73 allang de winter ingetreden!.
“Ja, maar ik ben toch lief. Lief en zorgzaam? Ik ben toch een levend wezen? Er zijn mensen die nog geen miertje zullen doodslaan, maar mij wel hoor, mij wel!'
“Ja, dat komt om dat je zelf je hoofd op een steen legt en heel hard roept; Hier ben ik; sla er hem maar af!'
“Doe ik dat?'
“Ja, natuurlijk doe je dat. Je geeft iedereen de ruimte om dat te doen en als ze het niet doen, dan ben je per ongeluk voor even weer gered. Of is het niet zo, dat je anderen gunstig probeert te stemmen door jezelf weg te cijferen?
“Tja, soms wel. Maar dat is ook een vorm van overleven. Jezelf minitiseren.'
“Ja, ik begrijp het wel. Je bent een vorm van leven die niets toe voegt aan de wereld. Integendeel, je bent oud, lelijk en dom. Dan kan een mens ook geen praatjes hebben.'
“Er zijn zoveel mensen die oud, lelijk en dom zijn en toch praatjes hebben.”
“Ja, maar die zijn nog dommer dan jij. Die zien zelf niet wat voor een aanblik ze geven.' Jij wel, jij laat toch maar even zien, dat je inzicht in de dingen hebt. Dat is het enige waar je nog trots op kunt zijn.'
'Ho, ho, ik ben toch ook maar in het leven geslingerd. En als baby was ik een normale baby. Niet uitzonderlijk mooi of intelligent, nee. Maar een gemiddeld mens moest er toch wel uit kunnen komen. Maar dat is me ook afgepakt. Want het was een gekke tijd met gekke ouders. Moet ik daar nu mijn hele leven het gelag voor betalen? Letterlijk en figuurlijk. Ik betaal minstens eenderde van mijn inkomen aan eigen bijdragen.'
“Ja, maar dat is altijd zo. Dat noemen ze maatschappelijke kosten. Wie moet dat anders betalen? Uw ouders zijn allang dood. Daar kunnen we het niet op verhalen. En ouders die dat niet zijn, nemen meestal een advocaat in de arm, want zij zijn op hun beurt ook mishandeld.
'Nou, ik ben er wel klaar mee.'
“Anders ik wel, ik krijg maar steeds van die figuren op bezoek, die dingen willen die helemaal niet in hun levenscript staan.
“Dat zijn de mensen die als onvruchtbaar zaad op de keien terecht komen,' knikt mevrouw Bulte, maar wat kunnen deze mensen dan nog doen?'
“Blij zijn dat ze niet ter plekke afgemaakt worden.'
“Ja, in zijn diepste wezen ben iedere keer weer opgelucht als ze me zien en me niet afschieten.'
“Precies.'
Maar dan zit er me toch nog iets dwars', zegt mevrouw Bulte.
“Wie bepaalt dan wie de gevallenen zijn en wie de winnaars? Gaat dat via onzichtbare regels in het sociale verkeer, of nee, ja, u heeft al een soort systematische indeling, dat weet ik. De DSM of zo”
“Allebei een beetje, denk ik. Knappe koppen hebben uit het sociale verkeer de regels gefilterd en in dat boek gezet. Wie ze niet aanvoelt heeft een deukje aan zijn voelsprieten opgelopen.'
“Ja, ja, zegt mevrouw Bulte. Hoop begint te gloren in haar binnenste.
“Zou men dan niet zo goed willen zijn, deze regels openbaar te maken. Zo kan iedereen ze gewoon naleven, imiteren, naspelen van mijn part en dan vervallen al die verschrikkelijke categorieen van sociaal onvermogen.
“Ja, nee, dat gaat zo makkelijk niet, mevrouw Bulte. Nee, dat geven de winnaars niet prijs. U moet het zelf uit zien te vogelen.'
“Het is toch wat, ik loop er voor naar het einde van de wereld en een ander krijgt het zomaar in zijn schoot geworpen.'
“ Begint u zich eerst maar eens met het zich overgeven aan de gedachte dat alles verloren is. Er komt geen vriendin, geen vrijer, geen ziel die u ten diepste begrijpt.'
“Oh, zegt mevrouw Bulte. Oh, zit dat zo. Nou dan ga ik me daar ook niet meer druk om maken.' zegt mevrouw bulte schamper. Dan trek ik me nergens meer wat van aan ook. Ik ga verder met het kleine dat me gegeven is, wat als je het goed beschouwt nog steeds onmetelijk rijk is.'
'Ga door, hoe stelt u zich dit dan voor, u bent als een verkreukeld insektje dat hulpeloos natrappelt ?'
Mevrouw Bulte snuift. 'Nee, en toch blijf ik me mens voelen. Ik heb een lichaam dat toch het meest bij het menselijk ras in te delen is. En ik heb een aowtje. Ik ben vrij. Ik zit niet in de gevangenis. Ik mag naar de winkel en daar zomaar dingen kiezen! Ik mag reizen. Ik mag zien, horen, voelen en proeven. En al houdt men niet van mij, ik mag mijn liefde wel voelen, voor anderen en voor het leven.'
“Is dat niet hetzelfde als liefde voelen voor je zelf?'
Mevrouw Bulte blijft verbluft zitten. Tjonge, jonge, die Wijnberg werkt wel door, zeg! Maar eerst gaat ze hier in volle overgave op mediteren. Mevrouw Bulte beseft dat iedere seconde die haar nog gegeven is van háár is. Een duizelingwekkende gedachte.
Zandkorrel
Mevrouw Bulte zit in een duinpannetje, dat recht tegenover de zee ligt. Het water klotst en schuimt. Het is dan ook heel winderig en mevrouw Bulte haar zijden sjaaltje waait elegant voor haar gezicht. Hoe heerlijk zou het zijn dat gezicht voorgoed te bedekken. Maar haar oude gestalte is er nog. Je sterft niet zo gauw van verdriet, zegt een gedicht. Het is dus nog af wachten geblazen. Dat zijn wetten van de Natuurkunde denkt mevrouw Bulte; een dynamo kun je ook niet zomaar stoppen zonder een ingreep van buitenaf.
En heerlijk zit ze hier toch. De mensen op het strand kunnen hun geluk niet op. Hun honden zijn dol enthousiast en kleine kindjes denken dat het leven een spelletje is.
Waarom kan ik dan niet genieten, vraagt mevrouw Bulte zich af. Altijd maar die ongelukkige gevoelens die roet in het eten gooien. Altijd maar die pijn om de misverstanden en de onbereikbaarheid van het gedachteleven van een ander. Dan is er maar een keuze: samen zijn met anderen die je in diepste wezen minachten of alleen zijn. Alleen zijn is mevrouw Bulte onverdraaglijk onwerkelijk. Het geeft haar een gevoel niet echt te bestaan. Toch is het beter dan samen zijn. Mevrouw Bulte had gedacht dat ze met het klimmen der jaren wel meer gerespecteerd zou worden. Gewoon omdat dan de gebreken van de rest van je generatiegenoten ook steeds duidelijker zouden worden. Maar dat bleek een ongelooflijke misberekening geweest. Ze had gesteund op factoren die niet toereikend waren. Het subtiele ego vond wel weer nieuwe wegen om haar te minachten, niet serieus te nemen. Ze mag nooit vergeten dat zij de gestalte heeft die ze heeft. De gekromde schouders, de hondekop en vooral het lagere IQ. Vooral de mensen met een lager IQ hebben een hoger IQ dan zij. Want het gaat niet om IQ. Het gaat om de zwaartekracht waarmee je je stappen zet en je in je eigen illusie vast kunt bijten.
En dan haar liefde, die altijd zomaar uit haar binnenste opborrelt en waarvan ze weet dat hij zuiver is, omdat het een liefde is die niet zozeer met haar te maken heeft, maar met het Allerhoogste, met diezelfde kracht die een bloem doet geuren, die liefde is onzichtbaar voor de gemiddelde mens. En dus zouden die zielen die er niet ontvankelijk voor zijn niet belangrijk voor haar moeten zijn. En toch kan ze er niet genoeg afstand van nemen. Dat is de pijn, veroorzaakt door haar eigen ego.
Maar mevrouw Bulte is moegestreden. Mevrouw Bulte wil het niet meer. Ik moet flink zijn, denkt ze venijnig. Ze snuift en verzet haar blote voeten in het zand. O gut, beseft ze opeens, het is hier geloof ik een soort natuurlijk toilet. De mensen van het strand doen hier hun behoefte. Mevrouw Bulte weet niet of ze lachen of huilen moet. Job op de mestvaalt.
Een hond komt dichterbij. Mevrouw Bulte laat zich besnuffelen, maar probeert er fier rechtop bij te zitten. Dat moet van de hondenfluisteraar. Anders wordt je onderdeel van de roedel van zo een hond. Nu dat doen de mensen al genoeg bij haar. Laat ze dan in elk geval niet in de onderste laag van de dierenriem vallen.
Als ik maar de hoop houd dat God me wel welgevallig is. Laat anderen dan maar in hun illusie. Hun vreugde komt van hun uiterlijk. Prestaties of geld. Maar het is vreugde dat omslaat bij tegenspoed. En dus geen waarlijke vreugde.
Ondertussen ben jij altijd wat ongelukkig, Stientje Bulte. Al 70 jaar heb je het kaas van
je brood laten eten.
Dat is zo, geeft ze toe. Maar ik mik op achter de wolken, naar de bron van dit al. Ik wil als een zandkorreltje niet veranderen van consistentie hoe klein en insignifant ik ook ben.
Trouwens, je kunt niet afdwingen dat anderen je zien, zoals jij graag zou willen. Vooral omdat je nogal eens moppert, Stientje Bulte.
De laatste tijd, de laatste tijd wel, denkt ze verbolgen. Er komt een punt in het leven, dat je muren instorten in een maatschappij waarin de mensheid muren op je heen slechts optrekt. Daar lig je dan. Alles in puin. O wee, als er een broksteentje in het tuintje van de buurman terechtkomt. Je mag wel lijden, graag zelfs (zo steekt het geluk van de buurman er des te fonkelender tegen af) maar je mag er geen kratertje bij achterlaten. En het is niet eens slechtigheid bij de meeste mensen. Het is een recht dat ze denken te hebben. Ja, weten zij veel. Ze maken schitterende hoeden, dus is het toch gewoon dat iedereen voor hen buigt. Ze zijn de koningin van hun eigen leven. En jij hoort bij de entourage. Een figurant. Ja, als je geluk hebt. Want je moet natuurlijk wel gecast worden. Wie onbruikbaar is, staat aan de kant. Mevrouw Bulte kijkt naar de meeuwen die boven haar scheren. Zij zijn vrijer dan zij maar zij heeft de mogelijkheid zich van de ketenen te bevrijden en dat heeft zo een dier tenslotte niet. Moeizaam begeeft zij zich op weg naar de restauratie. Wie rustig gaat zitten en betaald, wordt hoogstwaarschijnlijk niet weggejaagd.
het Zelf
Mevrouw Bulte is op een interessant artikel gestoten. Zahastrustha en het Zelf. Mevrouw Bulte proeft de woorden in haar mond. Er gaan een enorme aantrekkingskracht van uit. Alsof ze in een oogopslag een der grootste filosofieën kan overzien, als ze maar dit ene artikel leest. Maar het is moeilijk. Er staan veel woorden in het Duits doorheen, die het verhaal moeten toelichten, maar voor Mevrouw Bulte eerder het bewijs zijn van een grotere, diepere wereld, aan haar onbekend en geen van die zinnen een tipje van die sluier laten oplichten. Toch ploetert ze door. Ik doe of ik een ketting maak, ieder woordje dat betekenis geeft, zal ik er aan rijgen en zo zal ik mij verrijken, denkt ze hardnekkig.
Ieder mens in de Westerse wereld heeft een individueel Zelf, terwijl de Oosterse mens zijn Zelf op een collectieve manier beleeft, begrijpt ze na lang turen.. Maar wat het Zelf precies is, wordt als bekend geacht en niet nader uitgelegd.
Dus mevrouw Bulte moet ergens een Zelf hebben. Een Zelf waar ze niets van gemerkt heeft en waar ze tot nu toe zelfs niets over heeft gehoord.
Het is toch wat! Hoewel er wel meer in haar lijf zal ronddraaien dat essentieel is en waar zij geen weet van heeft. Zo zie je maar, hoe een mens als een onwetend duizendpootje door het leven schuifelt, terwijl er een proces van miljarden jaren overheen gegaan zijn om hem te perfectioneren. Doch het Zelf is toch weer van een andere orde. Het Zelf is niet te vangen in een reageerbuisje en niet wetenschappelijk te bewijzen.
Maar dat het Zelf er is, weten alle groten der aarde en dat het in het Westen een ander Zelf is dan in het Oosten ook. Dat is op zich al een uiterst bevreemdende zaak. Is de wereld niet rond? Kun je op een tennisbal het oosten en westen onderscheiden? Toch spreekt men daar al zolang over dat mevrouw Bulte wel aan moet nemen dat de mens markeringen heeft gevonden in het aardoppervlak.
Kijk, zo iemand als Zahastrustha, iemand met zo'n naam alleen al, is een zeldzame uitschieter die het Zelf bewust heeft kunnen vaststellen en dieper onderzoeken. En zo zullen er wel anderen geweest zijn. Het artikel noemt Jung, (O, wat een verrukkelijke kerel was dat toch! Mevrouw Bulte kleurt ervan.) Nietsche, een man met een sombere naam, zal ook wel er het fijne van geweten hebben. Alleen Stientje Bulte weet weer van niets. Ze zucht er van.
Ze legt het artikel weg. Gevonden in zo'n filosofisch blad eind jaren zeventig. Het was heerlijk om er even aan te snuiven maar mevrouw Bulte is nog net zo ver als vanochtend. Het Zelf is niet meer dan een woord, een wonderlijk begrip, dat haar intrigreert maar waar ze geen toegang tot heeft.
En zou ze wel een Zelf hebben zoals het artikel beweert? En wat is dat dan? Het Zelf kan haar identiteit niet zijn. Dat zou te gemakkelijk zijn. Bovendien is de identiteit wel te ontleden, misschien niet in het geheel, maar technisch is het mogelijk. Het Zelf wordt beschreven als een gids die het het beste weet voor die persoon. Iemands identiteit kan het dus niet zijn. Die is zelf speelbal van factoren. Hoe wordt een mens niet beinvloed door genen, afkomst sekse opvoeding enz. Zou zo een toevallig samengestelde mens zijn eigen kern kunnen leiden? Nee, het is de kern die de toevallig samengestelde mens leidt. En die kern, die ze toch eigenlijk zo wanhopig nodig heeft, is ongekend door mevrouw Bulte.
Ze is onrustig. Nu de televisie aanzetten zou de kans wegnemen op ieder inzicht in een
uiterst belangrijke kwestie. Echter hier zitten te peinzen in het luchtledige brengt haar ook niet verder. Waarom speelt dat Zelf zo verstoppertje? Alles in de natuur is zo logisch en efficient
en dan dit....Er klopt iets niet.Waarom niet in al zijn glorie in het licht getreden,, met het verstand er deemoedig achteraan hobbelend. Of... misschien zit hem daar de kern. Dat verstand, he?
Dat kan nogal eens blind zijn. Het is of mevrouw Bulte bijna de top van de Mount Everest heeft bereikt, maar in een oogwenk weer in het dal kan tuimelen.Houd het nog even vast!, denkt ze, terwijl
de gedachte aan een kopje koffie zich brutaal tussen haar verheven gedachte wurmt. Wat zou haar Zelf daar van denken, een kopje koffie voor mevrouw Bulte? Het is bekend dat koffie niet altijd
gezond is. Eigenlijk is het samengesteld uit natuurlijke gifstoffen om insecten te verdelgen. En dat drinkt zij! Waarom gaan bij haar dan niet alle alarmbellen af? Waar dient zo een Zelf dan
eigenlijk voor. Het houdt zich wijselijk stil, als een berg die alles aanschouwt maar zich niet verroert. Ze moet oppassen niet boos te worden op haar Zelf. Ze heeft toch ook een eigen verstand,
bijt ze zichzelf toe. Ja, maar het Zelf gaat het verstand te boven, hoont er weer een stemmetje in haar. Gelukkig maar, gelukkig maar, repliceert ze. Anders zou een mens nooit een vreugdevol
moment kennen. Is het niet zo, dat een zonnestraaltje tijdens het sterven alles verzacht? Kijk, daar is nou het Zelf voor. Om dat te zien! Mevrouw Bulte verheft zich moeizaam, maar als geleid
door een afstandsbediening loopt ze naar de keuken. Nu maar even een kopje koffie. Wie nooit zondigt, heeft geen Zelf nodig!!
